Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36692 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36692 nr. C |
Ontvangen 3 juli 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het Wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting.
De regering is erkentelijk voor de getoonde belangstelling en de vragen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, D66, CDA en ChristenUnie. Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling van het verslag.
Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vragen hoe de effecten van het wetsvoorstel in kaart worden gebracht? Hoe reflecteert de regering op de zorgen die in de wetenschapstoets zijn gearticuleerd in relatie tot de mogelijkheden om de uitvoering en effecten van de wet te monitoren en te evalueren? Indien blijkt dat de data onvoldoende basis bieden voor een betekenisvolle vergelijking, wat betekent dat dan voor de beoordeling van de effectiviteit van de wet? De leden zien graag een reflectie van de regering op dit punt.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel was niet voorzien in een evaluatiebepaling. Gelet op de verschillende vragen van de leden van de Tweede Kamer over een evaluatiebepaling en de complexiteit van de brede opgave onderwijshuisvesting, heeft de regering alsnog de Tweede Kamer een nota van wijziging doen toekomen waarmee is voorzien in evaluatiebepalingen. Deze nota van wijziging is aangenomen door de Tweede Kamer en de regering verwijst hiervoor naar het gewijzigd voorstel van wet zoals aan uw Kamer is gestuurd.1
De leden van de GroenLinks-PvdA fractie uiten zorgen over de mogelijkheden om de uitvoering en effecten van de wet te monitoren en evalueren als – kort gezegd – de data onvoldoende basis bieden voor een betekenisvolle vergelijking.
Ten eerste geven zij zorgen aan over een beperkte mate van gestructureerde monitoring en geven zij aan dat eerst een gevalideerde bestandopname moet worden gemaakt. De regering onderschrijft de noodzaak van monitoring en evaluatie van zowel de gebouwenvooraad als de effecten van de wet. Het wetsvoorstel draagt hier aan bij door te voorzien in de verplichting voor gemeenten om een Intergraal Huisvestingsplan (IHP) op te stellen die ter kennisneming aan de Minister van OCW (hierna: de Minister) wordt gezonden en wordt beoordeeld om data te verzamelen en de voortgang te bewaken. Monitoring van de gebouwenvoorraad zal vervolgens vormgegeven worden binnen het Programma onderwijshuisvesting. Hierbij zal door middel van een jaarlijkse steekproef worden gebouwd aan een database van relevante informatie rondom gebouwen, zoals het binnenklimaat, verduurzaming, inclusiviteit, en adaptiviteit. Indicatoren hieromtrent kunnen worden opgehaald uit IHP’s.2 Ook wordt onderzocht of het mogelijk is een informatielandschap onderwijshuisvesting op te zetten. Daarbij wordt niet enkel gebruik gemaakt van data die verzameld wordt via de IHP’s, maar wordt ook onderzocht op welke manier diverse databases met bestaande vastgoedinformatie centraal geraadpleegd kunnen worden. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan informatie uit de basisadministratie gemeenten (BAG), Kadaster en data van slimme meters (energie).
Daarnaast noemen de leden het ontbreken van heldere definities van basiskwaliteit en vereiste prestatieniveaus. Het wetsvoorstel zelf formuleert geen doelstellingen ten aanzien van minimaal vereiste prestatieniveaus, duurzaamheid en levensduur van schoolgebouwen, aangezien dergelijke eisen in het omgevingsrecht zijn opgenomen en niet in de onderwijswetgeving.
De regering benadrukt dat het ontbreken van een bestandsopname geen beletsel is voor het bereiken van de beleidsdoelen die met dit wetsvoorstel worden nagestreefd. Het overkoepelende doel van dit wetsvoorstel is immers dat gemeenten en schoolbesturen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van bouw, beheer en onderhoud van schoolgebouwen in het funderend onderwijs komen. Het verplichte overleg tussen gemeenten en schoolbesturen over het IHP van de gemeenten, het MJOP van schoolbesturen en de exploitatielasten van de school, beoogt besluitvorming op basis van total-cost-of-ownership te bevorderen. Dit kan op lokaal niveau plaatsvinden zonder dat daarvoor een landelijke, gevalideerde bestandopname is gemaakt.
Als het gaat om de beoordeling van de effectiviteit van de wet, dan zal dat plaatsvinden bij de evaluatiemomenten na vijf jaar. Op basis van de verzamelde data kan dan worden beoordeeld of de doelen van de wet zijn behaald. Mocht dan blijken dat er andere informatie nodig is om tot een betere planmatige aanpak en doelmatige aanpak van bouw, beheer en onderhoud van scholen te komen en de TCO te bevorderen dan zal de regering daarop anticiperen door het aanpassen van de ministeriële regeling bij de wet, of de wet zelf. Voor een reflectie van de regering op de zorgen die in de wetenschapstoets zijn gearticuleerd in relatie tot de mogelijkheden om de uitvoering en effecten van de wet te monitoren en evalueren verwijst de regering naar pagina 54 van de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer3, die als bijlage bij deze nota is gevoegd.
Daarnaast vragen de leden de regering aan te geven wat de gevolgen waren van de opheffing van het eerdere investeringsverbod in het voortgezet onderwijs? Worden dezelfde gevolgen verwacht bij het opheffen van het investeringsverbod voor het primair onderwijs en hoe kunnen gemeenten en scholen hierop anticiperen?
Er is geen beeld beschikbaar van de ervaringen in het voortgezet onderwijs na versoepeling van de investeringsmogelijkheden, omdat dat niet is gemonitord of geëvalueerd. Er kan daarom niet gezegd worden dat dezelfde effecten worden verwacht voor het primair onderwijs. De regering zal de effecten van deze wetswijziging in het primair onderwijs na vijf jaar evalueren. Mochten daar ongewenste effecten ten aanzien van de investeringsmogelijkheden opgemerkt worden, dan wordt onderzocht in hoeverre deze zich ook voortdoen in het voortgezet onderwijs.
Zij vragen op welke manier wordt voorkomen dat deze aanpak leidt tot vergroting van ongelijkheid, in de eerste plaats tussen scholen met meer middelen en daarnaast tussen gemeenten met verschillend beleid ten aanzien van onderwijshuisvesting?
De financiële positie van een schoolbestuur is bepalend voor de vraag of het ruimte heeft om gebruik te maken van de versoepeling, maar de eventuele financiële ruimte wordt niet veroorzaakt door dit wetsvoorstel.
De ruimte die schoolbesturen hebben om te investeren vanuit een overschot op de bekostiging is doorgaans niet heel groot. Wanneer schoolbesturen financieel veel ruimte hebben om te investeren dan is dat omdat zij in het verleden een grotere reserve hebben opgebouwd. Die reserve kan bestaan uit private middelen4 en uit een overschot op de bekostiging. Voor zover deze reserve gevuld is met private middelen mogen schoolbesturen deze met de huidige wetgeving al uitgeven aan onderwijshuisvesting. Het deel van de reserve dat is ontstaan uit een overschot op de bekostiging kan met de verruiming in het voorliggende wetsvoorstel ook worden uitgegeven aan onderwijshuisvesting.
Het is inherent aan de decentrale bevoegdheid dat gemeenten verschillend beleid hanteren met betrekking tot onderwijshuisvesting. Gemeenten dienen hierbij te acteren op basis van de huidige onderwijswetgeving die de procedure voor aanvraag van en toekenning of afwijzing van voorzieningen in de onderwijshuisvesting regelt. Deze procedure bevat voldoende waarborgen voor gelijke behandeling tussen scholen. Het wetsvoorstel wijzigt hier niets aan.
Hoe reflecteert de regering op de zorgen dat het voorstel zal leiden tot aanzienlijk meer bureaucratie in de vorm van een toename van plandocumenten en overlegstructuren en daarmee tot een toename van de bestuurlijke druk? Het kabinet heeft aangegeven het niet nodig te vinden de budgetten voor de uitvoering van dit voorstel naar aanleiding van input uit de internetconsultatie verder te verhogen. Kan de regering dit onderbouwen? Welke mogelijke instrumenten ziet de regering voor gemeenten en scholen wanneer zou blijken dat de nieuwe aanpak onevenredige budgettaire gevolgen heeft?
De regering acht overleg tussen het schoolbestuur en gemeenten noodzakelijk voor een doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting. Het is voor een doelmatige aanpak namelijk noodzakelijk dat partijen gezamenlijk optrekken. De regering heeft daarbij vastgesteld dat dit wetsvoorstel een taakverzwaring voor gemeenten behelst en geeft gemeenten daar financiële compensatie voor. Deze financiële compensatie wordt toegevoegd aan de algemene uitkering van gemeenten zodat elke gemeente ongeacht de grootte kan voldoen aan de verplichting uit deze wet. Het betreft daarmee structurele middelen. De impact op budgetten van schoolbesturen is beperkt, aangezien 98% van de schoolbesturen reeds een MJOP gebruikt voor de verantwoording van haar onderhoudskosten.
De regering hecht daarnaast waarde aan extra ondersteuning van gemeenten en schoolbesturen via bijvoorbeeld kennisdeling. Binnen het Programma Onderwijshuisvesting is in samenwerking met gemeenten, schoolbesturen en experts een standaard IHP ontwikkeld dat ter beschikking gesteld wordt aan alle gemeenten. Ook is er een standaard MJOP ontwikkeld voor schoolbesturen. Daarnaast kunnen gemeenten kosteloos een startgesprek aanvragen bij het programmabureau, om gezamenlijk de lokale opgave in kaart te brengen en de mogelijkheden van een integrale aanpak te bespreken. Mocht uit de evaluatie van dit wetsvoorstel blijken dat de wet onevenredige gevolgen heeft dan zal de regering daarnaar handelen.
Vragen van de leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van BBB vernemen graag de reactie van de regering op de kritische punten uit de wetenschapstoets op dit wetsvoorstel.5
De regering gaat hierbij kort in bondig in op de kritische punten uit de Wetenschapstoets. Voor een volledige integrale reflectie van de regering op de wetenschapstoets wordt verwezen naar pagina 54 van de nota naar aanleiding van het verslag van de Tweede Kamer.6 Deze is als bijlage toegevoegd aan deze nota.
In de wetenschapstoets wordt de opmerking gemaakt dat het wetsvoorstel geen oplossing biedt voor de splitsing van verantwoordelijkheden en wordt aanbevolen hierin eerst een systeemkeuze te maken. De regering stelt dat de «split incentive» met dit wetsvoorstel zoveel mogelijk wordt verzacht. Een systeemkeuze wordt bewust niet gemaakt omdat het IBO aanbeveelt de beleidspakketten 1 en 2 eerst uit te voeren voordat over wordt gegaan tot pakket 3 en 4 die stelselwijzigingen bevatten.
Daarnaast wordt in de wetenschapstoets opgemerkt dat het onderhavige wetsvoorstel leidt tot veel papierwerk en een toename van overlegsituaties. De regering acht overleg tussen het schoolbestuur en gemeenten juist noodzakelijk voor een doelmatige aanpak van de onderwijshuisvesting. Ten aanzien van het in dit wetsvoorstel (op overeenstemming gerichte) verplichte overleg merkt de regering op dat dit overleg slechts 1x per 4 jaar bij het vaststellen van het IHP moet worden gevoerd.
Vervolgens wordt in de toets opgemerkt dat het instrumentarium niet aanzet tot een fundamentele verbetering van de kwaliteit van de onderwijshuisvesting, terwijl dat de maatschappelijke opgave is. De maatschappelijke opgave ten aanzien van de onderwijshuisvesting kan niet opgelost worden met enkel een wetswijziging, maar de wetswijziging is wel een noodzakelijk onderdeel van de totale opgave.
Ten aanzien van de IHP’s wordt opgemerkt dat zij niet leiden tot een eenduidige bestandsopname. De regering benadrukt dat het instrument ruimte geeft zodat gemeenten maatwerk kunnen verrichten en een IHP opstellen dat is toegesneden op de lokale omstandigheden van de desbetreffende gemeente. Desalniettemin bevat het wetsvoorstel een grondslag om nadere regels te stellen aan de wijze waarop de gegevens in het IHP worden vermeld en welke informatie hierbij wordt betrokken, om enige mate van eenheid in de IHP’s te borgen.
Ten aanzien van het begrip renovatie wordt in de wetenschapstoets opgemerkt dat het voorstel geen houvast geeft om nieuwbouw, renovatie en onderhoud ten opzichte van elkaar af te bakenen en af te wegen, omdat het opnemen van een definitie van renovatie in onderwijswetgeving daarvoor niet afdoende zou zijn. Binnen het Programma Onderwijshuisvesting wordt een afwegingskader ontwikkeld dat aan gemeenten wordt aangeboden als een vrijwillig hulpmiddel. Ook geeft de VNG handvatten aan gemeenten hoe dit te verankeren in de gemeentelijke onderwijshuisvestingsverordening. Het afwegen van de keuze tussen nieuwbouw en renovatie is een onderdeel van de gedecentraliseerde verantwoordelijkheid van gemeenten.
Ten aanzien van de verruiming van de investeringsmogelijkheden wordt in de toets aangegeven dat niet helder is wat dit bijdraagt aan de realisatie van het verbeteren van total cost of ownership. De regering verduidelijkt graag dat verruiming van de investeringsmogelijkheden het voor schoolbesturen mogelijk maakt om bij de realisatie van nieuwbouw of renovatie zelf bij te dragen aan investeringen, omdat die zichzelf op de langere termijn terugverdienen.
Vervolgens maken de onderzoekers de volgende opmerkingen ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van dit wetsvoorstel. Zij geven onder meer aan dat het wetsvoorstel voorbijgaat aan de grote diversiteit die bestaat in huisvestingsportefeuilles bij gemeenten en schoolbesturen. De regering onderschrijft de gesignaleerde diversiteit en is van mening dat IHP’s bijdragen aan een integrale aanpak van diverse huisvestingportefeuilles omdat een IHP gemeenten meer inzicht geeft in die diversiteit.
Vragen van de leden van de fractie van D66
De leden van de fractie van D66 signaleren dat voor schoolbesturen een prikkel bestaat om weinig te investeren in duurzaam onderhoud en voor gemeenten een prikkel om weinig te investeren in duurzame nieuwbouw. De leden vragen de regering te onderbouwen waarom zij verwacht deze prikkels te verminderen door schoolbesturen in het primair onderwijs onder meer de mogelijkheid te geven te investeren in nieuwbouw of renovatie. Bijvoorbeeld aan de hand van ervaringen met het verruimen van de investeringsmogelijkheden in het voortgezet onderwijs?
De regering verwacht dat het verruimen van de investeringmogelijkheden de total cost of ownership benadering (hierna: TCO) kan bevorderen. De TCO is het totaalbedrag aan kosten voor bouw, onderhoud en exploitatie van een gebouw gedurende de hele levenscyclus. Hierbij is het belangrijk in kaart te brengen wie welke kosten in welke fase voor zijn rekening neemt. De gemeente blijft hierbij verantwoordelijk voor de kosten van nieuwbouw of renovatie en het schoolbestuur voor de kosten tijdens de exploitatiefase. Als deze geldstromen goed in kaart zijn, kan bekeken worden of een hogere initiële investering vanuit een gemeente leidt tot lagere lasten voor het schoolbestuur. Dit geeft een basis om het gesprek over cofinanciering te voeren. Dit kan twee kanten op werken. Scholen kunnen meebetalen bij nieuwbouw, maar gemeenten kunnen ook meefinancieren bij verduurzaming via groot onderhoud. Dit kan een win/win situatie opleveren als een school langer mee gaat en dus later op het IHP van de gemeente komt, en de school heeft een lagere exploitatielast voor de resterende jaren. Dit is bijvoorbeeld gebeurd op basisschool de Mirt in Kampen7. Deze basisschool uit de jaren 70 is in 2020 gerenoveerd en verduurzaamd, omdat de bouwkundige staat en inrichting niet geschikt waren om het onderwijs voldoende te ondersteunen. De school staat pas voor 2030–2035 in het IHP genoemd voor nieuwbouw. De renovatie heeft ertoe geleid dat het schoolgebouw weer prettig te gebruiken is tot die tijd en dat de exploitatielasten zo laag mogelijk zijn in die periode. De renovatie is financieel mogelijk gemaakt door zowel gemeente als schoolbestuur waarbij gebruik is gemaakt van de TCO-benadering.
De leden van de D66-fractie begrijpen dat gemeenten schoolbesturen formeel kunnen dwingen tot investeren in voorzieningen in de onderwijshuisvesting waar gemeenten primair voor verantwoordelijk zijn, maar vrezen dat gemeenten informeel druk kunnen uitoefenen op schoolbesturen om overschotten aan te wenden voor onderwijshuisvesting. Graag ontvangen zij een reflectie van de regering hierop.
Het past niet bij de rol van gemeenten om druk uit te oefenen op schoolbesturen om investeringen te doen die zij niet willen en hoeven te doen. Van een gemeente mag worden verwacht dat zij handelt in lijn met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Dit zijn de geschreven en ongeschreven «spelregels» waar de overheid en bestuursorganen zich aan moeten houden bij het nemen van beslissingen. Hieronder vallen bijvoorbeeld het verbod van willekeur en het fair-play beginsel.
Binnen het Programma Onderwijshuisvesting wordt voorlichting en ondersteuning aangeboden aan gemeenten en schoolbesturen over het voeren van het goede gesprek hierover tijdens het op overeenstemming gericht overleg en het maken van een verantwoorde keuze hierin.
Daarnaast zijn er de mechanismen rondom verantwoording en (intern en extern) toezicht waarmee beoordeeld wordt of een uitgave rechtmatig en doelmatig is. Schoolbesturen zijn vrij hun bekostiging te besteden naar eigen inzicht, maar moeten daarbij wel zorgen voor voldoende onderwijskwaliteit. De medezeggenschapsraad, de raad van toezicht en de Inspectie van het Onderwijs (hierna: Inspectie) zien hierop toe.
In een eerdere versie van het wetsvoorstel was een zorgplicht voor het binnenklimaat opgenomen. Deze zorgplicht is na advies van het Adviescollege toetsing regeldruk en de internetconsultatie uit het wetsvoorstel gehaald, omdat deze verplichting financieel niet uitvoerbaar en niet handhaafbaar werd geacht. Kan de regering uitleggen waarom de huidige wet- en regelgeving wel (financieel) uitvoerbaar en handhaafbaar wordt geacht, maar kennelijk niet wordt nageleefd? Welke aanvullende maatregelen neemt de regering om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van het binnenklimaat daadwerkelijk wordt verbeterd en dat gemeenten en de Inspectie daarop effectief handhaven?
De voorgestelde zorgplicht voor een gezond binnenklimaat in een eerdere versie van dit wetsvoorstel betrof een inspanningsverplichting voor het schoolbestuur en de afdwingbaarheid hiervan zag enkel op het hebben van een beleidsplan en niet op het binnenklimaat zelf.
Het Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl) stelt voorschriften aan de aanwezigheid van (ventilatie)voorzieningen ten behoeve van een gezond binnenklimaat. Dit zijn eisen die gelden voor nieuwbouw en bestaande bouw in ruimten met een onderwijshuisvesting. Deze voorschriften zijn afdwingbaar, ze moeten daadwerkelijk gerealiseerd zijn. Gemeenten hebben de taak om toe te zien op bouwkundige eisen aan gebouwen en om bij overtreding van deze eisen handhavend op te treden. Soms heeft een schoolgebouw geen goed binnenklimaat terwijl de eisen toch worden nageleefd. Het Bbl hanteert namelijk verschillende kwaliteitsniveau’s. Verworven rechten zijn één van de uitgangspunten hierbij. Dit houdt in dat bestaande bouwwerken zoveel mogelijk worden ontzien wanneer er bestaande technische eisen worden aangescherpt of nieuwe eisen worden geïntroduceerd. Gebouwen uit de verouderde voorraad hoeven daarom niet altijd aan alle nieuwe eisen te voldoen. De grootste uitdagingen ten aanzien van een gezond binnenklimaat doen zich voor bij de gebouwen uit de verouderde voorraad. Bij veel van die schoolgebouwen vraagt dit om renovatie van het gebouw of vervangende nieuwbouw om het binnenklimaat op orde te krijgen. Een programmatische en integrale aanpak van de verouderde voorraad is volgens kenniscentrum Ruimte-OK de meest effectieve aanpak om deze gebouwen op het gewenste niveau te krijgen.8 De regering werkt hieraan door – onder andere middels dit wetsvoorstel – het pakket «de basis op orde» uit te voeren. Het IBO Onderwijshuisvesting concludeerde dat voor deze opgave ook aanvullende middelen nodig zijn. Door scherpe keuzes die dit kabinet heeft moeten maken zijn deze middelen nu niet beschikbaar.
Een actieve of actievere rol voor de Inspectie in het toezicht op het binnenklimaat van schoolgebouwen is met het huidige wetsvoorstel niet aan de orde.
Eén van de aanbevelingen van het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderhuisvesting funderend onderwijs luidt: «Gebruik het IHP voor een meer total-cost-of-ownership-benadering en leg daar een minimumvariant en -proces in vast».9 De onderzoekers adviseren in ieder geval de volgende onderdelen vast te leggen: samenwerking, programmatische uitgangspunten, analyse van behoefte en kwaliteit, gebouwareaal, normen voor bouwkosten, meerjarenbudget, programmering, planning en monitoring. Kan de regering voor elk van deze onderdelen afzonderlijk aangeven of het advies wordt overgenomen en een motivering geven indien daarvan wordt afgeweken? De onderzoekers adviseren daarnaast het minimale proces in het wetsvoorstel vast te leggen: een overlegcyclus over uitgangspunten, programmering, voortgang, evaluatie en afspraken over escalatie. Kan de regering ook voor elk van deze processtappen aangeven of het advies wordt overgenomen en een motivering geven indien daarvan wordt afgeweken?
Ten aanzien van de samenwerking tussen gemeenten en schoolbesturen schrijft het wetsvoorstel voor dat in het IHP beschreven moet worden op welke wijze afstemming heeft plaatsgevonden met de meerjarenonderhoudsplannen. Daarnaast is in de procedure een op overeenstemming gericht overleg (OOGO) voorgeschreven als verplicht overlegmoment. Deze kan op hetzelfde moment plaatsvinden als het bestaande jaarlijkse OOGO over het jaarprogramma onderwijshuisvesting. Ook de voortgang van het IHP kan bij dat jaarlijkse OOGO worden besproken. De gemeente kan zo een bestaande overlegcyclus benutten voor overleg over uitgangspunten. Het vormgeven van de verdere samenwerking is aan gemeenten en schoolbesturen zelf, gezien de decentrale bevoegdheid en dus niet nader beschreven in de wet.
De programmatische uitgangspunten, meerjarenbudgetten, planning en de programmering dienen gemeenten vast te leggen in het IHP via de geraamde investeringsbedragen per schoolgebouw voor een periode van vier jaar en de voornemens voor het schoolgebouw gedurende de daarop volgende 12 jaar.
Een analyse van behoefte en kwaliteit dient opgenomen te worden in het beleid voor de huisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in combinatie met de geraamde investeringsbedragen per schoolgebouw voor een periode van vier jaar en de voornemens voor het schoolgebouw gedurende de daarop volgende 12 jaar.
Het gebouwareaal dient te worden opgenomen conform hetgeen beschreven in het voorgestelde artikel 92a, tweede lid Wpo.
Aan monitoring en evaluatie op lokaal niveau wordt indirect invulling gegeven aangezien het IHP en MJOP elke vier jaar opnieuw vastgesteld moet worden.
Normen voor bouwkosten zijn niet opgenomen in dit wetsvoorstel. De bouwkosten fluctueren en zijn daarmee niet geschikt om vast te leggen in formele wetgeving. Deze normbedragen dienen gemeenten conform artikel 102 lid 3 WPO op te nemen in de gemeentelijke verordening.
Ook afspraken over escalatie zijn niet aanvullend vastgelegd. Hier is al in voorzien door middel van reguliere verantwoording- en handhavingsbevoegdheden.
In de nota naar aanleiding van het verslag lezen deze leden: «Hoewel de energieprestaties van een deel van de schoolgebouwen nu al aan het door de EPBD IV-richtlijn [Energy Performance of Buildings Directive] vereiste niveau voldoet, zal dit niveau voor een deel van de schoolgebouwen zeker extra maatregelen vragen. Het is belangrijk dat gemeenten hier in de IHP’s rekening mee houden».10 Hoe weten gemeenten of zij aan de richtlijn (zullen) voldoen en hoe zorgt de regering ervoor dat gemeenten over voldoende middelen beschikken om aan de richtlijn te voldoen?
De Energy Performance of Buildings Directive IV (hierna: EPBD IV)-richtlijn geeft aan dat de gebouwde omgeving richting 2050 emissievrij moet zijn. Het niveau waar het gebouw aan moet voldoen wordt vertaald in eisen voor een Zero Emission Building (hierna: ZEB) voor nieuwbouw en bestaande bouw.
Het streven is dat het ZEB-niveau voor bestaande bouw vanaf 1 juli 2027 wordt vastgelegd in regelgeving. Bij de overgang naar het ZEB-niveau voor de bestaande utiliteitsbouw kan de renovatiestandaard worden gebruikt. Dit geeft eigenaren van onderwijshuisvesting tot het moment dat het ZEB-niveau is vastgelegd duidelijkheid waar ze hun gebouwen naar toe moeten renoveren.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ondersteunt maatschappelijk vastgoedeigenaren bij de verduurzaming hun schoolgebouwen met de duurzaam maatschappelijk vastgoed-subsidie (DUMAVA), het ontzorgingsprogramma maatschappelijk vastgoed en het nog op te richten Waarborgfonds Maatschappelijk vastgoed. Schoolbesturen en gemeenten kunnen gebruik maken van de DUMAVA voor het verduurzamen van bestaande schoolgebouwen. De DUMAVA is een voorziening waarmee de meerkosten van investeringen in integrale verduurzaming van maatschappelijk vastgoed (gedeeltelijk) wordt gedekt. Vanuit het Klimaatfonds is voor de periode 2024 tot 2030 € 1,9 miljard voor de DUMAVA beschikbaar gesteld. Hiervan is tot nu toe ruim 240 miljoen aan onderwijsgebouwen toegekend.
Aan de hand van welke indicatoren zal de wet worden geëvalueerd en welke data zal de regering daarvoor verzamelen? Met andere woorden: wanneer heeft deze wet volgens de regering succesvol bijgedragen aan de kwaliteit van de onderwijshuisvesting?
Het gewijzigde wetsvoorstel voorziet in een evaluatie die conform de Aanwijzingen voor de regelgeving bepaalt dat een verslag wordt gemaakt over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. Het wetsvoorstel draagt succesvol bij aan de kwaliteit van onderwijshuisvesting als de doelen zijn behaald, te weten: dat gemeenten en schoolbesturen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van bouw, beheer en onderhoud van schoolgebouwen in het funderend onderwijs komen en dat besluitvorming op basis van total-cost-of-ownership plaatsvindt. Daarbij wordt bijvoorbeeld specifiek gekeken naar de plannen die gemeenten opnemen in hun IHP’s en hoe de overschotten op de bekostiging van schoolbesturen aan huisvesting worden besteed.
Vragen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA vragen zich af of scholen en gemeenten over voldoende middelen beschikken dan wel ontvangen om de extra regeldruk aan te kunnen en de nieuwe verplichtingen uit te voeren.
De regering heeft een regeldruktoets uitgevoerd. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor leraren en leerlingen, omdat zij geen verplichtingen of rechten krijgen op grond van de maatregelen in dit wetsvoorstel. Voor schoolbesturen zijn er wel gevolgen. De regeldruk voor schoolbesturen wordt in paragraaf 7 van het algemeen deel van memorie van toelichting beschreven. De conclusie aldaar is dat aangezien de meeste schoolbesturen voor al hun gebouwen reeds over een MJOP beschikken, de toename van regeldruk voor schoolbesturen nihil is. Omdat gemeenten decentrale overheid zijn, vallen zij niet onder het begrip regeldruk. Wel zijn er financiele gevolgen voor gemeenten in verband met de extra uren die nodig zijn voor het IHP. Dit zorgt voor een taakverzwaring ten opzichte van hun huidige verantwoordelijkheden. Hiervoor worden gemeenten financieel gecompenseerd. Deze financiële compensatie wordt toegevoegd aan de algemene uitkering van gemeenten zodat elke gemeente ongeacht de grootte kan voldoen aan de verplichting uit deze wet. Het betreft daarmee structurele middelen.
De regering onderschrijft daarnaast het belang van ondersteuning van gemeenten en schoolbesturen bij de implementatie van het wetsvoorstel. Om gemeenten en schoolbesturen te ondersteunen komt via het Programma Onderwijshuisvesting ondersteuning voor gemeenten en schoolbesturen beschikbaar. Daar hoort ook een kennisbank bij met handreikingen en goede voorbeelden uit de sector. Een voorbeeld hiervan is een handreiking samenwerkingsvormen waarmee kleinere gemeenten en schoolbesturen inzicht kunnen krijgen in de mogelijkheden tot samenwerken zodat zij hun capaciteit en expertise kunnen bundelen en zo efficiënter kunnen inzetten. Daarnaast worden gestandaardiseerde producten aangeboden zoals een gestandaardiseerd IHP voor gemeenten en een gestandaardiseerd MJOP voor schoolbesturen. Alle producten zijn in co-creatie met de sector ontwikkeld en worden in 2025 breder getest in de praktijk. Daarnaast is via het Programma Onderwijshuisvesting ook hands-on ondersteuning op locatie beschikbaar voor schoolbesturen en gemeenten.
Verder stellen deze leden vast dat er meerdere eisen gelden op het gebied van duurzaamheid bij de bouw van nieuwe schoolgebouwen.11 Hoe verhouden de bestaande duurzaamheidsdoelen voor schoolgebouwen zich tot de nieuwe regeldruk die uit dit wetsvoorstel voortvloeit? In hoeverre beïnvloeden de duurzaamheidsdoelen de uitvoering van deze wet?
Voorliggend wetsvoorstel verplicht gemeenten om de duurzaamheid per schoolgebouw te omschrijven in het IHP. Het doel hiervan is dat gemeenten met een integrale blik keuzes maken over hun schoolgebouwen. Hierbij kunnen zij de duurzaamheid van het schoolgebouw meenemen in hun afweging. Bij een afweging om te renoveren of over te gaan tot nieuwbouw kunnen ze dus rekening houden met de toekomstige duurzaamheidseisen die onder meer in het Bbl worden opgenomen en die voortkomen uit de implementatie van Europese regelgeving. Een gemeente kan dan zelf bezien of het kostenefficiënter is om kleine tussenstappen te nemen of meteen naar het niveau van ZEB bestaande bouw te renoveren en daarbij mogelijk ook overige technische staat van het bouwwerk aan te pakken of om nieuwbouw te plegen.
De duurzaamheidseisen die voortkomen uit de implementatie van de EPBD IV worden onder meer vastgelegd in het Bbl. De EPBD IV wordt in een aantal tranches geïmplementeerd12. Voor deze tranches wordt een lastendruktoets uitgevoerd.
Deze leden constateren voorts dat verduurzaming van schoolgebouwen kostbaar is voor gemeenten en scholen en dat de benodigde middelen hiervoor vaak niet of nauwelijks beschikbaar zijn. Daarbij bestaat de mogelijkheid verder te gaan dan de BENG-eis en volledig energieneutraal te bouwen. Hoe wenselijk acht de regering deze stap? In hoeverre biedt dit wetsvoorstel scholen en gemeenten ruimte om de technische levensduur van gebouwen te verlengen tot bijvoorbeeld zestig jaar? Acht de regering dit gerechtvaardigd, zodat de investering in een volledig energieneutraal gebouw over een langere periode kan worden afgeschreven? Hoe reflecteert de regering hierop vanuit het oogpunt van de uitvoerbaarheid van deze wet en de duurzaamheidsdoelstellingen?
Leerlingen en docenten verdienen een goed en gezond schoolgebouw. In het kader van de EPDB IV wordt het niveau voor emissievrij gebouw – ZEB – voor nieuwbouw uitgewerkt in het Bbl. Voor nieuwbouw van scholen gaat deze ZEB-eis vanaf 2030 gelden. Het Bbl bevat minimumeisen; het is altijd toegestaan om een hoger kwaliteitsniveau te realiseren dan op grond van dit besluit minimaal vereist is. Een deel van de bestaande schoolgebouwen zal al aan de minimum energieprestatie-eisen van de EPBD IV voldoen. Hoewel dit niet verplicht is vindt de regering het verstandig als gemeenten en schoolbesturen rekening houden met het ZEB-niveau, zodra dit is vastgesteld, bij het realiseren van nieuwbouw.
Waar het gaat om levensduur moet de technische levensduur van een gebouw onderscheiden worden van de economische levensduur. De technische levensduur ziet op de levensduur van de afzonderlijke bouwelementen. Hierbij heeft een fundering doorgaans een langere levensduur dan bijvoorbeeld kozijnen of toiletgroepen die eerder vervangen moeten worden. De MJOP-verplichting voorziet in het krijgen van inzicht in deze technische levensduur. Daarbij kan het zo zijn dat duurzame materiaalkeuzes leiden tot een langere levensduur van gebouwelementen.
De periode waarin een schoolgebouw wordt afgeschreven noemt men de economische levensduur. De regering acht het gerechtvaardigd dat circulair gebouwde scholen, waarbij producten en materialen zo worden ontworpen dat ze hun waarde behouden en afval wordt geminimaliseerd, ook op papier financieel aantrekkelijk zijn. Daarom is binnen het POHV een circulaire restwaarde methodiek ontwikkeld die gemeenten daarbij ondersteunt. Deze methode wordt erkend door de commissie BBV13.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering vanuit het subsidiariteitsbeginsel de noodzaak te onderbouwen van landelijke verplichtingen voor gemeenten en scholen en toelichten hoe deze bijdragen aan de uitvoering van de huisvestingsdoelen?
De regering bevestigt dat onderwijshuisvesting een decentrale taak is van gemeenten en dat gemeenten zoveel mogelijk vrijheid moeten krijgen bij het uitvoeren van deze taak. De verplichting om een IHP op te stellen betreft enerzijds een nadere inkadering van de bestaande verantwoordelijkheid van gemeenten voor voorzieningen in de onderwijshuisvesting, anderzijds betreft het een uitbreiding van die taak door de (benodigde) professionalisering die het opstellen van het in het wetsvoorstel voorgestelde verplichte IHP vereist.
Het is wenselijk dat gemeenten de huidige schoolgebouwenvoorraad in hun eigen gemeente in kaart brengen door elk gebouw te beschrijven en dat een gezamenlijke strategische en integrale aanpak voor het onderwijsvastgoed door schoolbesturen en gemeenten wordt bevorderd. De regering acht deze uitbeiding en professionalisering noodzakelijk om de werking van het stelsel van onderwijshuisvesting te verbeteren.
Tot slot vragen deze leden de regering naar het multifunctioneel gebruik van onderwijsgebouwen. In hoeverre verplicht dit wetsvoorstel gemeenten en scholen aan te geven of sprake is van multifunctioneel gebruik? Op welke wijze is de regering voornemens deze gegevens te gebruiken bij de uitvoering van deze wet?
Het wetsvoorstel geeft gemeenten de ruimte om multifunctioneel gebruik te beschrijven, maar het is geen verplicht onderdeel. De regering kan deze gegevens, voor zover in de IHP’s aanwezig, vernemen via de IHP’s die via DUO naar de Minister worden gestuurd. Multifunctioneel gebruik in kaart brengen valt niet binnen het doel van het wetsvoorstel.
Vragen van de leden van de fractie van de ChristenUnie
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de regering voornemens is verdere uitvoering te geven aan de maatregelen die voortvloeien uit het Interdepartementaal Beleidsonderzoek Onderwijshuisvesting, waarvan dit wetsvoorstel onderdeel uitmaakt?
Het IBO beschrijft een aanpak voor de knelpunten omtrent onderwijshuisvesting in vier pakketten. Deze pakketten sluiten elkaar niet uit en kunnen (op elementen) onderling worden gecombineerd. Er zijn wel afhankelijkheden. Pakket 1 «de basis op orde» dient als fundament voor een verbeterd stelsel. Het wetsvoorstel maakt hier onderdeel van uit. De regering werkt naast de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel aan een brede aanpak van de opgave ten aanzien van onderwijshuisvesting, bijvoorbeeld binnen het Programma Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting. Met het Programma Onderwijshuisvesting wordt een integrale aanpak ontwikkeld, waarmee de versnelling van het vervangen van en kwalitatieve verbetering van de (verouderde) onderwijshuisvestingsvoorraad gerealiseerd kan worden. In het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting innoveren we op de in het Programma Onderwijshuisvesting ontwikkelde standaarden, die bij bewezen effectiviteit voor iedereen beschikbaar komen.
Pakket 2 «het aanpakken van de verouderde voorraad» is noodzakelijk om de wijzigingen in de laatste twee pakketten te laten functioneren. Het probleem van de verouderde voorraad is namelijk niet direct opgelost als andere knelpunten worden aangepakt.
De laatste twee pakketten 3 «budgetten stroomlijnen» en 4 «bouwcatalogus» bevatten aanbevelingen voor verbetering of herziening van het stelsel. De regering richt zich op dit moment op de uitvoering van het eerste pakket «de basis op orde», waar dit wetsvoorstel en het Programma Onderwijshuisvesting onderdeel van zijn. Voor de langetermijnopgave, waarvan de aanpak van de verouderde voorraad onderdeel is, zijn volgens het IBO aanvullende middelen nodig. Door scherpe keuzes die dit kabinet heeft moeten maken zijn deze middelen nu niet beschikbaar.
Met dit wetsvoorstel wordt het mogelijk voor schoolbesturen om overschotten op hun lumpsumbekostiging te gebruiken voor investeringen in onderwijshuisvesting. Hoe voorkomt de regering dat deze investeringen ten koste gaan van de onderwijskwaliteit? Met andere woorden: hoe borgt de regering dat deze investeringen daadwerkelijk worden gedaan met overschotten en niet met middelen die beter een andere bestemming hadden kunnen of moeten krijgen? Worden hierover met schoolbesturen en/of onderwijskoepels concrete afspraken gemaakt?
Schoolbesturen zijn vrij hun bekostiging te besteden naar eigen inzicht, maar moeten daarbij wel zorgen voor goede onderwijskwaliteit. Schoolbesturen zijn wettelijk verplicht te voldoen aan de deugdelijkheidseisen in de sectorwetten en hun uitgaven moeten daartoe doelmatig zijn. De medezeggenschapsraad, de raad van toezicht en de Inspectie zien hierop toe. Ook op het feit of er overschotten worden besteed. Er worden geen aparte afspraken gemaakt met schoolbesturen of onderwijskoepels.
Heeft de regering overwogen schoolbesturen de ruimte te bieden de bedoelde overschotten aan te wenden voor andere doeleinden, zoals verbetering van de onderwijskwaliteit, aangezien het gemeentebestuur wettelijk verantwoordelijk is voor de onderwijshuisvesting en met dit wetsvoorstel een vermenging van verantwoordelijkheden zou kunnen ontstaan? De Afdeling advisering van de Raad van State merkte in dit verband op dat investeringen door een schoolbestuur «in de plaats kunnen gaan komen» van investeringen door het gemeentebestuur. Hoe beoordeelt de regering dit risico?
De geldende onderwijswetgeving maakt reeds mogelijk dat overschotten worden besteed aan de reguliere bestedingsdoelen, zoals basisvaardigheden, zolang dit doelmatig is. De regering acht het in het kader van dit wetvoorstel niet nodig daar iets in aan te passen. Zij heeft dit ook niet overwogen, omdat het wetsvoorstel is opgesteld vanuit het vertrekpunt het stelsel van onderwijshuisvesting te verbeteren.
De regering deelt de opvatting dat vermenging van verantwoordelijkheden zou kunnen ontstaan niet. Het wetsvoorstel voorziet juist in verduidelijking van de verdeling van verantwoordelijkheden van schoolbesturen en gemeenten, bijvoorbeeld door een definitie van renovatie, de wettelijke planverplichtingen en het verplicht overleg tussen schoolbesturen en gemeenten. De regering benadrukt daarbij dat de onderwijswetgeving geen ruimte biedt aan gemeenten om bij de toekenning van een voorziening de voorwaarde te stellen dat schoolbesturen zelf mee moeten betalen aan de voorziening. Het gaat bij investeringen door een schoolbestuur om een op lokaal niveau overeengekomen vrijwillige samenwerking in de financiering, die partijen kunnen vastleggen in het IHP. De huidige onderwijswetgeving bevat een procedure voor de aanvraag van en toekenning of afwijzing van voorzieningen in de onderwijshuisvesting met voldoende waarborgen voor schoolbesturen. De voorzieningen waar scholen recht op hebben, volgen uit de onderwijswetgeving. Het toekennen of afwijzen van een aanvraag voor een voorziening is een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen een schoolbestuur bezwaar kan maken en beroep kan instellen bij de bestuursrechter.
Daarnaast zijn er de mechanismen rondom verantwoording en (intern en extern) toezicht die kijken of een uitgave rechtmatig en doelmatig is. Schoolbesturen zijn vrij hun bekostiging te besteden naar eigen inzicht, maar moeten daarbij wel zorgen voor voldoende onderwijskwaliteit. De medezeggenschapsraad, de raad van toezicht en de Inspectie zien hierop toe.
In de door Parlement & Wetenschap uitgevoerde wetenschapstoets wordt gesteld dat het wetsvoorstel «ondoelmatig» zal zijn, omdat de maatregelen in het wetsvoorstel naar verwachting zullen bijdragen aan een toename van «bestuurlijke drukte», maar niet noodzakelijk bijdragen aan de oplossing voor het probleem.14 Kan de regering daarop reageren en toelichten waarom zij het wetsvoorstel desondanks doelmatig acht?
In de wetenschapstoets maken de onderzoekers de volgende opmerkingen ten aanzien van de doeltreffendheid en doelmatigheid van dit wetsvoorstel.
Zij geven aan dat het wetsvoorstel voorbijgaat aan de grote diversiteit die bestaat in huisvestingsportefeuilles bij gemeenten en schoolbesturen. De regering onderschrijft de gesignaleerde diversiteit en is van mening dat IHP’s juist bijdragen aan een integrale aanpak van diverse huisvestingportefeuilles omdat een IHP gemeenten meer inzicht geeft in die diversiteit. Dit stimuleert gemeenten om integrale keuzes te maken.
Daarnaast vinden de onderzoekers het niet duidelijk of er een relatie gelegd wordt tussen de MJOP’s en Richtlijn jaarverslaglegging onderwijs (hierna: RJO). De regering weet dat een MJOP ook gebruikt wordt om de kosten van groot onderhoud aan gebouwen te verantwoorden. De RJO stelt regels aan de verantwoording van kosten en uitgaven door het schoolbestuur. De regering leest de opmerking in de wetenschapstoets zo dat gevraagd wordt naar een relatie tussen de MJOP’s en de RJO. De RJO stelt geen regels over het gebruik van of de inhoud van een MJOP. Het wetsvoorstel schrijft een MJOP met verplichte onderdelen voor. Het ligt voor de hand dat het schoolbestuur dit MJOP desgewenst gebruikt voor verantwoording van kosten, zoals zij nu ook doen. Daarmee raakt het wetsvoorstel niet direct aan de RJO.
Tot slot geven de onderzoekers aan dat de memorie van toelichting voorbij gaat aan het feit dat er een nieuwe school gestart kan worden in een gemeente en dat de gemeente dan moet voorzien in een gebouw voor die nieuwe school. De memorie van toelichting gaat hier in paragraaf 5.1.2 op in. Het is onderdeel van de decentrale taak van gemeenten om op dergelijke ontwikkelingen in te spelen. Het wetsvoorstel laat ruimte hiervoor door het college toe te staan van het IHP af te wijken bij de vaststelling van het programma.
In de bedoelde wetenschapstoets wordt ook geconcludeerd dat het probleem dat met dit wetsvoorstel geadresseerd wordt enkel op te lossen zou zijn als er een «systeemkeuze» gemaakt zou worden.15 Kan de regering toelichten of zij een dergelijke keuze heeft overwogen en uiteenzetten waarom een dergelijke keuze vooralsnog niet is gemaakt?
Het IBO beschrijft een aanpak voor de knelpunten omtrent onderwijshuisvesting in vier pakketten. De laatste twee pakketten (Budgetten stroomlijnen en Bouwcatalogus) bevatten aanbevelingen voor herziening van het stelsel, oftewel een «systeemkeuze». Specifiek wordt voorgesteld over te gaan tot het oormerken van middelen in combinatie met het beleggen van alle verantwoordelijkheden bij gemeenten. In het IBO wordt tevens geadviseerd om eerst het bestaande stelsel te optimaliseren, de pakketten 1 en 2 uit te voeren, alvorens eventuele stelselwijzigingen te overwegen. Het kabinet zet stappen in die lijn met dit wetsvoorstel planmatige aanpak onderwijshuisvesting. Daarnaast zetten we met het Programma Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma onderwijshuisvesting in op snellere, kostenefficiëntere en toekomstbestendige scholenbouw.
Uit de toelichting op het wetsvoorstel volgt dat het voorliggende voorstel niet bedoeld is als totaaloplossing voor de uitdagingen op het gebied van onderwijshuisvesting, maar als een eerste stap in die richting. Kan de regering aangeven welke andere concrete stappen momenteel worden voorbereid en welk tijdpad daaraan is gekoppeld?
De regering werkt naast de maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel aan een brede aanpak van de opgave ten aanzien van onderwijshuisvesting. Bijvoorbeeld binnen het Programma Onderwijshuisvesting en het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting. Met het Programma Onderwijshuisvesting wordt een integrale aanpak ontwikkeld, waarmee de versnelling van het vervangen van en kwalitatieve verbetering van de (verouderde) onderwijshuisvestingsvoorraad gerealiseerd kan worden. In het Innovatieprogramma Onderwijshuisvesting innoveren we op de in het Programma Onderwijshuisvesting ontwikkelde standaarden, die bij bewezen effectiviteit voor iedereen beschikbaar komen. Dit wetsvoorstel maakt integraal onderdeel uit van deze aanpak.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen
Kamerstukken I 36 692, A, artikel I onderdeel E, artikel II onderdeel E, artikel III onderdeel H en artikel IV onderdeel E.
Parlement & Wetenschap, Wetenschapstoets Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting, 26 maart 2025, zie https://parlementenwetenschap.nl/wp-content/uploads/2025/04/260326-Wetenschapstoets_planmatige_aanpak_onderwijshuisvesting.pdf.
Verdiepend onderzoek gebouwtypen en ventilatiesystemen van Kenniscentrum Ruimte-Ok van 19 augustus 2021, p. 6
Voor gemeenten en provincies is de regelgeving omtrent het opstellen van begrotings- en verantwoordingsstukken vastgelegd in het Besluit begroting en verantwoording (BBV). In het BBV is opgenomen dat er een commissie is met als taak zorg te dragen voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het BBV.
Parlement & Wetenschap, Wetenschapstoets Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting, 26 maart 2025, zie https://parlementenwetenschap.nl/wp-content/uploads/2025/04/260326-Wetenschapstoets_planmatige_aanpak_onderwijshuisvesting.pdf, p. 5.
Parlement & Wetenschap, Wetenschapstoets Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting, 26 maart 2025, zie https://parlementenwetenschap.nl/wp-content/uploads/2025/04/260326-Wetenschapstoets_planmatige_aanpak_onderwijshuisvesting.pdf, p. 6.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36692-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.