De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
Artikel I, onderdeel A, onder 3, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt «zesde tot achtste lid» vervangen door «zesde tot negende lid»
en wordt «twee leden» vervangen door «drie leden».
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
-
8. Indien een van de feiten, omschreven in het vierde en vijfde lid, wordt begaan met
een ander die de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt en hij die ander opzettelijk
daarvoor werft, wordt de op dat feit gestelde gevangenisstraf met een derde verhoogd.
II
In artikel I, onderdeel E, onder 2, wordt «zevende lid» vervangen door «achtste lid».
Toelichting
Minderjarigen worden steeds vaker geronseld voor klussen in het criminele circuit.
Zij zijn voor opdrachtgevers extra gewild doordat zij door het jeugdstrafrecht weer
snel op straat staan. Na het uitzitten van de straf, vaak maar een paar dagen tot
een paar weken, kunnen zij de criminele activiteiten weer gemakkelijk voortzetten,
in tegenstelling tot een meerderjarige dader.
Om het ronselen van minderjarigen tegen te gaan, dient de opdrachtgever hiervoor,
bovenop de straf voor louter de overtreding, gestraft te worden. De opdrachtgever
maakt misbruik van de positie van de minderjarige voor eigen gewin. Indiener stelt
daarom voor om een strafverzwaringsgrond op te nemen bovenop het gronddelict, in het
geval dat is gebleken dat een minderjarige werd betrokken bij de uitoefening van de
strafbare feiten.
Een vergelijkbaar wetsartikel is opgenomen in artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht
(hierna: Sr). Doorgaans worden de subleden 2 en 4 van het eerste lid van dit artikel
ten laste gelegd bij criminele uitbuiting van minderjarigen in de zin van mensenhandel.
Voor de bewezenverklaring dient vast te komen te staan, dat de verdachte het oogmerk
had op die uitbuiting. Volgens het hof Arnhem-Leeuwarden is het eenmalig inzetten
van kinderen voor het plegen van winkeldiefstallen onvoldoende om te kunnen spreken
van een uitbuitingssituatie. Pas in de gevallen waarbij kinderen vaker/stelselmatig
worden ingezet voor het plegen van winkeldiefstallen kan uitbuiting worden bewezen
(Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1971).
Artikel 273f Sr richt zich specifiek op mensenhandel. Omdat minderjarigen veelal worden
geronseld voor criminele activiteiten gelinkt aan het drugscircuit, draagt opname
van de strafverzwaringsgrond in de Opiumwet bij aan het tegengaan daarvan.
Indiener is van mening dat de bestanddelen voor de bewezenverklaring niet zodanig
hoge grenzen moeten opwerpen dat veroordeling op grond van dat artikel bijna onmogelijk
is, nu het ronselen van minderjarigen een zeer kwalijk probleem is en de halt moet
worden toegeroepen. Indiener neemt daarom afstand van het bestanddeel oogmerk. Het
«oogmerk» vormt de hoogste gradatie van opzet, indiener kiest daarom voor voorwaardelijke
opzet. Het is dan voldoende als de opdrachtgever bewust de aanmerkelijke kans heeft
aanvaard dat het gevolg zou intreden.
Faber