Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36731 nr. 9 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36731 nr. 9 |
Ontvangen 23 juni 2026
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
I
In het opschrift wordt na «Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering» ingevoegd «en het Burgerlijk Wetboek».
II
Na artikel I wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aan artikel 13 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek worden twee leden toegevoegd, luidende:
4. Een bevoegdheid kan worden misbruikt door kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht gericht tegen publieke participatie als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»).
5. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het vierde lid.
Journalisten, wetenschappers, fotografen, kunstenaars, mensenrechtenverdedigers – allen vervullen een essentiële rol in het functioneren van de democratische rechtsstaat. Niet alleen vormen zij een essentiële schakel tussen politiek en burgers maar ze fungeren ook als noodzakelijke waakhond die de overheid kan controleren en misstanden aan de kaak kan stellen. Wanneer burgers die op een dergelijke manier actief zijn in het publieke debat, worden geconfronteerd met strategische rechtszaken die primair zijn bedoeld om hen financieel en psychologisch onder druk te zetten, raakt dat niet alleen het individu, maar dan tast dat het maatschappelijk debat als geheel aan. Indieners zijn dan ook van mening dat deze journalisten, wetenschappers, fotografen, kunstenaars en mensenrechtenverdedigers volledige bescherming genieten. Zowel de Europese Commissie als de Raad voor Europa benadrukken ook dat lidstaten wettelijke handvaten moeten bieden om SLAPPs vroegtijdig te herkennen en effectief te bestrijden. Daartoe dient ook de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») (anti-SLAPP richtlijn) en de anti-SLAPP aanbevelingen van deze Europese organen, die met het wetsvoorstel omgezet wordt naar het Nederlands recht. Het huidige Nederlandse wetsvoorstel blijft echter achter.
Dit amendement ziet toe op de expliciete wettelijke verankering van de indicatoren die duiden op misbruik van procesrecht gericht tegen publieke participatie, via een verwijzing naar het betreffende artikel en lid in de Richtlijn. Die ontbreekt op dit moment in het wetsvoorstel. Het Nederlands recht biedt enkel het generieke artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW) over misbruik van bevoegdheid, waarvan de drempel in de praktijk aanzienlijk te hoog ligt. Een beroep op artikel 3:13 van het BW wordt in de geldende jurisprudentie vrijwel nooit toegekend en sluit niet goed aan bij de realiteit van SLAPP-zaken. Zo blijkt uit de Richtlijn en Aanbevelingen helder dat voor SLAPPs het geheel van rechtshandelingen, alsmede intimidatie en pesterijen (bijvoorbeeld lastercampagnes) buiten de rechtszaal meegewogen moet kunnen worden. Artikel 3:13 van het BW staat echter alleen beoordeling van de toelaatbaarheid van de inzet van een specifieke bevoegdheid toe. Daarnaast kijkt artikel 3:13 van het BW nauw naar de vraag of een bevoegdheid voor een ander doel wordt ingezet dan waar die voor bedoeld is – dat is bij SLAPPs niet altijd het geval. Zowel SLAPPs die onder de Richtlijn gedefinieerd worden als «kennelijk ongegronde vorderingen» (manifestly unfounded) als «misbruik van procesrecht» (abusive proceedings) kunnen deze toets halen.
Recente jurisprudentie toont ook terughoudendheid bij rechters om aan artikel 3:13 van het BW in het huidige kader toe te passen bij een beroep op SLAPP (zie daarvoor ook NRC vs. Bunq). Rechters hanteren een terughoudende toetsing, waarbij intentie moeilijk te bewijzen is en gedragingen zoals intimidatie, disproportionele claims, of reeksen van procedures onvoldoende meewegen. Onder andere de «Coalition Against SLAPPs in Europe» (CASE) en de Nederlandse anti-SLAPP-werkgroep pleiten daarom voor het wettelijk opnemen van handvatten voor de beoordeling van een SLAPP. In de memorie van toelichting wordt echter gesteld dat deze handvatten zich niet goed lenen voor opname in het wetsvoorstel. Vanwege het gebrek aan SLAPP-gerelateerde beoordelingscriteria en de terughoudende toetsing in het kader van artikel 3:13 BW is niet gegarandeerd dat het SLAPP-doelwit beschermd wordt in de zin van artikel 11 Richtlijn.1 2
Voorts betreffen verreweg de meeste SLAPP-procedures of dreigementen die nu al spelen in Nederland, nationale kwesties. Dit is in heel Europa het geval (volgens data van CASE is slechts 8.5% van de zaken grensoverschrijdend).3 De Europese Commissie en de Raad van Europa moedigen, zoals het kabinet onderschrijft in de MvT, lidstaten daarom aan om SLAPP-waarborgen ook op puur nationale casussen van toepassing te laten zijn. In navolging daarvan hebben onder andere Frankrijk, België, en Polen in de implementatiewetten gekozen voor nationale toepassing van SLAPP-waarborgen. Zonder nationale toepassing dreigen de nieuwe waarborgen niet alleen doel te missen, maar kan er ook een ongelijke rechtspositie ontstaan bij gelijke gevallen (waarbij het enige verschil het grensoverschrijdende karakter is). Dat staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien ontstaat, nu meerdere Europese (buur)landen wél voor nationale toepassing kiezen, het risico dat Nederland een extra aantrekkelijke jurisdictie wordt voor partijen die SLAPP-zaken initiëren. Tot slot duidt recente rechtspraak er niet op dat, zoals het kabinet veronderstelt, het geldende recht ook in nationale gevallen tot toepassing van de waarborgen uit de richtlijn kan leiden. Zo stelde de rechter recent in dezelfde NRC v. Bunq zaak waarin beroep werd gedaan op richtlijnconforme interpretatie: De richtlijn is nog niet (voldoende) omgezet in Nederlandse wetgeving en is bovendien alleen van toepassing op burgerlijke of handelszaken met grensoverschrijdende gevolgen. Niet gesteld of gebleken is dat deze zaak grensoverschrijdende gevolgen heeft.
Ook blijkt uit recente jurisprudentie4 dat rechters in de richtlijn de lezing van de regering, uiteengezet in de memorie van toelichting, alsmede die van de adviescommissie burgerlijk procesrecht, niet delen wat betreft het al volstaan van het geldend recht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Greenpeace vs. Energy Transfer, uitspraak op datum 03-06-2026. In de uitspraak concludeert de rechtbank: «de SLAPP Richtlijn in deze zaak geen toepassing kan vinden en ook niet via richtlijnconforme interpretatie een rol kan spelen, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend recht is in Nederland». De uitspraak is, als een van de eerste procedures waarin expliciet een beroep gedaan is op een artikel uit de richtlijn, een duidelijk signaal dat de lezing dat het geldende recht volstaat, niet klopt. Het is, gezien de analoge redenering met betrekking tot de andere onderdelen (zoals vroegtijdige afwijzing) uit de memorie van toelichting, aannemelijk dat een vergelijkbare redenering zal volgen met betrekking tot de andere onderdelen van de richtlijn, hetgeen zorgen oproept over toekomstige procedures en een eventuele toekomstige beoordeling in Luxemburg.
Het voorliggend amendement introduceert daarom een aparte bepaling in het Burgerlijk Wetboek die specifiek ziet op SLAPP-indicatoren die in de Richtlijn genoemd worden. Deze aanvulling vergroot volgens indieners rechtszekerheid, verlaagt de drempel voor bescherming vanwege heldere criteria en biedt rechters concrete handvatten om SLAPPs te herkennen. Hiermee wordt het wetsvoorstel beter toepasbaar, en wordt een belangrijke lacune in het wetsvoorstel en de rechtsbescherming bij SLAPP-zaken gedicht. Daarnaast biedt het expliciet verwijzen naar de richtlijn – en daarmee naar de criteria voor het beoordelen van een SLAPP, incluis de wetshistorie en toelichting die de Richtlijn daarmee biedt. Dit geeft de Nederlandse rechtspraak de nodige aanknopingspunten om jurisprudentie op te ontwikkelen.
Sneller Abdi
«Het tekortschietende Nederlandse wetsvoorstel implementatie anti-SLAPP-richtlijn», Birgit van Houtert, NJB 2025.
Coalition Against SLAPPs in Europe (CASE), 2025 Report «Democracy in the Dock», p. 20, via https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf
«Het tekortschietende Nederlandse wetsvoorstel implementatie anti-SLAPP-richtlijn», Birgit van Houtert, NJB 2025.
Coalition Against SLAPPs in Europe (CASE), 2025 Report «Democracy in the Dock», p. 20, via https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36731-9.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.