36 741 EU-voorstel: Gezamenlijk witboek over de gereedheid van de Europese defensie 2030 JOIN(2025)120

N VERSLAG VAN EEN NADER SCHRIFTELIJK OVERLEG

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 heeft nader schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Defensie over Omnibusvoorstellen Europese Defensie Gereedheid 2030. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 10 februari 2026.

  • De antwoordbrief van 13 maart 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSHULP

Aan de Minister van Defensie

Den Haag, 10 februari 2026

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief2 van 12 november 2025, in reactie op de brief van de commissie van 1 oktober 2025 met vragen over het Omnibuspakket3 met voorstellen van de Europese Commissie aangaande defensiegereedheid 2030, die op 17 juni 2025 door de Europese Commissie zijn gepubliceerd. Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers heeft naar aanleiding van de beantwoording een aantal vervolgvragen.

1.

Hoe zal de afweging van belangen – natuur versus defensie – in de praktijk plaatsvinden? Wie is waarvoor verantwoordelijk in welke fases van besluitvorming, en hoe wordt de democratische controle gewaarborgd?

2.

Zijn er alternatieven voor een Lex silencio-principe?

3.

Klopt het dat het kabinet zich in Europa tegen het Lex silencio-principe zal uitspreken?

Het lid leest dat «de versnelling hand in hand gaat met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid.»4

4.

Hoe wordt de zorgvuldigheid van dit proces gewaarborgd als de termijn van de vergunningsverleningsprocedure maar zestig dagen is?

5.

Is het kabinet bereid in EU verband de discussie aan te gaan over het vermijden van dierproeven voor defensie? Zo ja, hoe, en zo nee waarom niet?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, K. Petersen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 13 maart 2026

Bijgaand treft u de beantwoording op de nadere vragen van het lid van de Eerste Kamer Fractie-Visseren-Hamakers over het omnibuspakket voorstellen van de Europese Commissie inzake Defensie Gereedheid 2030. Deze vragen werden ingezonden op 10 februari jl. met kenmerk 179818.

De Minister van Defensie, D. Yeşilgöz-Zegerius

Antwoorden op de schriftelijke vragen van het lid van de fractie-Visseren-Hamakers en de aan de Minister van Defensie inzake omnibuspakket voorstellen van de Europese Commissie inzake Defensie Gereedheid 2030

Ingezonden op 10 februari 2026, kenmerk 179818.

1.

Hoe zal de afweging van belangen – natuur versus defensie – in de praktijk plaatsvinden? Wie is waarvoor verantwoordelijk in welke fases van besluitvorming, en hoe wordt de democratische controle gewaarborgd?

Antwoord:

In de praktijk zal bij ieder besluit van geval tot geval moeten worden beoordeeld welke belangen meewegen. De defensie omnibus wijzigt de huidige praktijk daarin niet. Defensie zoekt naar mogelijkheden om koppelkansen met natuurversterking optimaal te benutten.

Defensie heeft voor verschillende activiteiten een vergunning nodig. Dit kan een natuurvergunning zijn. In veel gevallen zal natuurcompensatie noodzakelijk zijn om voor de effecten van (geïntensiveerde) activiteiten te compenseren.

Het bevoegd gezag zal iedere individuele aanvraag beoordelen aan de hand van de wet en geldende jurisprudentie, en daarbij een belangenafweging maken. Welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is, is afhankelijk van het type vergunningsaanvraag. Tegen een besluit van het bevoegd gezag staan rechtsmiddelen open, zowel voor de aanvrager als voor overige belanghebbenden.

2.

Zijn er alternatieven voor een Lex silencio-principe?

Antwoord:

Lex Silencio Positivo (LSP) houdt in dat een vergunning geacht wordt verstrekt te zijn wanneer het bevoegd gezag niet binnen de bij wet geregelde termijn beslist heeft over de vergunningaanvraag. Het doel van vergunningverlening van rechtswege is om het bevoegd gezag te bewegen om tijdig over een vergunningaanvraag te beslissen. Een alternatief zou kunnen zijn een dwangsom of een rechtstreekse beroepsgang wanneer een bestuursorgaan niet tijdig beslist. De Commissie heeft dit alternatief echter niet opgenomen in het Omnibuspakket.

3.

Klopt het dat het kabinet zich in Europa tegen het Lex silencio-principe zal uitspreken? Het lid leest dat «de versnelling hand in hand gaat met zorgvuldigheid en juridische houdbaarheid.»

Antwoord:

Conform het Beoordeling Nieuwe Commissievoorstellen (BNC)-fiche onderstreept het kabinet in de onderhandelingen over de defensie omnibus dat Nederland het achterliggende doel van LSP om versnelling in vergunningverlening te bereiken steunt, maar dat Nederland in beginsel geen voorstander van vergunningverlening van rechtswege is omdat dit mogelijk geen versnelling oplevert. De onderhandelingen bevinden zich nu in de triloogfase, waarbij de Europese Commissie, de Raad en het Europees Parlement vertegenwoordigd zijn. De uitkomsten van de triloog onderhandelingen moeten met gekwalificeerde meerderheid in de Raad worden aangenomen. Het kabinet zal daarbij positie bepalen op basis van de uitkomsten van het defensie omnibuspakket als geheel.

4.

Hoe wordt de zorgvuldigheid van dit proces gewaarborgd als de termijn van de vergunningsverleningsprocedure maar zestig dagen is?

Antwoord:

De regels van bestaande natuur- en milieuwetgeving blijven intact in de defensie omnibus en daarmee blijft de onderliggende complexiteit van vergunningaanvragen bestaan. Het Commissievoorstel tracht de zorgvuldigheid van het vergunningverleningsproces te waarborgen door middel van een aantal flankerende bepalingen. Zo begint de termijn van 60 dagen voor de vergunningsprocedure te lopen vanaf het moment van indiening van een volledige aanvraag. Daarbij wordt de mogelijkheid gegeven om deze termijn te pauzeren indien er informatie ontbreekt. Ook worden lidstaten onder dit Commissievoorstel geacht om administratieve ondersteuning te bieden (inclusief hulp bij naleving van de vereisten inzake openbare informatie) aan de aanvrager voor defensiegereedheidsprojecten gedurende het vergunningverleningsproces.

5.

Is het kabinet bereid in EU verband de discussie aan te gaan over het vermijden van dierproeven voor defensie? Zo ja, hoe, en zo nee waarom niet?

Antwoord:

Defensie streeft er naar om in haar onderzoeksactiviteiten zo weinig mogelijk gebruik te maken van dierproeven en om daar uiteindelijk helemaal geen gebruik meer van te hoeven maken. Het kabinet is dan ook bereid om in EU-verband de discussie aan te gaan over het vermijden van dierproeven bij defensieonderzoek. Deze discussie zal voornamelijk op expert-niveau gevoerd moeten worden, aangezien daar bepaald kan worden in hoeverre dierproeven strikt noodzakelijk zijn vanwege het ontbreken van wetenschappelijk gevalideerde alternatieven.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, H.

X Noot
3

COM(2025)820,821,822,823, gepubliceerd op 17 juni 2025. Zie ook dossier E250014 op www.europapoort.nl.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, H, p. 11.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, H.

X Noot
3

COM(2025)820,821,822,823, gepubliceerd op 17 juni 2025. Zie ook dossier E250014 op www.europapoort.nl.

X Noot
4

Kamerstukken I, 2024–2025, 36 741, H, p. 11.

Naar boven