36 731 Wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ter implementatie van Richtlijn (EU) 2024/1069 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie»)

Nr. 7 AMENDEMENT VAN DE LEDEN SNELLER EN ABDI

Ontvangen 23 juni 2026

De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:

Na artikel I, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:

Aa

In het eerste boek, tweede titel, wordt aan de tiende afdeling een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 7. Vroegtijdig afwijzen

Artikel 224b

  • 1. In een geding als bedoeld in artikel 6 van de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») kan de rechter, op verzoek van de gedaagde of ambtshalve, in een zo vroeg mogelijk stadium van de procedure de vordering afwijzen, na passend onderzoek.

  • 2. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid wordt zo spoedig mogelijk behandeld.

  • 3. Partijen worden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord, voor zover dit voor het passende onderzoek, bedoeld in het eerste lid, noodzakelijk is.

  • 4. Het eerste tot en met derde lid is van overeenkomstige toepassing op zaken zonder grensoverschrijdende gevolgen als bedoeld in artikel 5 van de richtlijn, genoemd in het eerste lid.

Toelichting

De bestaande mogelijkheden binnen het Nederlandse procesrecht bieden onvoldoende bescherming tegen «strategic lawsuits against public participation» (SLAPPs). De anti-SLAPP-richtlijn schrijft voor dat lidstaten een effectief mechanisme moeten invoeren waarmee kennelijk ongegronde vorderingen (manifestly unfounded proceedings) in een zo vroeg mogelijk stadium kunnen worden afgedaan, na passend onderzoek door de rechter (artikel 6, eerste lid, sub b en artikel 11 van de Richtlijn (EU) 2024/1069 van het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2024 betreffende bescherming van bij publieke participatie betrokken personen tegen kennelijk ongegronde vorderingen of misbruik van procesrecht («strategische rechtszaken tegen publieke participatie») (hierna: de richtlijn). Daarbij geldt dat in het kader van het passend onderzoek, de rechter partijen in ieder geval in de gelegenheid stelt te worden gehoord indien dit noodzakelijk is. Daarnaast willen indieners met dit amendement zorgen dat deze waarborg ook beschikbaar wordt voor SLAPP-zaken die misbruik van procesrecht maken (abusive proceedings).

Hoewel de regering stelt dat het huidige instrumentarium – zoals misbruik van procesbevoegdheid (artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW)), het belang vereist (artikel 3:303 van het BW) of het aanhangig maken van incidenten – volstaat, blijkt uit zowel de praktijk als de juridische analyse dat deze voorzieningen de waarborgen van de richtlijn niet kunnen vervangen.1 2 3 4 5 Zo hanteren rechters bij artikel 3:303 BW een terughoudende toetsing en wordt in beginsel aangenomen dat de eiser belang heeft, terwijl de bewijslast om dit te weerleggen bij het SLAPP-doelwit ligt. Ook bij een beroep op artikel 3:13 van het BW rust de bewijslast op het doelwit, dat dan moet aantonen dat de eiser de vordering heeft ingesteld met de intentie om publieke participatie te beperken.

Daarmee stroken deze bestaande rechtsmiddelen niet met de systematiek van de richtlijn, die juist voorschrijft dat de eiser moet aantonen dat de vordering (in ieder geval) niet kennelijk ongegrond is of dat de eiser geen misbruik maakt van procesrecht. Ook een beroep op kort geding of voorlopige voorzieningen biedt geen effectieve oplossing: deze procedures verhogen de kosten en beëindigen de hoofdzaak niet, ook omdat uitspraken in de bodemprocedure (in dit geval het SLAPP-proces) voorrang hebben op uitspraken in het kort geding (artikel 257 van het Wetboek van Burgerlijk Rechtsvordering (Rv) – De beslissingen bij voorraad brengen geen nadeel toe aan de zaak ten principale).

Ook blijkt uit recente jurisprudentie6 dat in de toepassing van de richtlijn rechters de lezing van de regering, uiteengezet in de memorie van toelichting, alsmede die van de adviescommissie burgerlijk procesrecht, niet delen wat betreft het al volstaan van het geldend recht. Dat blijkt bijvoorbeeld uit Greenpeace vs. Energy Transfer, uitspraak op datum 03-06-2026. In de uitspraak concludeert de rechtbank: «de SLAPP Richtlijn in deze zaak geen toepassing kan vinden en ook niet via richtlijnconforme interpretatie een rol kan spelen, terwijl evenmin kan worden aangenomen dat artikel 17 van de SLAPP Richtlijn al geldend recht is in Nederland». De uitspraak is, als een van de eerste procedures waarin expliciet een beroep gedaan is op een artikel uit de richtlijn, een duidelijk signaal dat de lezing dat het geldende recht volstaat, niet klopt. Het is, gezien de analoge redenering met betrekking tot de andere onderdelen (zoals vroegtijdige afwijzing) uit de memorie van toelichting, aannemelijk dat een vergelijkbare redenering zal volgen met betrekking tot de andere onderdelen van de richtlijn, hetgeen zorgen oproept over toekomstige procedures en een eventuele toekomstige beoordeling in Luxemburg.

Voorts betreffen verreweg de meeste SLAPP-procedures of dreigementen die nu al spelen in Nederland, nationale kwesties. Dit is in heel Europa het geval (volgens data van CASE is slechts 8.5% van de zaken grensoverschrijdend).7 De Europese Commissie en de Raad van Europa moedigen, zoals het kabinet onderschrijft in de MvT, lidstaten daarom aan om SLAPP-waarborgen ook op puur nationale casussen van toepassing te laten zijn. In navolging daarvan hebben onder andere Frankrijk, België, en Polen in de implementatiewetten gekozen voor nationale toepassing van SLAPP-waarborgen. Zonder nationale toepassing dreigen de nieuwe waarborgen niet alleen doel te missen, maar kan er ook een ongelijke rechtspositie ontstaan bij gelijke gevallen (waarbij het enige verschil het grensoverschrijdende karakter is). Dat staat op gespannen voet met het gelijkheidsbeginsel. Bovendien ontstaat, nu meerdere Europese (buur)landen wél voor nationale toepassing kiezen, het risico dat Nederland een extra aantrekkelijke jurisdictie wordt voor partijen die SLAPP-zaken initiëren. Tot slot duidt recente rechtspraak er niet op dat, zoals het kabinet veronderstelt, het geldende recht ook in nationale gevallen tot toepassing van de waarborgen uit de richtlijn kan leiden. Zo stelde de rechter recent in een zaak waarin beroep werd gedaan op richtlijnconforme interpretatie8: De richtlijn is nog niet (voldoende) omgezet in Nederlandse wetgeving en is bovendien alleen van toepassing op burgerlijke of handelszaken met grensoverschrijdende gevolgen. Niet gesteld of gebleken is dat deze zaak grensoverschrijdende gevolgen heeft.

Daarnaast bepaalt de richtlijn dat lidstaten kunnen voorzien in ambtshalve vroegtijdige afwijzing (artikel 6, tweede lid). De memorie van toelichting verwijst hiervoor naar artikel 20 van het Rv, maar dit artikel ziet enkel op onredelijke vertraging en voorziet niet in een toegespitste wettelijke basis voor de ambtshalve toetsing van SLAPP-vorderingen Dit amendement voorziet daarmee in een oplossing van de tekortkomingen in het wetsvoorstel op het gebied van de vroegtijdige afwijzing: de behandeling vindt zo spoedig mogelijk plaats (tegen onnodige procesdruk voor SLAPP-doelwitten), en de rechter kan de vordering ook ambtshalve afwijzen (conform artikel 6, tweede lid, van de richtlijn). Het voorgestelde artikel 224b van het Rv wordt toegevoegd aan de tweede titel van het eerste boek van het Rv, waarmee die bepaling in beginsel is opgenomen voor de dagvaardingsprocedure. Van een SLAPP kan echter ook sprake zijn in een verzoekschriftprocedure. Ten aanzien van het eveneens alleen voor de dagvaardingsprocedure geschreven artikel 224 van het Rv heeft de Hoge Raad beslist dat dit van overeenkomstige toepassing is op een op geschilbeslechting gerichte verzoekschriftprocedure. Het in dit artikel bepaalde is eveneens van overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure bedoeld in de derde titel en de vierde afdeling van de zevende titel (van het eerste boek), tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet.

Sneller Abdi


X Noot
1

Rb. Rotterdam, 20 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7218.

X Noot
2

Hof ‘s Gravenshage, 21 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3772.

X Noot
3

Rb. ‘s Gravenshage, 14 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6583.

X Noot
4

Hof Den Haag, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:30.

X Noot
5

Hoge Raad, 5 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY1532.

X Noot
6

Rb. Amsterdam 3 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5461.

X Noot
7

Coalition Against SLAPPs in Europe (CASE), 2025 Report «Democracy in the Dock», p. 20, via https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf.

X Noot
8

Rb. Gelderland 1 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7700.


X Noot
1

Rb. Rotterdam, 20 september 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:7218.

X Noot
2

Hof ‘s Gravenshage, 21 juli 2009, ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ3772.

X Noot
3

Rb. ‘s Gravenshage, 14 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM6583.

X Noot
4

Hof Den Haag, 23 januari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:30.

X Noot
5

Hoge Raad, 5 oktober 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BY1532.

X Noot
6

Rb. Amsterdam 3 juni 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:5461.

X Noot
7

Coalition Against SLAPPs in Europe (CASE), 2025 Report «Democracy in the Dock», p. 20, via https://www.the-case.eu/wp-content/uploads/2026/01/CASE-2025-Report-layoutted-vf.pdf.

X Noot
8

Rb. Gelderland 1 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:7700.

Naar boven