Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36741 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36741 nr. B |
Aan de Hoge Vertegenwoordiger en vicevoorzitter van de Europese Commissie
Den Haag, 19 juni 2025
De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben kennisgenomen van het op 19 maart 2025 gepubliceerde gezamenlijk Witboek1 van de Europese Commissie en de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid over de gereedheid van de Europese defensie 2030. De leden van de fractie van BBB hebben naar aanleiding van dit Witboek een aantal vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
1. Op pagina 3 wordt gesproken over defensieprojecten van gemeenschappelijk belang voor de EU-lidstaten. Is het voor de Commissie en het Witboek Europese Defensie 2030 relevant dat sommige EU-lidstaten niet ook lidstaat zijn van de NAVO, zoals Ierland en Oostenrijk? Zo ja, bij welke aspecten van het Witboek?
2. Op pagina 5 wordt een «wereldwijde technologiewedloop» beschreven. Wat betekent het Witboek Europese Defensie 2030 voor een bedrijf zoals het Nederlandse ASML, en de uitvoer van dat bedrijf naar China of de Verenigde Staten van Amerika? Kan de Commissie de gevolgen van het Witboek voor zo’n bedrijf schetsen?
3. Op pagina 6 wordt gesproken van het «coördineren van de industriële defensiebasis en de algemene defensiegereedheid van de EU? Wat verstaat de Commissie hier precies onder gezien zij hierboven ook stelt: «de lidstaten blijven altijd verantwoordelijk voor hun eigen troepen, van doctrine tot inzet, en om te bepalen wat hun strijdkrachten nodig hebben». En hoe draagt de Commissie er zorg voor dat deze coördinatie niet ten koste gaat van slagvaardigheid, maar een nieuwe bureaucratische laag toevoegt? Worden aan deze coördinatie kwantitatieve Key Performance Indicators (KPI’s) verbonden, zodat de toegevoegde waarde gemeten kan worden?
4. Op pagina 9 spreekt de Europese Commissie over het in 2007 in het kader van het Europese Defensie Agentschap (EDA) vastgestelde streefcijfer van 35% van het gemeenschappelijke aanschaffen van defensiematerieel, wat in 2017 ook als streven werd vastgelegd voor PESCO. Is dit streefpercentage behaald? Zo niet, hoeveel is het nu? Kan de Commissie uitleggen wat het huidige percentage verklaart, welke (hoofd)factoren het veroorzaken? Heeft de Commissie het doel dit streefcijfer op te schalen in de toekomst?
5. Welke van de 500 onderaan pagina 9 genoemde «hotspotprojecten» liggen (deels) in Nederland?
6. Bij dezelfde paragraaf over «militaire mobiliteit en infrastructuur» vragen de leden van de BBB-fractie of de Commissie bij wetgevingsvoorstellen ook denkt over een verplichting voor particuliere transportbedrijven tot samenwerking met Defensie.
7. Op pagina 10 wordt in het kader van de «grensbescherming» geschreven over een «oostelijk grensschild». Is de Commissie ook bereid te studeren op de (on)mogelijkheden van eenzelfde «zuidelijk grensschild», dus op of langs de Middellandse Zee, tegen militaire of hybride dreigingen, zoals migratie, aan deze zijde van Europa? Inclusief drijvende grensbarrières op zee, zoals bijvoorbeeld geprobeerd is door de Griekse overheid?
8. Op pagina’s 10–11 wordt geschreven over het «Omnibuspakket voor defensie». Kan de Commissie bij het ontwikkelen van voorstellen ook expliciet aandacht besteden aan het terugbrengen van onnodige administratieve lasten, inclusief bij deelname in R&D-projecten? Overigens worden administratieve lasten op pagina 15 wel expliciet genoemd.
9. Op pagina 10 staat: de «Commissie zal onmiddellijk een strategische dialoog aangaan met de defensie-industrie.» Hoe definieert de Commissie in deze dialoog «de defensie-industrie»? Hoe ver staat het hiermee, welke inspanningen werden er door de Commissie hiervoor ondernomen? Wat is tot nu toe het resultaat? Heeft deze dialoog geleid tot aanpassingen in dit Witboek? Overweegt de Commissie ook om als onderdeel van deze strategische dialoog een programma te activeren bestaande uit investeringen, leningsfaciliteiten, garanties voor startups of het opschalen door bijvoorbeeld lange termijn afname?
10. Op pagina 11 wordt geschreven: «het vaker toepassen van wederzijdse certificatie van defensieproducten en het vergemakkelijken van de wederzijdse erkenning van certificering, indien van toepassing.» Hoe is dit nu geregeld en welke tekortkomingen zijn er precies daarin geïdentificeerd? Wat wil de Commissie precies verbeteren?
11. Op pagina 11 wordt bij de 2e aandachtsstreep geschreven over snelle verlening van bouw- en milieuvergunningen. Houdt dat voor de Commissie ook in dat minder zware eisen zullen worden gesteld aan die vergunningen, met name op milieu- en ecologisch gebied? Is dit ook het geval voor «dual-use» goederen en diensten? En ook voor de eerder genoemde 500 hotspots?
12. Aan welke «aanverwante grondstoffen» denkt de Commissie onderaan pagina 11, in de paragraaf over «Strategische voorraden en gereedheidspools»? Kan het woord «aanverwante» daar niet beter vervangen worden door «daarvoor benodigde»?
13. Kan de Commissie beargumenteren waarom op pagina 12 niet wordt aangegeven dat Oekraïne het legitieme recht heeft te proberen bezette delen van haar grondgebied te bevrijden, inclusief door terug verovering? Impliceert de Commissie door dit niet te noemen, dat alle militaire en andere hulp alleen mag worden gebruikt voor verdediging van niet-bezet grondgebied? De leden van de BBB-fractie verzoeken de Commissie om een toelichting.
14. In de tekst op pagina 12 staat «drones» niet gespecificeerd, maar kan de Commissie bevestigen dat zij niet alleen drones voor in de lucht bedoelt, maar ook voor op of onder water, en op land?
15. Naar aanleiding van wat er op de overgang van pagina 12 naar pagina 13 over drones en «gezamenlijke ondernemingen» wordt geschreven, hebben deze leden de meer algemene vraag: valt de aankoop van Oekraïense drones of ander defensiematerieel door EU-landen ook onder het Witboek Europese Defensie 2030? Zo ja, op welke manier(en)? Zo nee, waarom niet? Is de Commissie dan bereid een apart, extra beleidsdocument aan (het stimuleren van) aanschaf van Oekraïens defensiematerieel door EU-lidstaten te wijden?
16. In de opsomming op pagina’s 12–13, onder 5a, staat het cyberdomein niet als taakgebied genoemd om de Oekraïne op te helpen. Kan de Commissie aangeven waarom dat ontbreekt? Doen de lidstaten en de EU al genoeg? Of wil de Commissie (alsnog) op cyberdomein meer voor de Oekraïne gaan doen?
17. Dezelfde vragen kunnen worden gesteld voor elektromagnetisch spectrum activiteiten, zoals het verstoren van vijandelijke drones of radar. De leden van de BBB-fractie vragen ook over het ontbreken hiervan om een toelichting en reflectie van de Commissie.
18. Op pagina 13 wordt geschreven over uitbreiding van de steun voor de opleiding van het Oekraïense leger. Wat wil de Commissie (meer) doen om het mogelijk te maken dat vrijwilligers uit EU-lidstaten het Oekraïense leger, of andere voor de oorlog vitale organisaties, zoals bijvoorbeeld ook medische en brandweerdiensten, kunnen gaan helpen? En wat wil de Commissie (meer) doen om (Europese) private veiligheidsbedrijven de Oekraïne meer te laten ondersteunen? Worden door de Commissie voor beide (vrijwilligers en bedrijven) programma’s voorzien?
19. Op pagina 15 schrijft de Commissie over «traditionele industrieën», zoals de staal- en chemische industrie. Deze zijn weer afhankelijk van de toevoer van grondstoffen. In hoeverre steunt de Commissie ook initiatieven van lidstaten om mijnbouw uit te breiden, speciaal om binnen Europa grondstoffen te winnen die van belang zijn voor de Europese defensie-industrie, ook om minder afhankelijk te worden van aanvoer van buiten de EU? Ziet de Commissie mogelijkheden deze steun nog uit te breiden, bijvoorbeeld ook voor de cruciale chemische bewerking voor bruikbare zogenaamde «rare earth minerals»? Wil de Commissie leningen verstrekken voor bodemonderzoek naar de aanwezigheid van deze grondstoffen in Europa zelf?
20. Bovenaan op pagina 15 wordt aangegeven: «om de defensie-industrie te helpen deze zwakke punten te overwinnen zal bij de herziening van de voor 2026 geplande EU-richtlijn betreffende overheidsopdrachten op defensie- en veiligheidsgebied rekening worden gehouden met de aanbeveling van het kompas voor concurrentievermogen om een Europese voorkeur in te voeren.» Wat zal dit volgens de Commissie betekenen voor Amerikaanse bedrijven die in Europa produceren (zoals F-35’s in Italië)? Wat zal dit betekenen voor onderhouds- en andere diensten voor Amerikaanse wapensystemen die op dit ogenblik reeds in gebruik zijn bij krijgsmachten van EU-lidstaten? Wat wil de Commissie dat de geplande richtlijn als gevolg zal hebben als de «beste keuze» voor opdrachten uit de VS komt?
21. Op pagina 16 wordt geschreven over «waarborging van de voorzieningszekerheid». Mocht zij dit nog niet middels een ander programma doen; zou de Commissie zich in het kader van het Witboek Europese Defensie 2030 ook willen inspannen om voedselvoorziening voor Europese militairen (en ander vitaal personeel) te garanderen, in de eerste plaats vanuit de Europese landbouw?
22. Naast het garanderen van voedselvoorziening, kan de Commissie zich ook inspannen de voorzieningszekerheid te waarborgen van medicijnen en medische hulpmiddelen en medisch-technische middelen, in het bijzonder ten behoeve van de militair-geneeskundige eenheden?
23. Op pagina 17 wordt geschreven over «disruptieve innovatie». Ziet de Commissie dat ook 3D-printing-technologie een belangrijke rol kan spelen in militaire productie? Te denken valt aan het maken van onderdelen in de lucht- en ruimtevaart, maar ook van motoren en andere machines die binnen krijgsmachten worden gebruikt. Wat wordt nu al door de Commissie gedaan om 3D-printing te bevorderen? Is zij bereid dit op te voeren?
24. Onderaan pagina 19 wordt gerefereerd aan artikel 122 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie. Op 23 april 2025 heeft de commissie Juridische Zaken (JURI) van het Europees Parlement een niet bindende opinie aangenomen, waarin zij stelt dat artikel 122 geen correcte legale basis is voor de financiering. Wat is het standpunt van de Europese Commissie hierover?
25. In de paragrafen 7.4 en 7.5, op pagina’s 21 en 22, worden de mogelijkheden van de EIB en «particulier kapitaal» beschreven. Overheden van EU-lidstaten hebben investeringsbanken en -fondsen. Welke mogelijkheden ziet de Commissie voor zichzelf om ook hen (meer) te betrekken bij de Europese defensie-inspanningen?
26. In het hoofdstuk 8 («Partnerschappen») vanaf pagina 22, worden veel bondgenootschappelijke en bevriende landen genoemd, maar ontbreekt er ook een aantal die toch ook voor Europa potentieel biedt voor versterking van onze defensie(-industrie), inclusief de winning van grondstoffen. Te denken valt aan landen zoals Argentinië, Brazilië, Israël, Kazachstan, Mexico, Mongolië, Servië en Taiwan. Sluit de Commissie samenwerking met hen binnen de onderwerpen in het Witboek Europese Defensie 2030 uit? Zo ja, met welke landen en waarom?
27. Op pagina 23 wordt geschreven over deelname van landen zoals Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk aan de projecten in het kader van het Witboek. Hoe kunnen zij deelnemen en binnen welk financieel kader?
28. De leden van de BBB-fractie constateren dat een aantal voor de Europese defensiecapaciteit relevante onderwerpen niet in het Witboek Europese Defensie 2030 worden genoemd. Zou de Commissie kort willen aangeven wat zij al doet aan, respectievelijk wat zij nog meer zou willen doen, al dan niet binnen het kader van dit Witboek, wat betreft de volgende punten:
a. De (versterking van) op krijgsmachten en de defensie-industrie gericht onderwijs op universiteiten en (hoge)scholen in de EU;
b. De rol die de koopvaardijvloot van EU-lidstaten moet kunnen spelen in tijden van (hybride) oorlog;
c. Het belang van leveringszekerheid van voldoende olie en gas, inclusief winning daarvan binnen Europa;
d. De bijdrage die vanuit overzeese gebiedsdelen van EU-lidstaten kan worden geleverd aan de Europese defensie. Daarbij kan worden gedacht aan mogelijkheden voor grondstoffenwinning, maar ook aan (veilige) locaties voor productie van militaire middelen;
e. De rol die nucleaire wapens, nucleaire technologie en nucleaire kennis (kunnen) spelen in de Europese defensie;
f. De bescherming tegen Chemische, Biologische, Radiologische en Nucleaire (CBRN) oorlogsvoering en CBRN-risico’s voor militairen, maar ook de Europese bevolking;
g. Eventuele Europese richtlijnen of verordeningen voor:
i. het (in omstandigheden) voorrang geven aan militaire productie boven civiele productie,
ii. screening van personeel in de defensie-industrie,
iii. (een verbod op) investeringen in, en samenwerking met militair-industriële bedrijven en «dual use» goederen producerende bedrijven van (mogelijke) militaire tegenstanders van de EU-lidstaten, zoals China;
h. De bijdragen die (her)invoering van de militaire dienstplicht, en die «gendarmerie-type troepen», vreemdelingenlegioenen en «private military companies» kunnen leveren aan de Europese defensiecapaciteiten, zeker ook in hybride oorlogsvoering. Kan de Commissie de lidstaten faciliteren in het nadenken over optimaal gebruik van deze maatregel en van de inzet van die organisaties voor het leveren of ondersteunen van militaire capaciteit?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) kijken met belangstelling uit naar de antwoorden van de Europese Commissie en ontvangen deze graag zo snel mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, K. Petersen
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36741-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.