36 725 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)

N BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 3 juli 2026

Met deze brief informeer ik uw Kamer over het onderzoek met apen1. In deze brief licht ik toe op welke manier ik uitvoering geef aan het amendement Kostić c.s.2 en het amendement Rajkowski3. Daarmee ga ik in op de toekomst van het onderzoek met apen in Nederland, specifiek bij het Biomedical Primate Research Centre (BPRC) en wat ik de komende periode extra doe om de transitie te versnellen naar proefdiervrij onderzoek. Het doel van het kabinet blijft om het aantal dierproeven – zo snel als verantwoord is – af te bouwen en om het onderzoek naar proefdiervrij onderzoek en de ontwikkeling voor alternatieven voor dierproeven te stimuleren. Deze brief verstuur ik mede namens de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.

Onderzoek met apen

Het liefst had ik u gemeld dat we het onderzoek met apen niet meer nodig hebben. De realiteit is echter dat we nog niet zonder kunnen. We zitten in een transitie van medisch noodzakelijk onderzoek dat vroeger alleen met dierproeven kon, naar onderzoek dat in de toekomst zoveel mogelijk of zelfs uitsluitend met proefdiervrije alternatieven wordt gedaan. En ondanks dat er heel veel is ingezet op die alternatieven, zijn we er nog niet. Een dergelijke transitie duurt lang en vraagt inzet en volharding.

Dat neemt niet weg dat het goed is om de maatschappelijke en politieke discussie over apenonderzoek te (blijven) voeren. Het kader dat ik voor het onderzoek met apen hanteer, en dat ook vanuit de Tweede Kamer is meegegeven, is dat we zo snel als mogelijk en op een veilige manier het onderzoek met apen afbouwen, maar dat dit alleen kan als dit geen gevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen.4 Voor de komende jaren zorg ik voor het behoud van noodzakelijk onderzoek met apen en bijbehorende infrastructuur, en voor een impuls aan het proefdiervrije onderzoek en de ontwikkeling voor alternatieven voor apenproeven.

Essentiële infrastructuur

In het kabinetsstandpunt van 11 april 2025 is de relevantie en het belang van het onderzoek met apen aangegeven, op basis van het rapport van een onafhankelijke commissie.5 Het kabinet is er door de recente geopolitieke ontwikkelingen nog meer van doordrongen dat een eigen faciliteit met onderzoekscapaciteit van groot belang is voor het behoud van de strategische Europese autonomie; zowel met infrastructurele capaciteit als met kundige onderzoekers.

Door de specifieke overeenkomsten in anatomie, fysiologie, genetica, immunologie, ziekte-specifieke pathologie of gedrag tussen apen en mensen, kunnen bepaalde menselijke ziekten goed in apen worden onderzocht. Dit mag enkel en alleen na een zorgvuldige afweging. De speciale morele positie van apen (vanwege de nauwe verwantschap met de mens) heeft tot gevolg dat er een zware bewijslast is om aan te geven dat en waarom onderzoek met apen in een specifiek geval nodig is. Onderzoek met apen dient tevens gericht te zijn op gezondheidsondermijnende of mogelijk levensbedreigende aandoeningen en is alleen toegestaan als het onderzoek niet met een andere diersoort kan worden uitgevoerd.6 In 2024 werd in Nederland 0,04% van het totaal aantal dierproeven op apen uitgevoerd. Onderzoek met apen is voorlopig essentieel voor infectieziekten zoals Covid-19, tuberculose, malaria en HIV, dengue en het West Nile virus en naar hersenaandoeningen zoals Alzheimer en Parkinson. Ook worden apen gebruikt bij het ontwikkelen en reguleren van geneesmiddelen, omdat ze op een aantal kritische momenten in het ontwikkelingsproces van geneesmiddelen vooralsnog onmisbaar worden geacht door experts en regulatoire instanties.

Met het BRPC hebben we in Nederland een toonaangevende onderzoeksfaciliteit, die hoogwaardige expertise levert voor fundamenteel en preklinisch biomedisch onderzoek. In de Europese Unie is er naast het BPRC, maar één ander wetenschappelijk primatencentrum in Duitsland dat haar eigen fokkolonie onderhoudt. Hiermee neemt het BPRC binnen de EU een unieke positie in het wetenschaps- en innovatielandschap in life sciences en biotechnologie in. Het BPRC kan met hun specialistische kennis en capaciteiten een rol spelen op het gebied van gezondheidsinnovatie en daarmee bijdragen aan onze strategische relevantie. Voor het onderzoek met apen willen we namelijk als Europa en Nederland onafhankelijk zijn en blijven van andere machtsblokken. Het niet meer kunnen uitvoeren van onderzoek met apen vergroot de afhankelijkheid van derde landen, onder andere bij geneesmiddelenontwikkeling, omdat dit type onderzoek volgens de internationale richtlijnen wel vereist is voor toelating van geneesmiddelen op de markt. In derde landen is er minder goed zicht op de kwaliteit van studies en op het dierenwelzijn. Dit betekent niet per se dat dit onderzoek slecht wordt uitgevoerd, maar wel dat er meer onzekerheid is bij de vervolgbeoordeling van nieuwe geneesmiddelen. Het is van belang dat Nederlandse onderzoekers en bedrijven een bijdrage (kunnen) blijven leveren aan gezondheidsonderzoek en biotechnologische innovatie, en de beschikking houden over een toonaangevende faciliteit.

Internationaal gezien loopt het BPRC voorop op het gebied van dierenwelzijn. Het beheer van de fokkolonie gaat gepaard met huisvesting en verzorging volgens de hoogste dierenwelzijnsstandaarden.7 Het hoogste dierenwelzijn zijn wij niet alleen verplicht tegenover de apen, het verhoogt ook de kwaliteit van het onderzoek. Naar aanleiding van het KNAW-advies «Gebruik van niet-humane primaten als proefdier. Nut en noodzaak?» uit 2014, is met Nederlandse onderzoeksinstellingen reeds overeengekomen dat onderzoek met apen bij voorkeur in het BPRC of met dieren afkomstig van het BPRC wordt uitgevoerd en er geen gebruik wordt gemaakt van apen uit de handel.

Amendementen over de instellingssubsidie aan het BPRC

Op 3 juli 2025 heeft de Tweede Kamer het amendement Kostić c.s.8 aangenomen en op 24 maart 2026 het amendement Rajkowski9. Waar het eerste amendement de regering vroeg om stapsgewijs een toenemend deel van de subsidie aan het BPRC te oormerken voor proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling voor alternatieven voor dierproeven, totdat in 2030 de gehele subsidie hiervoor zou zijn geoormerkt, heeft het tweede amendement het oplopende oormerk weer teruggedraaid. Dit betekent dat onderzoeksfinanciering aan het BPRC opnieuw kan worden ingezet op basis van wetenschappelijke noodzaak en beschikbaarheid van volwaardige alternatieven.

Voorlopig behoud, inzet op meer alternatieven en samenwerking

In de brief van 11 april 2025 heeft het kabinet gekozen voor het behoud van het aantal proeven op apen voor de komende vijf jaar, waarbij het doel van het kabinet blijft om het aantal dierproeven – zo snel als verantwoord kan – af te bouwen. Zoals is toegezegd aan uw Kamer heb ik mij door diverse partijen breed laten informeren. Men is het erover eens dat de transitie gebaat is bij een blijvende inzet op de ontwikkeling en validatie van proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden. Ook is duidelijk dat de samenwerking tussen onderzoekers die vooral met apen werken en zij die vooral met proefdiervrije alternatieven werken verder moet worden versterkt, omdat dit de kwaliteit van het onderzoek verbetert en de transitie versnelt.

Tegelijkertijd constateer ik dat de op dit moment beschikbare proefdiervrije onderzoeksmethoden vooralsnog geen toereikend antwoord zijn voor het onderzoek dat nu met apen wordt gedaan en dat, ondanks de snelle ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven, het onderzoek met apen de komende jaren nog noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen. De commissie heeft aangegeven dat bij vermindering van het onderzoek met apen de afhankelijkheid van andere landen voor dit type onderzoek groter wordt.10 In het kader van strategische relevantie vind ik het van belang dat het BPRC als toonaangevende onderzoeksfaciliteit een bijdrage blijft leveren aan de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen en daarnaast internationaal voorop blijft lopen op het gebied van dierenwelzijn. Ik zie mijzelf dan ook genoodzaakt om te kiezen voor voorlopig behoud van apen-onderzoek in Nederland. Dat betekent dat het BPRC gehouden is aan een maximum van 120–150 proeven per jaar. Ik wil echter blijven zoeken naar manieren om het apenonderzoek zo snel mogelijk als verantwoord af te bouwen. Ik heb daarbij de volgende maatregelen voor ogen.

Allereerst heb ik met het BPRC afgesproken dat het een impuls gaat geven aan het proefdiervrije onderzoek en de ontwikkeling voor alternatieven voor apenproeven, conform de motie Teunissen c.s.11 Het BPRC heeft de ambitie uitgesproken een leidende rol te willen nemen in de ontwikkeling en validatie van relevante new approach methodologies (NAMs)12. Het BPRC gaat daarom een oplopend deel van de instellingssubsidie hieraan besteden, van 17% nu naar 30% in 2030. Op de route van het ontwikkelen en valideren van new approach methodologies (NAMs) zijn het aapmodel en apen-NAMs namelijk onmisbaar, en is het uitwisselen van kennis en onderzoeksdata tussen onderzoekers die werken met apen en zij die werken aan NAMs van groot belang. In lijn hiermee gaat het BPRC actief de samenwerking opzoeken met partijen die werken aan proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden en de ontwikkeling voor alternatieven voor dierproeven, zoals Ombion. Ombion is het centrum voor proefdiervrije biomedische translatie, waar met een investering van € 124,5 miljoen uit het Nationaal Groeifonds wordt ingezet op het ontwikkelen, valideren en vermarkten van proefdiervrije technieken voor geneesmiddelenontwikkeling.

Ten tweede wil ik inzetten op meer samenwerking in Europa. Ik wil daarbij voortbouwen op de toezegging van mijn ambtsvoorganger om in Europa in gesprek te gaan over betere samenwerking waaronder het delen van onderzoeksdata uit onderzoek met apen, specialisatie/profilering van de verschillende primatencentra en het stimuleren van de wisselwerking tussen proefdiervrije onderzoeksmodellen en proefdieronderzoek. Samenwerking draagt ook bij aan een gecoördineerde inzet bij een toekomstige pandemie. Ik ben gestart met een verkenning in hoeverre het mogelijk is om tot verdere samenwerking te komen van Europese primatencentra. Eind 2026 zal ik de uitkomsten van de verkenning met de Tweede Kamer delen. In het verlengde van deze Europese verkenning heeft het BPRC op 26 en 27 mei PrimeMeet Europe georganiseerd. Op deze conferentie waren vertegenwoordigers van Europese primatencentra,13 onderzoekers, beleidsmakers en bestuurders die betrokken zijn bij onderzoek met apen aanwezig. Zij hebben afgesproken om intensiever samen te werken op het gebied van onderzoek, kennisuitwisseling, dierenwelzijn en infrastructuur. Ik zal in mijn rol als financier het BPRC stimuleren om te blijven zoeken naar samenwerking en daarbij over de institutionele belangen heen te zoeken naar de bundeling van activiteiten en kennis. Ik zal het BPRC vragen om hierover concrete acties op te nemen in zijn ambitieplan 2027–2030.

Ten derde heb ik met mijn ambtsgenoot van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) afgesproken dat zij aan het agentschap College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (aCBG) gaat vragen om expertise beschikbaar te stellen voor het reduceren van het aantal proefdieren (waaronder apen), het ontwikkelen van proefdiervrije alternatieven en de implementatie daarvan in de praktijk. Het aCBG draagt zo actief bij aan de validatie en acceptatie van NAMs voor de beoordeling van geneesmiddelen. Voor datzelfde doel wordt door het aCBG ook samengewerkt met het Europees Medicijn Agentschap (EMA) bij een beleidstraject binnen het European Research Are-voorstel waarmee het innovatiebeleid rondom proefdiervrije innovaties tussen EU-lidstaten en de Europese Commissie gestroomlijnd gaat worden. Recent is tevens de Roadmap for phasing out animal testing for safety assessments door de Europese Commissie gepubliceerd. De kabinetsappreciatie van deze roadmap zal binnenkort met de Tweede Kamer gedeeld worden.

Ook wil ik, in lijn met de brief van 11 april 2025, in 2030 een nieuw onafhankelijk onderzoek doen naar de mogelijkheid om het aantal proeven op apen verder te verlagen, zonder dat dit gevolgen heeft voor het onderzoek dat strikt noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen.

Tot slot

Met deze brief geef ik invulling aan de wensen van de Tweede Kamer verwoord in de verschillende moties en amendementen en erken ik tevens het belang van het behoud van het onderzoek met apen dat noodzakelijk is voor de bestrijding van levensbedreigende ziekten en uitbraken van infectieziekten die de volksgezondheid bedreigen. Het doel van het kabinet blijft om het aantal dierproeven – zo snel als verantwoord is – af te bouwen en om het onderzoek naar proefdiervrij onderzoek en de ontwikkeling voor alternatieven voor dierproeven te stimuleren. Met de gekozen route kan het BPRC zich ontwikkelen tot een belangrijke speler op het gebied van proefdiervrije onderzoeks- en testmethoden, en zorgt er gelijktijdig voor dat het noodzakelijke onderzoek met apen doorgang kan vinden en de hoge dierenwelzijnsstandaard gehandhaafd blijft. De afspraken met het BPRC komen terug in het ambitieplan 2027–2030 dat het BPRC momenteel aan het opstellen is. Het ambitieplan stuur ik begin 2027 aan de Eerste en Tweede Kamer toe.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, R.M. Letschert


X Noot
1

Met «apen» worden niet-humane primaten (NHP) bedoeld. Vanwege de leesbaarheid wordt in de tekst de term apen gebruikt.

X Noot
2

Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 VIII, nr. 11

X Noot
3

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 83

X Noot
4

In diverse moties, waaronder de motie Van Dekken/Heerma (32 336 Nr. 57), de motie Tielen (32 336, nr. 83), en de motie Wassenberg (36 200 VIII Nr. 113).

X Noot
5

Kamerstukken II, vergaderjaar 2024/2025, 32 336 VIII nr. 164

X Noot
6

Wet op de dierproeven, artikel 10e 2de lid

X Noot
7

Het voldoet aan de Europese welzijnsstandaarden en aan de richtlijnen van het Britse 3R Centre.

X Noot
8

Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 725 VIII, nr. 11

X Noot
9

Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 83

X Noot
10

Kamerstukken II, vergaderjaar 2024/2025, 32 336 VIII nr. 164

X Noot
11

TK, 2023/2024, 36 410 VIII, nr. 96.

X Noot
12

New Approach Methodology. NAMs zijn wetenschappelijke modellen, zoals organoids en organen-op-chips, die gebaseerd zijn op menselijke cellen, computermodellen en/of kunstmatige intelligentie.

X Noot
13

Met en zonder eigen fokkolonie.

Naar boven