36 703 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 in verband met de introductie van een tweestatusstelsel en het aanscherpen van de vereisten bij nareis (Wet invoering tweestatusstelsel)

36 704 Wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet)

36 855 Wijziging van het voorstel van wet tot wijziging van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht in verband met maatregelen om de asielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen (Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassing strafbaarstelling illegaal verblijf)

P1 BRIEF VAN DE MINISTER VAN ASIEL EN MIGRATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2026

In het debat over de asielnoodmaatregelenwet, de wet uitvoering Tweestatusstelsel en de novelle aanpassing strafbaarstelling onrechtmatig verblijf, dat ik maandag 13 april jl. en dinsdag 14 april jl. met uw Kamer heb gevoerd heb ik een aantal toezeggingen gedaan. Conform uw verzoek, bevestig ik deze toezeggingen in deze brief en licht ik ze kort toe.

Bij de toets aan het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM wordt beoordeeld of er feitelijk sprake is van gezinsleven. Dat is ook het geval indien sprake is van een hechte partnerband. Het is dus geen vereiste dat sprake is van een huwelijk om familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM aan te nemen. Dit is staande praktijk en volgt uit EHRM jurisprudentie. Gelet op het debat dat ik met uw Kamer heb gevoerd en het belang dat ik hier aan hecht, bevestig ik dat de bestaande werkinstructie van de IND – over de werking van 8 EVRM voor de individuele toetsing van ongehuwden – wordt verduidelijkt.

Daarnaast wordt de procedure zo ingericht dat bij nareisaanvragen van ongehuwde partners van een asielstatushouder de IND standaard ambtshalve zal doortoetsen op artikel 8 EVRM. In het geval uw Kamer de wetsvoorstellen aanvaardt, zal ik met de betrokken uitvoeringsorganisaties alle benodigde voorbereidingen treffen.

Naar aanleiding van het met u gevoerde debat over de strafbaarstelling onrechtmatig verblijf noem ik situaties waarbij geconcludeerd moet worden dat niet wordt meegewerkt aan de verplichting om te vertrekken. De belangrijkste categorie betreft vreemdelingen die – door hun eigen gedrag – het onmogelijk maken om terug te keren.

Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer de vreemdeling weigert zelf naar de autoriteiten van zijn land van herkomst te stappen om vervangende reisdocumenten te verkrijgen, terwijl dat land van herkomst niet wil samenwerken met de Nederlandse overheid. De DT&V heeft in dat geval geen mogelijkheid om een reisdocument aan te vragen. Dan zijn de mogelijkheden van de terugkeerprocedure uitgeput.

Daarnaast kan het zo zijn dat een vreemdeling aliassen gebruikt en verschillende nationaliteiten en leeftijden opgeeft om de terugkeerprocedure te frustreren. Dit is ook het geval wanneer de vreemdeling niet zelfstandig vertrekt, en in bestuursrechtelijke vreemdelingenbewaring wordt gesteld om vanuit daar te werken aan terugkeer. Indien de vreemdeling geen medewerking verleent aan zijn identiteits- en nationaliteitsvaststelling en het verkrijgen van vervangende reisdocumenten en het land van terugkeer evenmin, kan de bewaringsrechter oordelen dat er geen zicht op uitzetting bestaat. In dat geval moet de bewaringsmaatregel worden opgeheven en kan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) niet langer effectief werken aan (gedwongen) terugkeer. Ook in dat geval is de terugkeerprocedure uitgeput.

Daarnaast kent vreemdelingenbewaring een maximale duur van 18 maanden. Ook al voor het verstrijken van die 18 maanden kan sprake zijn van ontbreken van zicht op uitzetting en zijn de mogelijkheden van de staat om uit te zetten uitgeput. Maar in elk geval bij het overschrijden van de 18 maanden is de terugkeerprocedure eveneens uitgeput.

In deze gevallen heeft de overheid nu geen handelingsperspectief meer. Er zijn vreemdelingen die hierop inzetten en proberen te bewerkstelligen dat de overheid moet berusten in hun onrechtmatige verblijf. In veel gevallen gaat dit om langlopende terugkeerdossiers, waarin alle verblijfsprocedures ook zijn doorlopen. Voor deze gevallen is een aanvulling in het strafrecht wenselijk, zodat deze vreemdelingen weten dat niet meewerken aan terugkeer niet leidt tot «afgedwongen gedogen».

Dit gaat – gelukkig – niet om grote aantallen. In veel gevallen kan de overheid vertrek – ondersteund zelfstandig of gedwongen – wél realiseren. De boodschap van de aanvullende strafrechtelijke bepalingen, is ook in de wetenschap dat de overheid niet zal ophouden met de inzet op vertrek of het sanctioneren van voortdurend onrechtmatig verblijf. Dit kan er toe bijdragen dat de onrechtmatig verblijvende vreemdeling zich realiseert dat zijn toekomst niet in Nederland ligt en zich wel gaat richten op terugkeer.

Ik benadruk dat het niet gaat om situaties waarbij de vreemdeling die wel meewerkt aan terugkeer buiten zijn schuld om niet kan vertrekken uit Nederland en ambtshalve of op aanvraag, een verblijfsvergunning regulier2 kan worden verstrekt.

Bij aanvaarding van de wetsvoorstellen zet ik mijn gesprekken voort met de maatschappelijke organisaties over de strafbaarstelling en zal ik een gerichte informatiecampagne inzetten, met name gericht op de kwetsbare doelgroep, om onterechte zorgen en beelden weg te nemen.

Ten slotte zeg ik uw Kamer toe dat ik de strafbaarstelling doorlopend zal monitoren en na een jaar een invoeringstoets laat uitvoeren.

De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink


X Noot
1

De letter P heeft alleen betrekking op 36 703.


X Noot
1

De letter P heeft alleen betrekking op 36 703.

Naar boven