De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het Grondwettelijk Hof van België prejudiciële vragen heeft gesteld
aan het Hof van Justitie van de Europese Unie over de verenigbaarheid van nationale
maatregelen inzake gezinshereniging voor subsidiair beschermden met het Unierecht;
overwegende dat deze vragen onder meer betrekking hebben op:
-
• de toelaatbaarheid van een onderscheid tussen vluchtelingen en subsidiair beschermden;
-
• de verenigbaarheid van wachttijden en aanvullende voorwaarden met het recht op gezinsleven;
-
• en de vraag of deze maatregelen, mede gelet op artikel 24 van het EU-Handvest van
de grondrechten, leiden tot disproportionele en langdurige scheiding van gezinnen
en onvoldoende recht doen aan het belang van het kind;
overwegende dat de beantwoording van deze vragen direct raakt aan de voorliggende
Nederlandse wetgeving en dat het risico bestaat dat deze in strijd wordt bevonden
met het Unierecht;
overwegende dat op grond van het Unierechtelijke loyaliteitsbeginsel, als bedoeld
in artikel 4 lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), lidstaten gehouden
zijn zich te onthouden van maatregelen die de werking en het gezag van het Unierecht,
waaronder lopende prejudiciële procedures, ondermijnen;
overwegende dat inwerkingtreding van deze maatregelen voorafgaand aan het arrest van
het Hof van Justitie kan leiden tot rechtsonzekerheid en mogelijk onomkeerbare gevolgen
voor betrokken gezinnen;
verzoekt de regering om de maatregelen inzake de beperking van gezinshereniging voor
subsidiair beschermden in elk geval niet eerder in werking te laten treden dan drie
maanden na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie naar aanleiding
van deze prejudiciële vragen,
en gaat over tot de orde van de dag.
Karimi
Van der Goot
Janssen
Visseren-Hamakers
Huizinga-Heringa
Nicolaï