36 711 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Bankwet 1998 en enige andere wetten in verband met de goede werking van het chartale betalingsverkeer alsmede met een aanpassing van het toepassingsbereik van het bonusplafond (Wet chartaal betalingsverkeer en aanpassing van het toepassingsbereik van het bonusplafond)

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR FINANCIËN1

Vastgesteld 3 maart 2026

Het voorliggende wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben enkele vragen.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden delen het uitgangspunt van de regering dat chartaal geld beschikbaar, bereikbaar en betaalbaar moet blijven. Het wetsvoorstel geeft aanleiding tot het stellen van enkele vragen.

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog enkele vragen.

De leden van de BBB-fractie hebben het wetsvoorstel en de bijbehorende stukken met belangstelling gelezen. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden nog enkele vragen, met name gericht op amendement 27.2

Hoofdlijnen van het wetsvoorstel

Doel en noodzaak van wettelijke borging

In tijden van rampen en geopolitieke onrust vormt de chartale basisinfrastructuur een belangrijke terugvaloptie. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af of geduid kan worden in welke mate het wetsvoorstel is benaderd vanuit een maatschappelijk weerbaarheidsperspectief en hoe rekening wordt gehouden met rampen/verstoringen?

Marktordening en mededing

De leden van de VVD-fractie vragen zich af welke instrumenten de regering heeft om een eerlijke concurrentie en continuïteit in de geldtransportmarkt te borgen. Welke ontwikkelingen voorziet de regering in de markt? Welke risico’s signaleert de regering bij mogelijke beperking van de mededinging?

Voorts heeft het Adviescollege toetsing regeldruk in haar brief van 28 februari 2024 geadviseerd de regeldrukgevolgen van de verschillende opties in beeld te brengen en expliciet mee te wegen in de keuze voor de marktordening en financiering van de toekomstige chartale infrastructuur.3 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af of dit advies is meegenomen in de verdere uitwerking van het wetsvoorstel. Zo ja, op welke wijze?

Reikwijdte van de verplichtingen

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben een vraag over de opmars van (internationale) digitale banken, waarvan sommige al meer dan 50.000 rekeninghouders tellen. Hoe is de positie van digitale banken in dit wetsvoorstel geregeld met het oog op de verplichtingen tot het bieden van een chartale basisinfrastructuur? Dienen zij aan dezelfde eisen te voldoen als traditionele banken?

Terecht stelt de regering dat contant geld een belangrijke terugvaloptie is en een bijdrage levert aan een toegankelijk betalingsverkeer voor iedereen, zo stellen de leden van de VVD-fractie. Het storten van contant geld wordt dan ook beschouwd als een bancaire basisdienst. De stortverplichting zorgt ervoor dat een bredere groep rekeninghouders toegang heeft tot deze bancaire basisdienst.4 Welke uitvoeringsgevolgen voorziet de regering door invoeging van het criterium «balanstotaal van ten minste 50 miljard euro»?5 Is de door de regering beoogde balans tussen goede chartale dienstverlening en de bedrijfsmatige en financiële gevolgen voor de «kleinste banken» nog wel aanwezig? Hoeveel banken zijn op dit moment feitelijk nog in beeld met inachtneming van de criteria uit genoemd artikel?

Financiële gevolgen

Het aanbieden van chartale diensten gaat gepaard met structurele kosten voor banken en ondernemers.6 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen zich af op welke wijze het wetsvoorstel de betaalbaarheid borgt van het onderhoud van deze chartale basisinfrastructuur.

Amendement nultarief voor opnemen en storten van geld voor particulieren, kerkgenootschappen en stichtingen en verenigingen met ANBI-status7

De leden van de VVD-fractie willen graag weten welke uitvoeringsgevolgen de regering voorziet bij de uitvoering artikel 3:267m, lid 2, als gevolg van het aangenomen amendement Flach c.s.8

Amendement wettelijk recht op een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten9

De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen over het aangenomen amendement, dat een wettelijk recht op een basisbetaalrekening voor zakelijke klanten introduceert. De indieners motiveren dit amendement door onder andere te benoemen dat organisaties op uiteenlopende redenen geen bankrekening kunnen openen of houden.10 Kan de regering kwantificeren hoe groot dit probleem is? Kan de regering ook haar overige inzichten over deze problematiek delen? Welke uitvoeringsgevolgen voorziet de regering als gevolg van het aangenomen amendement voor onder andere de banken, De Nederlandsche Bank (DNB) als toezichthouder, en de rechtspraak? Hoe borgt de regering dat een wettelijk recht op een zakelijke betaalrekening niet botst met de verplichting van banken om klanten te weigeren op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)?11 Hoe verhoudt dit wettelijke recht zich tot het know your customer-beginsel?12

Ook de leden van de BBB-fractie hebben enkele vragen aangaande dit amendement. De kern van deze vragen betreft de werking van het amendement in het kader van zorgvuldige wetgeving en zorgvuldige dienstverlening door banken. Alhoewel het amendement een summiere toevoeging in de wet bewerkstelligde, heeft dit amendement volgens deze leden vergaande consequenties. Het verplicht de banken tot het aanbieden van een basisbetaalrekening aan, naast consumenten, ook aan ondernemingen, verenigingen en stichtingen.13 In het debat is het amendement ontraden.14 De leden van de BBB-fractie vragen zich af in hoeverre de regering mogelijkheden ziet om uitkomsten van het convenant via bijvoorbeeld een AMvB alsnog op een later moment op de wet van toepassing te laten zijn.

Als een bank een aanvraag voor een zakelijke basisbetaalrekening weigert, dan wel een lopende basisbetaalrekening beëindigt, dan zal dit alleen slagen als de bank kan onderbouwen dat de weigering respectievelijk beëindiging valt onder één van de in het wetsvoorstel genoemde weigeringsgronden.15 De leden van de BBB-fractie vragen zich in dit kader af of een weigering tot het verstrekken of het beëindigen van een lopende zakelijke basisbetaalrekening vanwege (a) een te hoog witwas- of terrorismefinancieringsrisico, dan wel (b) het niet kunnen voldoen aan de Wwft-eisen van het klantonderzoek omdat de aanvrager geen of onvoldoende medewerking verleent, valt onder één van de in het wetsvoorstel genoemde gronden.

Als weigeringsgrond in het amendement wordt onder meer de Wwft genoemd.16 De leden van de fractie BBB vragen zich af of andere gronden ook als weigeringsgrond aangemerkt kunnen worden, zoals:

  • De verplichting die de Wft aan banken oplegt om de integriteit van de financiële instelling/stelsel te «waarborgen», hetgeen breder is dan enkel witwassen en terrorisme financieren17;

  • Sanctieregelgeving uit hoofde van Europese/VN wet- en regelgeving;

  • De verplichtingen vanuit sanctiewet- en regelgeving uit hoofde van de Amerikaanse OFAC en/of de Britse sanctieregels;

  • De rapportage- en renseigneringsverplichtingen op grond van de Wft en AWR, in relatie tot ZZP’ers en eenmanszaken.18

  • Eventuele moreel-ethische bezwaren van banken tegenover bepaalde klanten? Denk aan het voorbeeld van Funcaps (research chemicals).19

  • De contractsvrijheid ten aanzien van het stellen van voorwaarden door de bank? Denk bijvoorbeeld aan het niet toestaan van particulier gebruik van een zakelijke rekening?20

  • De verplichtingen uit hoofde van de algemene voorwaarden die van toepassing zijn op het openen en aanhouden van de rekening.21

Verder hebben de leden van de BBB-fractie ook nog enkele vragen over specifieke casuïstiek. Hoe dient om te worden gegaan met bijvoorbeeld failliete rechtspersonen? Dienen deze ook een recht op een basisbetaalrekening te krijgen? Daarnaast, hoe werkt een situatie waarin een rechtspersoon onjuiste informatie heeft opgegeven, de bank de overeenkomst vervolgens mag weigeren en er door dezelfde aandeelhouders en bestuurders opnieuw een rechtspersoon wordt opgericht met hetzelfde doel? Heeft deze nieuwe rechtspersoon dan nog recht op een basisbetaalrekening bij dezelfde bank? Tot slot, hoe dient de weigeringsgrond van aanvragers die minder dan acht jaar geleden veroordeeld zijn voor een misdrijf, te worden uitgelegd voor zakelijke aanvragers?22 En hoe moet in dit verband «aanvrager» gedefinieerd worden: bestuurders, vennoten en/of de UBO’s?

De aanvrager bepaalt bij welke bank hij een aanvraag indient. Dat kan (onbedoeld) leiden tot een concentratie van aanvragen bij één bank en wordt er geen rekening gehouden met het marktaandeel van de banken en het acceptatiebeleid van de banken. Dit kan dus resulteren in onlogische keuzes: een oliehandelaar kan een basisbetaalrekening afdwingen bij een duurzame bank. De leden van de fractie BBB verzoeken de regering te reflecteren op deze stelling.

Hoe verhoudt de verplichting om een zakelijke basisbetaalrekening aan te bieden zich tot het uitgangspunt dat een bank op grond van Wwft-risico’s bepaalde diensten – zoals het afstorten van contant geld – juist mag weigeren? Het aanbieden van een zakelijke rekening brengt immers met zich mee dat de mogelijkheid tot contante stortingen moet worden geboden, terwijl het niet aanbieden van die dienst in de praktijk juist kan dienen als een belangrijke maatregel ter beperking van Wwft-risico’s. De leden van de BBB-fractie willen graag weten of het binnen dit amendement mogelijk is om onaanvaardbare of onbeheersbare witwas- of terrorismefinancieringsrisico’s te mitigeren door bepaalde faciliteiten van de basisbetaalrekening te beperken en verzoeken de regering hierop te reflecteren.

Amendement toepassingsbereik van het bonusplafond23

De leden van de fractie GroenLinks-PvdA hebben een aantal vragen over het amendement toepassingsbereik van het bonusplafond24 Via een amendement is het bonusplafond verzwakt. Een kernzin hierin is: «van natuurlijke personen werkzaam onder de verantwoordelijkheid van de onderneming wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden».25

De leden van de fractie GroenLinks-PvdA willen graag weten over welke werkzaamheden dat gaat.

Er wordt in de toelichting op het amendement ook geschreven: «Voor de definitie van een natuurlijk persoon werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een financiële onderneming waarvan de werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden wordt aangesloten bij artikel 92, derde lid, van de richtlijn kapitaalvereisten.»26 Kan de regering inhoudelijk definiëren wanneer iemands werkzaamheden het risicoprofiel wel of niet wezenlijk beïnvloedt? Is de beperking tot de categorieën bedoeld in artikel 92, derde lid, van Richtlijn 2013/36/EU (CRD) expliciet in de wettekst verankerd, of volgt deze uitsluitend uit de toelichting op het betreffende amendement?27 Indien de «doelgroepdefiniëring» uitsluitend uit de toelichting volgt: kan de regering voornoemde leden toelichten hoe dit juridisch doorwerkt? Is de in de toelichting genoemde definitie bepalend of kan de toezichthouder zelf een andere, eventueel ruimere invulling geven aan de volgens deze leden schijnbaar open norm van «wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden»? Hoe voorkomt de regering dat deze uitzondering de maas in de wet wordt waardoor nog slechts een zeer kleine groep onder het bonusplafond valt waardoor het niet meer zijn beoogde werking heeft op het nemen van onverantwoorde risico’s in de bancaire sector? Is het mogelijk dat een medewerker, een natuurlijk persoon, voor een bepaald deel van zijn werk wél een bonus mag ontvangen conform deze wet en voor een ander deel niet?

Het toepassingsbereik van het bonusplafond lijkt volgens deze leden dermate ingeperkt te worden dat nog slechts een zeer klein deel van bancaire organisaties hieronder valt. Daarom hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog een aantal vragen over de reikwijdte:

  • Kan ook individuele handelsbevoegdheid zonder leidinggevende rol risicobepalend zijn?

  • Worden senior medewerkers, zoals traders en specialisten e.d., zonder formele leidinggevende titel, maar met materiële beslissingsmacht over risicovolle producten of modellen, voldoende afgedekt door deze definitie?

  • Is de drempel van € 500.000 in de Nederlandse context niet zodanig hoog dat categorie c in de praktijk nauwelijks toepassing zal vinden?28

  • Is het criterium dat de beloning minimaal gelijk moet zijn aan het gemiddelde van bestuur/directie niet zodanig beperkend dat slechts uitzonderlijke gevallen hieronder vallen?

  • Hoe wordt «essentiële bedrijfseenheid» gedefinieerd, kan dat wel op een eenduidige en heldere wijze, en kunnen risicovolle activiteiten buiten deze formele eenheden hierdoor buiten beeld blijven?29

  • Bepaalt de financiële instelling in eerste aanleg of een medewerkers onder het criterium «aanzienlijke impact op het risicoprofiel» valt of bepaalt de toezichthouder dat in eerste aanleg? Indien het eerste, is de handelwijze van de financiële instelling voldoende objectief en toetsbaar, of laat het ruimte voor een te smalle interpretatie door instellingen zelf?

  • De leden van de fractie GroenLinks-PvdA hebben de indruk dat sleutelfiguren uit recente historische bancaire schandalen niet onder het aangepaste bonusplafond zouden vallen. Hoe beoordeelt de regering dit, aan de hand van redelijke aannames, voor de bekende casussen Nick Leeson, Jérôme Kerviel, Kweku Adoboli, Bruno Iksil (uiteraard indien de betreffende banken in Nederland gevestigd zouden zijn geweest)?30

De leden van de BBB-fractie hebben ook nog enkele vragen over het amendement aangaande het toepassingsbereik van het bonusplafond.31 In de wettekst wordt door het amendement op verschillende plekken de volgende toevoeging gedaan: «wier werkzaamheden het risicoprofiel van de onderneming wezenlijk beïnvloeden».32 Daarmee wordt het toepassingsbereik beperkt, waardoor het bonusplafond voor een bredere groep medewerkers feitelijk wordt afgezwakt. Kan de regering duiden hoe zij de naleving van deze wet gaat handhaven? Welke definitie wordt gehangen aan wezenlijk beïnvloeden? Waar ligt de grens hier en voor welke functies kan men aannemen dat zij het risicoprofiel wezenlijk beïnvloeden? Op welk niveau van de onderneming wordt dit beschouwd? Zijn er specifieke omgevingen binnen deze financiële instellingen waar de «lat voor wezenlijk beïnvloeden» anders ligt dan in andere afdelingen? Tot slot, welke bewijsvoering wordt van financiële instellingen verwacht om aan deze aangepaste duiding te voldoen?

Graag stellen de leden van de fractie GroenLinks-PvdA via de regering ook een aantal vragen aan toezichthoudende instanties DNB en AFM die beide een rol hebben in het toezicht op het bonusplafond:

  • Hoe beoordelen de toezichthouders de handhaafbaarheid van de aanpassingen op het bonusplafond?

  • Is het voor de toezichthouders uitvoerbaar om op een heldere en eenduidige wijze per medewerker te bepalen of deze na deze wetswijziging nog onder het bonusplafonds zou vallen?

  • Hoe beoordelen de toezichthouderers het effect op de risico’s van de bankensector? Is voldoende aannemelijk dat risicorollen afgedekt worden door de gehanteerde afbakening?

  • Kan de toezichthouder inzichtelijk maken welk percentage van bankmedewerkers door deze aanpassing straks niet meer onder het bonusplafond zullen vallen?

De leden van de vaste commissie voor Financiën zien de nota naar aanleiding van het verslag met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk vrijdag 3 april voor 17.00 uur.

De voorzitter van de vaste commissie voor Financiën, Van Ballekom

De griffier van de vaste commissie voor Financiën, Karthaus


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 711, nr. 27

X Noot
3

Advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) over het wetsvoorstel Wet chartaal betalingsverkeer, 28 februari 2024, ingekomen bij de regering. ATR-advies bevat een toetsing van nut en noodzaak, alternatieven, uitvoerbaarheid en regeldrukgevolgen van verschillende opties binnen het voorstel. Geraadpleegd via: Adviescollege toetsing regeldruk

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 2, (voorstel van wet), artikel 3:276l Wft, waarin het criterium «balanstotaal van ten minste 50 miljard euro» is opgenomen.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3, pag. 6–8 (toelichting op de kosten en instandhouding van de chartale infrastructuur)

X Noot
7

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 26

X Noot
8

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 26, pag. 2

X Noot
9

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 27 (Amendement van het lid Flach c.s.)

X Noot
10

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 27, pag. 2.

X Noot
11

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), art. 5

X Noot
12

Praktijkterm, behorend bij Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), art. 3

X Noot
13

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3, pag. 2

X Noot
14

Kamerstukken II, 2025/2026, nr. 30, item 9, pag. 45

X Noot
15

Wet op het financieel toezicht, art. 4:71f, tweede lid (weigeringsgronden).

X Noot
16

In de Wet op het financieel toezicht (Wft) staat als weigeringsgrond dat de bank moet weigeren indien zij bij het openen van de rekening niet kan voldoen aan wettelijke verplichtingen die op haar rusten. Daaronder valt ook de Wwft.

X Noot
17

Wet op het financieel toezicht (Wft), art. 3:10

X Noot
18

O.a. Algemene wet inzake rijksbelastingen, art. 53 en art. 53a.

X Noot
19

O.a. Rechtbank Amsterdam 9 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1545 (opzegging bankrelatie; overwegingen m.b.t. (o.a.) handel in research chemicals/risicobeleid)

X Noot
20

Bv. Nederlandse Vereniging van Banken, Algemene Bankvoorwaarden 2017, art. 35

X Noot
21

Zie Nederlandse Vereniging van Banken, Algemene Bankvoorwaarden 2017

X Noot
22

Wet op het financieel toezicht (Wft), artikel 4:71g, lid 2.c

X Noot
23

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
24

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
25

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 1 (IIIAa)

X Noot
26

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 3

X Noot
27

Richtlijn 2013/36/EU (PbEU 2013, L 176), art. 92, derde lid.

X Noot
28

Artikel 92, derde lid, CRD onderscheidt drie categorieën «identified staff». Categorie c betreft medewerkers die een totale beloning ontvangen gelijk aan of hoger dan € 500.000 én behoren tot de bestbetaalde medewerkers van de instelling, voor zover hun beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden.

X Noot
29

Essentiele bedrijfseenheid, zoals in: Richtlijn 2013/36/EU (PbEU 2013, L 176), art. 92, derde lid.

X Noot
30

Zoals onder meer op 27-2-2026 geraadpleegd op accountant.nl: KPMG: «Rogue traders bestrijd je niet met regels»

X Noot
31

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
32

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 1


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Bakker-Klein (CDA), Van Ballekom (VVD) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Hartog (Volt), Holterhues (ChristenUnie), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Kroon (BBB) (ondervoorzitter), Van der Linden (VVD), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Van den Oetelaar (FVD), Van Rooijen (50PLUS), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Van Strien (PVV), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II, 2025/2026, 36 711, nr. 27

X Noot
3

Advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) over het wetsvoorstel Wet chartaal betalingsverkeer, 28 februari 2024, ingekomen bij de regering. ATR-advies bevat een toetsing van nut en noodzaak, alternatieven, uitvoerbaarheid en regeldrukgevolgen van verschillende opties binnen het voorstel. Geraadpleegd via: Adviescollege toetsing regeldruk

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 2, (voorstel van wet), artikel 3:276l Wft, waarin het criterium «balanstotaal van ten minste 50 miljard euro» is opgenomen.

X Noot
6

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3, pag. 6–8 (toelichting op de kosten en instandhouding van de chartale infrastructuur)

X Noot
7

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 26

X Noot
8

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 26, pag. 2

X Noot
9

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 27 (Amendement van het lid Flach c.s.)

X Noot
10

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 27, pag. 2.

X Noot
11

Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), art. 5

X Noot
12

Praktijkterm, behorend bij Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), art. 3

X Noot
13

Kamerstukken II 2025/2026, 36 711, nr. 3, pag. 2

X Noot
14

Kamerstukken II, 2025/2026, nr. 30, item 9, pag. 45

X Noot
15

Wet op het financieel toezicht, art. 4:71f, tweede lid (weigeringsgronden).

X Noot
16

In de Wet op het financieel toezicht (Wft) staat als weigeringsgrond dat de bank moet weigeren indien zij bij het openen van de rekening niet kan voldoen aan wettelijke verplichtingen die op haar rusten. Daaronder valt ook de Wwft.

X Noot
17

Wet op het financieel toezicht (Wft), art. 3:10

X Noot
18

O.a. Algemene wet inzake rijksbelastingen, art. 53 en art. 53a.

X Noot
19

O.a. Rechtbank Amsterdam 9 april 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:1545 (opzegging bankrelatie; overwegingen m.b.t. (o.a.) handel in research chemicals/risicobeleid)

X Noot
20

Bv. Nederlandse Vereniging van Banken, Algemene Bankvoorwaarden 2017, art. 35

X Noot
21

Zie Nederlandse Vereniging van Banken, Algemene Bankvoorwaarden 2017

X Noot
22

Wet op het financieel toezicht (Wft), artikel 4:71g, lid 2.c

X Noot
23

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
24

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
25

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 1 (IIIAa)

X Noot
26

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 3

X Noot
27

Richtlijn 2013/36/EU (PbEU 2013, L 176), art. 92, derde lid.

X Noot
28

Artikel 92, derde lid, CRD onderscheidt drie categorieën «identified staff». Categorie c betreft medewerkers die een totale beloning ontvangen gelijk aan of hoger dan € 500.000 én behoren tot de bestbetaalde medewerkers van de instelling, voor zover hun beroepsactiviteiten het risicoprofiel van de instelling wezenlijk beïnvloeden.

X Noot
29

Essentiele bedrijfseenheid, zoals in: Richtlijn 2013/36/EU (PbEU 2013, L 176), art. 92, derde lid.

X Noot
30

Zoals onder meer op 27-2-2026 geraadpleegd op accountant.nl: KPMG: «Rogue traders bestrijd je niet met regels»

X Noot
31

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19

X Noot
32

Kamerstukken II, 2025/2026, 37 611, nr. 19, pag. 1

Naar boven