Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36688-(R2205) nr. A |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36688-(R2205) nr. A |
Vastgesteld 14 juli 2026
Inleiding
De commissie voor Justitie en Veiligheid heeft met belangstelling kennisgenomen van het voorstel van rijkswet tot goedkeuring van het op 18 december 2023 te Rabat tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering (Trb. 2024, 1) (hierna: het Verdrag).
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben naar aanleiding daarvan – mede namens de leden van de fractie van D66, PvdD en ChristenUnie - enkele opmerkingen en vragen aan de regering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA, mede namens de leden van de fracties van D66, PvdD en ChristenUnie
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, PvdD en de ChristenUnie onderschrijven het doel van het Verdrag maar hebben daarover een aantal vragen.
Artikel 10 lid 1 van de Uitleveringswet bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van «Onze Minister» een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op een andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige overtuiging, levensbeschouwelijke overtuiging, politieke overtuiging, nationaliteit, ras en de groep van de bevolking waartoe iemand behoort. Artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan indien de aangezochte Partij ernstige redenen heeft aan te nemen dat het verzoek tot uitlevering op grond van een naar gemeen recht strafbaar feit is gedaan met de bedoeling de persoon te vervolgen of te bestraffen op grond van ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed. De gronden «levensbeschouwelijke overtuiging» en «groep van de bevolking» van artikel 10 lid 1 van de Uitleveringswet ontbreken in artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag. Voorts spreekt artikel 10 lid 1 van de Uitleveringswet over «gegrond vermoeden» terwijl het artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag spreekt over «ernstige redenen». Deze discrepanties tussen de tekst van de Uitleveringswet en het Verdrag geven deze leden aanleiding tot het stellen van de volgende vragen:
Kan de regering uiteenzetten waarom de gronden van artikel 10 lid 1 van de Uitleveringswet niet onverkort zijn opgenomen in artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag? Is dit expliciet in de onderhandelingen aan de orde geweest?
Zien deze leden het goed dat bij een discrepantie tussen de tekst van dit verdrag en de tekst van de Uitleveringswet, de tekst van het Verdrag als lex specialis voorgaat?
Kan de regering uiteenzetten hoe de regering garandeert dat personen die op levensbeschouwelijke gronden of vanwege hun groepsidentiteit (dreigen te) worden vervolgd toch beschermd zijn? Functioneert de Uitleveringswet daarbij als ondergrens?
Artikel 10 lid 1 Uitleveringswet spreekt van een «gegrond vermoeden» in geval waarvan geen uitlevering wordt toegestaan, een betrekkelijk lage drempel, aldus deze leden. Artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag vereist «ernstige redenen» om aan te nemen een van die gronden aanwezig is. Dat lijkt naar het oordeel van deze leden een hogere drempel. Is de regering dat met deze leden eens?
Kan de regering toelichten waarom is gekozen voor deze hogere drempel in het Verdrag, en welke consequenties dit heeft voor personen die bescherming zoeken maar niet aan die hogere drempel kunnen voldoen?
De in de Tweede Kamer aangenomen motie-Mohandis2 verzoekt de regering om bij een uitleveringsverzoek waarbij er aanwijzingen zijn dat er ook sprake kan zijn van vervolging om politieke redenen, niet uit te leveren. Deze leden ondersteunen de strekking van deze motie van harte. De motie spreekt over «aanwijzingen» waar de Uitleveringswet en het Verdrag spreken over respectievelijk «gegrond vermoeden» en »ernstige redenen». Hoe verhoudt de regering zich tot deze drie verschillende drempels? Welke drempel is in de praktijk leidend bij een concreet uitleveringsverzoek?
Op welke manier gaat de regering invulling geven aan artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag en de motie-Mohandis? Graag een toelichting wanneer er sprake is van «ernstige redenen» en van «aanwijzingen». Op welke informatie, bijvoorbeeld op VN-mensenrechtenrapportages, rapportages van NGO’s e.d., baseert de regering zich bij de beoordeling hiervan?
Kan de regering in haar antwoord ten aanzien van de uitvoering van de motie-Mohandis het feit betrekken dat het Verdrag een overeenkomst is tussen twee landen en anders dan in het geval van nationale wetgeving mogelijk niet eenzijdig kan worden aangepast c.q. anders worden uitgelegd? Is in de onderhandelingen met Marokko wellicht de term «ernstige redenen» zodanig uitgelegd dat daarvan ook al sprake kan zijn bij «aanwijzingen»?
Noch de Uitleveringswet noch het Verdrag noemt seksuele geaardheid expliciet als beschermde grond, terwijl homoseksualiteit in Marokko strafbaar is. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken waarschuwt hiervoor in het reisadvies ter zake van Marokko door op de website te vermelden: «Bent u een lhbtiq+ persoon? En wilt u naar Marokko reizen? U kunt daar te maken krijgen met strenge straffen. Op seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht staat een gevangenisstraf van maximaal 3 jaar». Het beginsel van dubbele strafbaarheid zal uitlevering wegens homoseksualiteit uitsluiten, maar deze leden hebben wel zorgen over wat er na uitlevering kan gebeuren en hebben daarom de navolgende vragen:
Waarom heeft de regering niet ervoor gekozen om, gelet op de strafbaarheid van homoseksualiteit in Marokko en de daaraan verbonden risico’s, seksuele geaardheid als grond op te nemen in artikel 3 lid 1 onder b teneinde te voorkomen dat iemand weliswaar niet vervolgd maar wel «gestraft of op een andere wijze getroffen (wordt) in verband met zijn» homoseksualiteit (analoog aan artikel 10 lid 1 van de Uitleveringswet)?
Hoe voorkomt de regering dat iemand wordt uitgeleverd voor een ander strafbaar feit maar vervolgens ook wordt vervolgd en gestraft vanwege homoseksualiteit? Heeft de regering op dit punt garanties gevraagd en gekregen van de regering van Marokko? Zo nee waarom niet, zo ja hoe luiden die en zijn die afdoende?
Artikel 3 en artikel 8 EVRM verplichten Nederland om uitlevering te weigeren indien er een reëel risico bestaat op onmenselijke behandeling of ernstige schending van het privéleven na uitlevering. Op welke wijze wordt bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek structureel nagegaan of de betrokken persoon na uitlevering risico loopt vanwege diens seksuele geaardheid, ook als die geaardheid geen onderdeel vormt van of rol speelt in het uitleveringsverzoek zelf?
De Minister heeft in de Tweede Kamer op vragen over dit onderwerp het volgende geantwoord: «Een uitleveringsverzoek waarin dit aan de orde zou zijn, kan worden geweigerd op basis van humanitaire overwegingen. Ik verwijs naar artikel 3, tweede lid onder e. Als voorbeeld noemt het verdrag de leeftijd en de gezondheid van de opgeëiste persoon, maar dat is geen limitatieve opsomming. Hier zou je ook discriminatie vanwege seksuele geaardheid onder kunnen vatten».3 Artikel 3 lid 2 onder e bepaalt evenwel dat uitlevering geweigerd kan worden indien de aangezochte staat, de aard van het strafbare feit en de belangen van de verzoekende staat in aanmerking nemend, van oordeel is dat de uitlevering van de opgeëiste persoon onverenigbaar is met humanitaire overwegingen, in het bijzonder gelet op de leeftijd of de gezondheid van die persoon. Kan de regering toelichten hoe zij, gelet op de tekst van dit artikellid, meent dat een weigering op grond van geaardheid op basis van dit artikel kan plaatsvinden, nu dit artikel dit slechts toestaat «indien de aangezochte staat, de aard van het strafbare feit en de belangen van de verzoekende staat in aanmerking nemend» tot het oordeel komt dat uitlevering onverenigbaar is met humanitaire overwegingen? Is de regering met deze leden van mening dat dit artikellid daarmee een afwegingskader behelst waarin het risico op discriminatie of vervolging vanwege seksuele geaardheid moet worden afgewogen tegen de ernst van het strafbare feit en de belangen van Marokko bij uitlevering, in plaats van een onvoorwaardelijke weigeringsgrond zoals artikel 3 lid 1 onder b van het Verdrag en artikel 10 van de Uitleveringswet die kennen voor vergelijkbare discriminatiegronden? Zien de leden het goed dat in de heersende systematiek van uitleveringsverdragen seksuele geaardheid valt onder de discriminatiegronden, en niet onder de humanitaire gronden (die zien op omstandigheden van de persoon zoals leeftijd en ziekte)? Indien de regering deze vraag niet bevestigend beantwoordt, kan de regering haar standpunt onderbouwen met literatuur en jurisprudentie waarmee dat wordt ondersteund?
Artikel 5 van het Verdrag bepaalt dat indien op het feit waarvoor uitlevering wordt verzocht krachtens het recht van de verzoekende Partij de doodstraf is gesteld, die straf krachtens dit Verdrag van rechtswege wordt vervangen door de straf voor dezelfde feiten naar het recht van de aangezochte Partij. Deze bepaling geeft deze leden aanleiding tot de volgende vragen:
Zien deze leden het goed dat de in artikel 5 van het Verdrag neergelegde vervanging van de doodstraf door «de straf voor dezelfde feiten naar het recht van de aangezochte Partij» in de praktijk mogelijk kan leiden tot een levenslange gevangenisstraf naar Nederlands recht?
Is de regering van mening dat deze vervangende straf zonder nadere waarborgen zal voldoen aan de eisen die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in Vinter e.a. t. Verenigd Koninkrijk (2013) en, specifiek ten aanzien van Nederland, in Murray t. Nederland (2016) stelt aan de «reducibility» van een levenslange straf?
Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de Nederlandse herbeoordelingsprocedure voor levenslanggestraften4 daadwerkelijk en onvoorwaardelijk van toepassing zal zijn op personen die op grond van dit Verdrag worden uitgeleverd?
Deelt de regering de opvatting van deze leden dat een automatische, generieke verwijzing naar «het recht van de aangezochte Partij» onvoldoende is om te voldoen aan de door het EHRM vereiste concrete en individuele garantie tegen een onmenselijke of vernederende bestraffing, zoals onder meer geformuleerd in de uitleveringsjurisprudentie inzake artikel 3 EVRM? Zo ja, hoe gaat de regering garanderen dat uitlevering plaatsvindt conform de jurisprudentie van het EHRM en zo nee, waarom niet?
Heeft de regering of – indien dat niet het geval is – is de regering bereid de reikwijdte van de herbeoordelingsgarantie expliciet in afspraken met Marokko vast te leggen teneinde daarmee te voldoen aan het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM op dit punt?
Kan de regering bevestigen dat uitlevering niet zal plaatsvinden als er mogelijk sprake is van levenslange gevangenisstraf zonder zicht op vrijlating als bedoeld in de genoemde EHRM-jurisprudentie?
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het verslag graag uiterlijk 28 augustus 2026.
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Dittrich
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Plenaire behandeling Tweede Kamer, 28 mei 2026, p. 30, te raadplegen op: Eerste Kamer der Staten-Generaal
Besluit adviescollege levenslanggestraften, te raadplegen op: wetten.nl – Regeling – Besluit Adviescollege levenslanggestraften – BWBR0038779.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36688-A.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.