36 677 Wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT1

Vastgesteld 7 juli 2026

Inleiding

De leden van de fracties van de BBB, D66, CDA, PVV, SP en Fractie-Visseren-Hamakers gezamenlijk, ChristenUnie, JA21, Volt, SGP en Fractie-Walenkamp hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake de wijziging van de Embryowet naar aanleiding van de derde wetsevaluatie. Naar aanleiding hiervan wensen zij de regering diverse vragen en opmerkingen voor te leggen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de fractie van de BBB hebben met grote belangstelling en zorgvuldigheid kennisgenomen van de voorgestelde wijziging van de Embryowet. De huidige wet is in 2002 in werking getreden. Deze leden achten het wenselijk dat de wet naar aanleiding van de evaluatie uit 2021 wordt aangepast.

Op advies van de Gezondheidsraad neemt met deze wijziging de reikwijdte van de wet toe, omdat de wetgeving ook zal gelden voor embryo-like-structures (ELS). Aan een ander advies van de Gezondheidsraad, namelijk het opschuiven van de ontwikkelgrens, is in dit wetsvoorstel geen gevolg gegeven.2

De leden van de fractie van de BBB hebben zich verdiept in de reacties van deskundigen en onderzoekers, maar ook in de reacties van burgers. Daaruit blijkt dat sommigen de wetswijziging als een verruiming beschouwen, terwijl anderen de wijziging juist als een inperking zien. De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat deze wetswijziging zich dat, met het oog op de gevoeligheid en de complexiteit van het onderwerp, niet kan permitteren. Het zou voor eenieder duidelijk en eenduidig moeten zijn wat deze wetswijziging betekent en wat de regering met deze wetswijziging beoogt.

Daarom hebben deze leden één eenvoudige vraag, waarop zij graag een eenvoudig en concreet antwoord van de regering ontvangen. Gaat deze wetswijziging volgens de regering de boeken en de geschiedenis in als een verruiming van de bestaande embryowetgeving, of juist als een inperking daarvan?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 constateren dat de regering expliciet heeft besloten niet alle aanbevelingen uit de derde wetsevaluatie over te nemen.3 Kan de regering nader toelichten waarom zij ervoor heeft gekozen een aantal aanbevelingen niet over te nemen?

Hoe heeft de regering bij deze afweging het belang van de medisch-wetenschappelijke vooruitgang betrokken, in het bijzonder op het terrein van vruchtbaarheid, erfelijke aandoeningen en de vroege embryonale ontwikkeling?

De regering stelt dat bij dit wetsvoorstel «in bepaalde mate» rekening is gehouden met toekomstige ontwikkelingen, maar dat anticiperen op toekomstige ontwikkelingen grenzen kent.4 Acht de regering het risico aanwezig dat deze wetswijziging op korte termijn wederom achterhaald raakt door nieuwe ontwikkelingen in de medische wetenschap?

De leden van de D66-fractie merken op dat onderzoekstrajecten in de biomedische wetenschap vaak een lange adem vergen en gebaat zijn bij stabiele en voorspelbare regelgeving. Hoe weegt de regering het belang van rechtszekerheid en continuïteit voor onderzoekers bij de vormgeving van het wettelijke kader, en acht zij het voorgestelde kader voldoende toekomstbestendig om wetenschappelijk onderzoek op de langere termijn te faciliteren?

Kan de regering aangeven op welke wijze zij de ontwikkelingen rond embryomodellen en andere relevante biomedische technologieën structureel zal monitoren, zodat toekomstige aanpassingen van het wettelijke kader tijdiger kunnen plaatsvinden?

Verwacht de regering dat de nieuwe definities en afbakeningen in de praktijk voldoende duidelijkheid bieden om juridische onzekerheid en terughoudendheid bij wetenschappelijk onderzoek te voorkomen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

  • 1. De regering geeft aan dat de meeste embryomodellen die op dit moment tot stand (kunnen) worden gebracht, geen intact «klassiek» embryo nabootsen. Dergelijke entiteiten vallen dan ook niet onder de voorgestelde juridische definitie van een embryo en onderzoek met deze embryomodellen behoeft daarom niet door de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) te worden getoetst. Wat is de urgentie van het op dit moment uitbreiden van de definitie van een embryo met embryo-like structures (ELS) die een volledig embryo nabootsen? Of wordt deze uitbreiding alleen voorgesteld ter voorkoming van mogelijke ongewenste toekomstige ontwikkelingen?

  • 2. Volgens de memorie van toelichting ligt onderzoek met ELS die een klassiek embryo nabootsen ethisch minder gevoelig dan onderzoek met klassieke embryo’s en zijn ELS juist daarom geschikt voor wetenschappelijk onderzoek.5 Er zijn echter ook anderen die betogen dat ELS meer bescherming verdienen, omdat zij alleen met de intentie voor wetenschappelijk onderzoek tot stand worden gebracht en daarna worden vernietigd. Hoe ziet de regering het verschil in beschermwaardigheid tussen beide soorten, als ook ELS die een klassiek embryo nabootsen als embryo’s worden gekwalificeerd?

  • 3. Het aan de Eerste Kamer voorgelegde initiatiefwetsvoorstel van de leden Paternotte en Bevers, «Wijzigingswet afschaffing verbod op het doen ontstaan van embryo's»6, heeft als doel om het door de wetgever als tijdelijk bedoelde verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor onderzoek op te heffen.7 In de Memorie van toelichting van het voorliggende wetsvoorstel lezen de leden van de fractie van het CDA dat als gevolg van het aanpassen van de definitie van embryo voor onderzoek met ELS, voor zover deze een intact «klassiek» embryo nabootsen, dezelfde regels zullen gaan gelden als voor onderzoek met embryo’s, met uitzondering van het verbod op het speciaal kweken voor onderzoeksdoeleinden.8 Wat is de samenloop van beide wetsvoorstellen? Betekent dit bijvoorbeeld dat onderzoek met ELS, indien het initiatiefwetsvoorstel door de Eerste Kamer wordt aangenomen, feitelijk niet meer noodzakelijk zal zijn, omdat dan «klassieke embryo’s» gemakkelijker voor hetzelfde doel beschikbaar zijn?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

  • 1. Op basis van welke objectiveerbare criteria wordt vastgesteld of «redelijkerwijs verwacht kan worden» dat een ELS dezelfde essentiële functies ontwikkelt als een klassiek embryo, en wie toetst dit voor aanvang van het onderzoek?9

  • 2. Welke gevolgen heeft het wetsvoorstel voor ELS die pas ná de gastrulatie zouden afwijken van een klassiek embryo, gegeven dat dit vanwege de veertiendagengrens nu nog niet kan worden vastgesteld?10

  • 3. Wie stelt de geschatte ontwikkelingsleeftijd van een ELS bij aanvang van een experiment vast, op basis van welke methode, en welke consequenties zijn voorzien bij een onjuiste schatting?11

  • 4. Is er een tijdpad voor besluitvorming over het advies van de Gezondheidsraad om de ontwikkelgrens te verschuiven naar 28 dagen, en via welk wetgevingstraject zal dit worden geregeld?12

  • 5. Hoeveel CCMO-beoordelingen van onderzoeksprotocollen met ELS worden jaarlijks verwacht en is de huidige capaciteit van de CCMO daarop toegerust?13

  • 6. Welk wettelijk kader reguleert hiPSC-chimaeren (mens-in-dier) op het moment dat dit wetsvoorstel in werking treedt, gegeven dat de memorie van toelichting verwijst naar regulering «op andere wijze», zonder dat die al van kracht is?14

  • 7. Op welke termijn voorziet de regering inwerkingtreding van de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal,15 en welk regime geldt voor cybriden in de periode waarin de wijziging van de Embryowet al in werking is getreden, maar de Wet zeggenschap lichaamsmateriaal nog niet?16

  • 8. Is het in artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde convenant tussen de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en het Openbaar Ministerie over de afstemming tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving al opgesteld en, zo niet, wanneer wordt dit verwacht?17

  • 9. Heeft de regering in kaart gebracht hoe onderzoek met ELS in landen als het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Japan wettelijk is gereguleerd, en welke risico’s op verschuiving van onderzoek worden voorzien?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP en de Fractie-Visseren-Hamakers gezamenlijk

Toekomstbestendigheid van de wet

  • 1. De leden van de fractie van de SP en de Fractie-Visseren-Hamakers constateren dat de voorgestelde wetswijziging voortkomt uit nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen die ten tijde van de totstandkoming van de Embryowet nog niet voorzienbaar waren. Kan de regering aangeven of zij verwacht dat de voorgestelde wijzigingen voor langere tijd voldoende duidelijkheid bieden, of dat verdere aanpassingen van de Embryowet op afzienbare termijn waarschijnlijk zijn? Op basis van welke ontwikkelingen maakt de regering die inschatting? En wat doet de regering om deze ontwikkelingen bij te benen?

Publieke regie, commercialisering en internationale context

  • 2. De leden van de SP-fractie en de Fractie-Visseren-Hamakers onderschrijven het belang van wetenschappelijk onderzoek dat kan bijdragen aan betere IVF-zorg, meer kennis over miskramen en aangeboren aandoeningen en mogelijk nieuwe medische toepassingen. Tegelijkertijd constateren deze leden dat internationaal steeds meer private ondernemingen en investeerders actief zijn op het terrein van embryo- en genetische technologie, waarbij in sommige gevallen sprake is van financiering door vermogende private investeerders.18, 19, 20 Hoe beoordeelt de regering deze ontwikkeling en welke lessen trekt zij daaruit voor het Nederlandse beleid?

  • 3. Welke waarborgen bestaan om te voorkomen dat kennis, technologieën en toepassingen die voortkomen uit onderzoek met ELS in overwegende mate worden gestuurd door commerciële belangen?

  • 4. Hoe wordt gewaarborgd dat de maatschappelijke opbrengsten van onderzoek met ELS breed toegankelijk blijven voor patiënten en de samenleving en niet uitsluitend ten goede komen aan partijen die over de benodigde financiële middelen beschikken?

  • 5. De leden van de fractie van de SP en de Fractie-Visseren-Hamakers constateren dat landen verschillende ethische en juridische grenzen hanteren ten aanzien van embryo- en voortplantingstechnologie.21 Kan de regering toelichten in hoeverre kennis, technieken of onderzoeksresultaten die binnen het Nederlandse wettelijke kader worden ontwikkeld, kunnen worden ingezet voor toepassingen die in Nederland niet zijn toegestaan, maar elders wel? Acht de regering aanvullende waarborgen wenselijk? Welke mogelijkheden ziet de regering om publieke en ethische randvoorwaarden ook in een internationale context te beschermen?

Maatschappelijke dialoog over de veertiendagengrens

  • 6. De leden van de SP-fractie en de Fractie-Visseren-Hamakers constateren dat de Gezondheidsraad heeft geadviseerd om de huidige veertiendagengrens in de Embryowet te verruimen naar 28 dagen en dat de regering hierover eerst een maatschappelijke dialoog wil organiseren. Voornoemde leden vinden het van belang dat dit op een zorgvuldige manier gebeurt, waarbij het voor de maatschappij duidelijk is wat er van haar gevraagd kan worden. Kan de regering nader toelichten welk doel deze dialoog heeft? Is het doel maatschappelijke opvattingen in kaart te brengen, draagvlak te peilen of tot beleidsaanpassingen te komen?

  • 7. Hoe wordt gewaarborgd dat deelnemers aan de maatschappelijke dialoog beschikken over toegankelijke, evenwichtige en wetenschappelijk onderbouwde informatie over embryo-onderzoek en de mogelijke gevolgen van een verruiming van de veertiendagengrens?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

  • 1. Met het voorliggende wetsvoorstel wordt het mogelijk om zogenoemde «embryoachtige structuren» (ELS) te creëren met het doel deze te gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek. Bij de Eerste Kamer is momenteel ook het initiatiefvoorstel «Wijzigingswet afschaffing verbod op het doen ontstaan van embryo's» van de leden Paternotte en Bevers aanhangig.22 Kan de regering de leden van de fractie van de ChristenUnie toelichten in welke gevallen en onder welke voorwaarden het creëren van embryo’s zal zijn toegestaan als beide voorstellen tot wet zouden worden verheven?

  • 2. Deze leden lezen in de memorie van toelichting dat wetenschappelijk onderzoek met tot stand gebrachte embryo’s niet is toegestaan bij «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s en embryo’s die zijn ontstaan door celkerntransplantatie of in vitro gametogenese (IVG).23 Klopt het dat dit verbod vervalt op het moment dat het initiatiefwetsvoorstel-Paternotte en Bevers door de Eerste Kamer zou worden aanvaard? En indien dat juist is, wat is het standpunt van de regering daaromtrent, gelet op het voorliggende wetsvoorstel?

  • 3. Om welke redenen stelt de regering voor om het verbod op het speciaal kweken van embryo’s op te heffen voor ELS, maar niet voor «klassiek» tot stand gebrachte embryo’s en embryo’s die zijn ontstaan door celkerntransplantatie of IVG?

  • 4. Op welke manier en op basis van welke criteria worden «intacte» embryo’s onderscheiden van embryo’s die niet «intact» zijn?

  • 5. Wie beslist of een embryo al dan niet «intact» is in de zin van de wet?

  • 6. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben grote moeite met het beschouwen en betitelen van menselijk leven in termen als «intact» of «niet-intact». Kan de regering op die zorg reflecteren en daarbij ingaan op de intrinsieke waarde van elk menselijk leven vanaf het prilste begin?

  • 7. Welke ELS worden momenteel gebruikt voor wetenschappelijk onderzoek? Zijn dit ook ELS die een «intact» embryo nabootsen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

  • 1. De regering stelt dat de voorgestelde verruiming van de definitie van wat een embryo is, bedoeld is om meer biologische entiteiten onder de bescherming van de Embryowet te brengen.24 De leden van de fractie van JA21 vragen of de regering concreet kan aangeven op welke punten embryo's door dit wetsvoorstel daadwerkelijk beter worden beschermd dan onder het huidige recht, en niet slechts anders worden gereguleerd.

  • 2. De regering brengt nieuwe typen embryoachtige entiteiten onder de Embryowet, terwijl een deel daarvan tegelijkertijd speciaal tot stand mag worden gebracht en mag worden gebruikt voor onderzoek. Hoe verhoudt deze verruiming van de onderzoeksmogelijkheden zich tot de stelling van de regering dat de beschermwaardigheid van het beginnende menselijk leven juist wordt versterkt?

  • 3. De regering heeft herhaaldelijk benadrukt dat de voorgestelde definitiewijziging noodzakelijk is om de balans tussen de beschermwaardigheid van het beginnende menselijk leven en de wetenschappelijke vooruitgang te bewaren.25 Kan de regering uiteenzetten op welke wijze die balans concreet wordt versterkt, nu de verruiming van de definitie samenvalt met een uitbreiding van de mogelijkheden voor onderzoek met embryo's en embryoachtige structuren?

  • 4. Indien de regering van oordeel is dat de bescherming van embryo's met dit wetsvoorstel daadwerkelijk wordt versterkt, welke normatieve betekenis kent zij dan nog toe aan het begrip «beschermwaardigheid»? Is beschermwaardigheid naar het oordeel van de regering primair een grond om onderzoek te begrenzen, of vooral een reden om nieuw onderzoek binnen een juridisch kader te brengen, vragen de leden van de JA21-fractie tot slot.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

De leden van de fractie van Volt onderschrijven het belang van een wettelijk kader dat ruimte biedt aan wetenschappelijke vooruitgang, terwijl tegelijkertijd fundamentele ethische grenzen worden bewaakt. De snelle ontwikkelingen binnen de stamcelbiologie en de voortplantingsgeneeskunde maken het noodzakelijk dat wetgeving voldoende duidelijkheid biedt aan onderzoekers, zorgverleners en toezichthouders. Deze leden hebben naar aanleiding van het wetsvoorstel nog enkele vragen.

De leden van de Volt-fractie constateren dat de regering het wetsvoorstel in belangrijke mate motiveert vanuit het belang van wetenschappelijke vooruitgang en het verkrijgen van nieuwe kennis over de vroege embryonale ontwikkeling. Deze leden merken op dat vruchtbaarheidsproblemen, miskramen, innestelingsproblemen en complicaties tijdens de vroege zwangerschap grote gevolgen hebben voor de gezondheid en het welzijn van vrouwen. Tegelijkertijd is de aandacht voor vrouwspecifieke gezondheidsvraagstukken binnen medisch onderzoek historisch gezien niet altijd vanzelfsprekend geweest.

De leden van de fractie van Volt vragen de regering daarom nader in te gaan op de betekenis van het wetsvoorstel voor vrouwengezondheid en reproductieve autonomie.

De regering noemt onder meer vruchtbaarheidsproblemen, erfelijke aandoeningen en verbetering van IVF-behandelingen als mogelijke opbrengsten van onderzoek met embryomodellen.26 Kan de regering toelichten welke concrete gezondheidswinst voor vrouwen zij op de middellange termijn verwacht als gevolg van de onderzoeken die met dit wetsvoorstel mogelijk worden gemaakt?

Kan de regering aangeven welke nieuwe inzichten in de oorzaken van miskramen, terugkerende miskramen en vroeg zwangerschapsverlies naar verwachting dankzij onderzoek met embryomodellen kunnen worden verkregen, die met de huidige onderzoeksmethoden niet of slechts beperkt bereikbaar zijn?

De leden van de Volt-fractie constateren dat aandoeningen zoals endometriose, implantatiefalen, onverklaarde onvruchtbaarheid en terugkerende miskramen nog altijd gepaard gaan met aanzienlijke kennishiaten. Heeft de regering onderzocht welke van deze kennishiaten mogelijk kunnen worden verkleind door onderzoek dat dankzij dit wetsvoorstel wordt verruimd? Zo ja, tot welke bevindingen heeft dit geleid?

De regering noemt verbetering van IVF-behandelingen als mogelijke opbrengst van onderzoek met embryomodellen. Kan de regering toelichten in hoeverre zij verwacht dat de kennis die voortkomt uit dit onderzoek kan bijdragen aan:

  • • het verminderen van het aantal noodzakelijke IVF-pogingen;

  • • het verminderen van de hormonale en fysieke belasting van fertiliteitstrajecten voor vrouwen;

  • • het vergroten van de kans op een succesvolle zwangerschap per behandelcyclus?

Kan de regering reflecteren op de vraag in hoeverre verbeterde kennis over vruchtbaarheid, innesteling en vroege embryonale ontwikkeling kan bijdragen aan de reproductieve autonomie van vrouwen en hun mogelijkheden om geïnformeerde keuzes te maken rondom gezinsvorming?

De leden van de fractie van Volt constateren dat de memorie van toelichting het wetsvoorstel primair motiveert vanuit wetenschappelijke vooruitgang en verduidelijking van de regelgeving. Is de regering van oordeel dat verbetering van de vrouwengezondheid en de reproductieve zorg eveneens een zelfstandige rechtvaardiging vormt voor de verruiming van de onderzoeksmogelijkheden die met dit wetsvoorstel worden gecreëerd? Zo ja, waarom komt deze dimensie in de memorie van toelichting slechts beperkt aan bod?

Kan de regering aangeven hoe dit wetsvoorstel zich verhoudt tot de Europese inzet op het gebied van vrouwengezondheid en gendergelijkheid in medisch onderzoek? Acht de regering het wenselijk dat de bijdrage van embryologisch onderzoek aan vrouwengezondheid ook binnen Europese onderzoeksprogramma’s explicieter wordt geagendeerd?

Tot slot vragen de leden van de Volt-fractie of de regering bereid is om bij een volgende evaluatie van de Embryowet expliciet inzichtelijk te maken welke bijdrage onderzoek met embryomodellen heeft geleverd aan de vrouwengezondheid, de reproductieve geneeskunde, de vermindering van vruchtbaarheidsproblematiek en de verbetering van zwangerschapsuitkomsten.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

Uit de verschillende wetsevaluaties blijkt dat de reikwijdte van het begrip embryo, zoals dat in de Embryowet wordt gehanteerd, niet breed genoeg is. Zo wordt in de derde wetsevaluatie een definitie voorgesteld waarmee volgens de leden van de SGP-fractie het embryo gedurende alle stadia van de ontwikkeling tot aan de geboorte qua waarde gelijk wordt gesteld.27 Die definitie neemt volgens deze leden afscheid van de gedachte dat het embryo slechts de potentie tot menselijk leven heeft en zet de lijn in dat het embryo menselijk leven is vanaf het moment van de bevruchting.

  • 1. Herkent en onderschrijft de regering deze uitleg van de conclusies van de evaluaties en de voorgestelde nieuwe definitie?

Tegelijkertijd wordt aan het begrip embryo een nieuwe definitie toegevoegd, namelijk embryoachtige structuren (ELS) die op een andere wijze tot stand komen.

De leden van de SGP-fractie maken moreel onderscheid tussen mensen en dat wat geen mens is en zijn van mening dat aan mensen een bredere bescherming dient toe te komen dan aan datgene wat geen mens is. Volgens deze leden dient de beschermwaardigheid van «klassieke» embryo's daarom te verschillen van die van embryoachtige structuren.

Deze leden vrezen dat door de gelijkstelling van ELS aan embryo’s twee mogelijke ongewenste gevolgen kunnen optreden. Enerzijds kan aan ELS een dusdanige bescherming worden toegekend dat embryologisch onderzoek onevenredig wordt beperkt. Anderzijds kan de gelijkstelling de bescherming van embryo’s dusdanig verlagen dat ethisch betwistbaar onderzoek op mensen mogelijk wordt.

  • 2. Deelt de regering deze zorgen?

In de wet zijn vijf mogelijkheden opgenomen waarop een embryo tot stand kan komen. De vijfde mogelijkheid betreft een open einde-formulering en ziet op mogelijke toekomstige technologieën. Volgens deze leden zet dit de deur open voor technologieën die mogelijk onwenselijk zijn, maar waarvan nu reeds op voorhand is bepaald dat zij onder deze definitie vallen.

  • 3. Is het niet verstandiger en voorzichtiger om deze open einde-formulering te schrappen en, indien een dergelijke technologie zich ontwikkelt, op dat moment te overwegen of deze onder deze wet zou moeten vallen?

Uit de wetsevaluatie zou blijken dat de evaluatieonderzoekers vinden dat specifieke onderdelen van de Embryowet te veel bescherming biedt aan beginnend menselijk leven en te weinig rekening houden met andere belangen, zoals het kunnen uitvoeren van belangrijk wetenschappelijk onderzoek. In de memorie van toelichting wordt verwezen naar pagina’s 193 en 194 van de wetsevaluatie.28 Op pagina 194 staat echter vermeldt: «Zoals hieronder met betrekking tot de zes deelthema’s zal worden uiteengezet, lijkt de wet op sommige punten te veel, en op andere te weinig bescherming te bieden.» De leden van de fractie van de SGP merken op dat het dus niet zo is dat uit de wetsevaluatie slechts blijkt dat te veel bescherming wordt geboden, maar juist ook dat op sommige punten te weinig bescherming wordt geboden.

  • 4. Welke inspanningen levert de regering om de «klassieke» embryo’s beter te beschermen?

Een onderbouwing voor het afschaffen van het verbod op embryokweek is dat de maatschappelijke opvattingen daar niet onwelwillend tegenover zouden staan. Uit een bericht aan het parlement van het Rathenau Instituut van 3 september 2025 blijkt echter dat slechts 30,5% voorstander is van het opheffen van het verbod, 47,5% tegenstander is en 21,9% aangeeft het (nog) niet te weten.29

  • 5. Kan de regering toelichten hoe het maatschappelijk draagvlak voor de huidige ontwikkelingen, waaronder het afschaffen van het verbod op embryokweek en het gelijkstellen van ELS aan embryo's, in kaart is gebracht en welke conclusies zij daaruit trekt?

De voorgestelde definitie omvat meerdere entiteiten die als embryo moeten worden aangemerkt, zoals ELS die uit stamcellen zijn gekweekt en chimaeren waarbij menselijke en dierlijke cellen worden gecombineerd, maar waarbij het menselijke deel overheerst. De leden van de SGP-fractie constateren dat deze entiteiten daarmee gelijkwaardig worden gesteld aan mensen. Op dit moment kunnen vanuit stamcellen complete lichaamsdelen, zoals oren en neuzen, worden gekweekt. Hoewel deze lichaamsdelen qua structuur verschillen, zijn zij naar hun oorsprong vergelijkbaar met ELS, omdat zij op dezelfde wijze tot stand worden gebracht.

  • 6. Hoe waardeert de regering lichaamsdelen of organoïden die op dezelfde wijze tot stand worden gebracht als ELS? Dienen deze ook onder de definitie van embryo te vallen?

De leden van de fractie van de SGP zijn ermee bekend dat ELS minder sturing vergen dan organoïden en een meer zelforganiserend vermogen hebben, waarbij zij de ontwikkelstructuur van een embryo nabootsen. Naar het inzien van deze leden zijn ELS vanwege hun ontstaanswijze echter niet te onderscheiden van voornoemde organoïden.

  • 7. Rechtvaardigt dit naar het oordeel van de regering niet een volledig eigenstandige positie van het embryo als menselijke vrucht na de samensmelting van geslachtscellen, ten opzichte van organoïden en ELS die geen menselijke vrucht zijn?

  • 8. Ziet de regering een risico dat door het uitbreiden van de definitie van het embryo de bescherming van embryo’s juist wordt verlaagd, omdat wettelijk meer ruimte ontstaat voor onderzoek met andere entiteiten, welke ruimte vervolgens ook voor embryo’s gaat gelden, terwijl dit voorheen niet het geval was?

Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Walenkamp

Onderzoek met embryo-like structures (ELS) versus reeds bestaande (onderzoeks)embryo's

Het lid van de Fractie-Walenkamp heeft nog enkele vragen over de verhouding tussen onderzoek met ELS en onderzoek met bestaande embryo's.

  • 1. Erkent de regering dat ELS steeds moeten worden gevalideerd aan de hand van natuurlijke embryo's en dat onderzoek met natuurlijke embryo's daardoor noodzakelijk blijft?30

  • 2. Indien natuurlijke embryo's noodzakelijk blijven als referentiemateriaal, waarom wordt dan niet eerst ingezet op een betere benutting van bestaande IVF-embryo's?

  • 3. Waarom acht de regering het ethisch aanvaardbaar om nieuwe embryoachtige structuren te creëren voor onderzoek, terwijl reeds bestaande embryo's ongebruikt worden vernietigd?

  • 4. Kan de regering toelichten waarom zij een nieuwe categorie onderzoeksmateriaal stimuleert, terwijl de huidige regelgeving ertoe leidt dat duizenden potentieel waardevolle IVF-embryo's verloren gaan voor wetenschappelijk onderzoek?

ELS: blastoïden, gastruloïden en amnioïden

Het lid van de Fractie-Walenkamp heeft daarnaast nog enkele vragen over de afbakening van ELS, de ontwikkeling van deze structuren en de toekomstbestendigheid van het voorgestelde wettelijke kader.

  • 5. Is het uitgangspunt van de wet gebaseerd op de oorsprong van een structuur (hoe zij tot stand komt) of op haar biologische eigenschappen (wat zij kan worden)?

  • 6. Stel dat een ELS en een natuurlijk embryo biologisch niet meer van elkaar te onderscheiden zijn. Welk juridisch regime zou dan moeten gelden?

  • 7. Kan de regering uitsluiten dat toekomstige combinaties van blastoïden, gastruloïden en amnioïden gezamenlijk een groter ontwikkelingspotentieel krijgen dan elk model afzonderlijk?31

  • 8. Is de huidige regelgeving geschreven voor de wetenschap van vandaag of voor de wetenschap van over tien jaar?

  • 9. Hoe wordt gecontroleerd dat een ELS afkomstig is van een pluripotente cel die uit een embryo is verkregen, nu een pluripotente cel ook uit andere menselijke cellen kan worden verkregen? Hoe wordt dit gecontroleerd en gehandhaafd?

  • 10. Het is het lid van de Fractie-Walenkamp niet duidelijk waar een stem cell-derived embryo model vandaan wordt verkregen. Kan een dergelijk model ook worden ontwikkeld uit een onderzoeksembryo of uit een IVF-embryo?

  • 11. Wie is de eigenaar van een ELS, waaronder blastoïden, gastruloïden en amnioïden, en welke rechten kunnen daaraan worden ontleend? Vallen deze structuren onder de wetgeving inzake de donatie van menselijk lichaamsmateriaal, of is hier andere wet- en regelgeving op van toepassing?

  • 12. De rol van de farmaceutische, biotechnologische en fertiliteitsindustrie is het lid van de Fractie-Walenkamp niet geheel duidelijk. Is het gebruik van ELS uitsluitend bedoeld voor toxicologisch onderzoek? Na toxicologisch onderzoek bij muizen lijken er geen volwaardige alternatieve modellen te bestaan die de menselijke ontwikkeling beter benaderen, afgezien van bijvoorbeeld varkensembryo's. Het is onduidelijk in hoeverre de huidige wet- en regelgeving deze toepassingen afdekt en welke instantie toezicht houdt. Is dit uitsluitend de CCMO, of zijn ook andere toezichthouders en regelgevende kaders van toepassing?

  • 13. Welke objectieve, meetbare biologische en functionele criteria (zoals het vermogen tot volledige organogenese of het bereiken van het gastrulatiestadium) bepalen de exacte juridische grens waarop een ELS ophoudt een «model» te zijn en de status van een biologisch embryo verkrijgt? Hoe borgt dit wetsvoorstel dat structuren die in de toekomst functioneel equivalent worden aan een natuurlijk embryo, niet buiten de wettelijke bescherming vallen.32

  • 14. Maakt de regering een duidelijk onderscheid tussen een stem cell-derived embryo model en een ELS die is ontwikkeld uit een onderzoeksembryo?33

  • 15. Een stem cell-derived embryo model wordt ontwikkeld uit stamcellen die zodanig worden aangestuurd dat zij zich organiseren tot een embryoachtig model. Indien een vergelijkbare ELS wordt ontwikkeld met gebruikmaking van een onderzoeksembryo, maakt de regering dan een juridisch of ethisch onderscheid tussen beide situaties? Zo ja, op welke gronden is dat onderscheid gebaseerd en hoe is dit in de wet- en regelgeving verankerd?

  • 16. Op welke onafhankelijke adviezen baseert de regering de verwachting dat de voorgestelde definitie van een ELS over tien jaar nog wetenschappelijk en juridisch houdbaar is, gelet op de ontwikkeling van de stamceltechnologie? Kan de regering uitsluiten dat deze wetgeving binnen enkele jaren alweer door de praktijk wordt achterhaald?34

  • 17. Is de regering bereid om, alvorens dit wetsvoorstel definitief in werking te laten treden, eerst een onafhankelijke, brede maatschappelijke en wetenschappelijke impactanalyse (een «voorevaluatie») uit te voeren naar de langetermijngevolgen van de regulering van ELS?35

  • 18. Hoe wordt in dit wetsvoorstel sluitend gegarandeerd dat het gebruik van geavanceerde ELS niet gaat fungeren als een juridische «vluchtroute» om de strikte morele en wettelijke beperkingen die gelden voor natuurlijke en onderzoeksembryo's feitelijk te omzeilen?36 Welke handhavingsmechanismen en sancties worden ingericht om dit te controleren?

  • 19. Op welke wetenschappelijke basis is vastgesteld dat de huidige veertiendagengrens toekomstbestendig is voor ELS? Wat is de exacte medisch-biologische en ethische rechtvaardiging om de klassieke veertiendagengrens – die historisch is vastgesteld voor natuurlijke, bevruchte embryo's – linea recta van toepassing te verklaren op kunstmatige ELS, aangezien de ontwikkelingssnelheid en morfologie in vitro wezenlijk kunnen afwijken?37

  • 20. Kan de regering uitsluiten dat toekomstige ELS biologisch zodanig gaan lijken op natuurlijke embryo's dat de in dit wetsvoorstel gekozen definitie opnieuw moet worden aangepast? Zo nee, waarom acht de regering het verantwoord deze wetswijziging reeds nu vast te stellen zonder eerst een toekomstbestendige juridische analyse uit te voeren?38

Toepassingen van ELS en biotechnologie

Tot slot heeft het lid van de Fractie-Walenkamp nog enkele vragen over de toekomstige toepassingen van ELS-technologie.

  • 21. Hoe beoordeelt de regering het risico dat commerciële partijen in de toekomst nieuwe toepassingen van ELS-technologie, zoals de ontwikkeling van weefsels of organen voor transplantatiedoeleinden, commercieel zullen exploiteren?39

  • 22. Op welke wijze worden patiënten beschermd tegen ongewenste commercialisering van dergelijke toepassingen?

  • 23. Acht de regering het huidige wettelijke kader, waaronder de relevante wet- en regelgeving inzake orgaandonatie en transplantatie, toereikend om deze ontwikkelingen te reguleren? Zo ja, waarom? Zo nee, welke aanpassingen acht zij noodzakelijk?40

  • 24. Welke toezichthoudende instanties zijn op termijn verantwoordelijk voor het toezicht op de ontwikkeling en toepassing van ELS-technologie en de daaruit voortvloeiende producten, en beschikken deze instanties over voldoende bevoegdheden en capaciteit?

  • 25. Kan de regering aangeven of zij ELS-technologie uitsluitend ziet als een instrument voor toxicologisch en farmacologisch onderzoek, of dat zij ook andere medische toepassingen voorziet?

  • 26. Hoe bepaalt de regering de ethische en juridische grenzen van toekomstige toepassingen van ELS-technologie, mede gelet op het feit dat veel van deze toepassingen zich nog in een vroeg ontwikkelingsstadium bevinden?

  • 27. Welke waarborgen worden ingebouwd om te voorkomen dat technologische ontwikkelingen sneller verlopen dan de ontwikkeling van passende wet- en regelgeving?

De leden van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het verslag graag uiterlijk binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Bakker-Klein

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Wolf


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA) (voorzitter), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Steenkamp (CDA), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 24.

X Noot
3

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 4–5.

X Noot
4

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 5.

X Noot
5

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 21.

X Noot
6

Kamerstukkendossier 36 416.

X Noot
7

Artikel 24, onderdeel a van de Embryowet.

X Noot
8

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 33.

X Noot
9

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 2.4, p. 17.

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 2.4, p. 18–19.

X Noot
11

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 3.3, p. 23.

X Noot
12

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 3.3, p. 22–23.

X Noot
13

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 3.4, p. 24–25.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 4.1, p. 26.

X Noot
15

Kamerstukkendossier 35 844.

X Noot
16

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 4.1 en 7.1.

X Noot
17

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, par. 4.3, p. 30.

X Noot
18

B. van Beers, «Van algoritme naar embryo: wat als Big Tech kinderen gaat maken?», Vrije Universiteit Amsterdam, zie https://vu.nl/nl/onderzoek/van-algoritme-naar-embryo-wat-als-big-tech-kinderen-gaat-maken.

X Noot
19

H. Devlin, T. Burgis, D. Pegg en J. Wilson, «US startup charging couples to «screen embryos for IQ"», The Guardian, 18 oktober 2024, zie https://www.theguardian.com/science/2024/oct/18/us-startup-charging-couples-to-screen-embryos-for-iq.

X Noot
20

A. Piquard, «The start-ups dreaming of creating genetically modified babies», Le Monde, 22 mei 2026, zie https://www.lemonde.fr/en/economy/article/2026/05/22/the-start-ups-dreaming-of-creating-genetically-modified-babies_6753740_19.html.

X Noot
21

H. Devlin, «UK IVF couples use legal loophole to rank embryos based on potential IQ, height and health», The Guardian 6 december 2025, zie https://www.theguardian.com/society/2025/dec/06/uk-ivf-couples-use-legal-loophole-rank-embryos-iq-height-health.

X Noot
22

Kamerstukkendossier 36 416.

X Noot
23

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 9.

X Noot
24

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 12–13.

X Noot
25

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 2, 5, 22 en 31.

X Noot
26

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 2.

X Noot
27

Kamerstukken II 2024/25, 36 416, nr. 7, p. 5; W. Dondorp e.a., «Derde evaluatie Embryowet», (Reeks evaluatie regelgeving, nr. 50), Den Haag: ZonMw 2021, p. 10 en 196.

X Noot
28

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 4.

X Noot
29

Rathenau Instituut, «Input ten behoeve van het debat op 3 september; Nieuwe resultaten publieksonderzoek en opmerkingen n.a.v. reactie initiatiefnemers op verslag», Bericht aan het parlement, p. 2.

X Noot
30

G. Pennings, «IVF embryos in the bin, embryo-like structures in the spotlight», Reproductive BioMedicine Online, Volume 48, Issue 6103886, June 2024, zie https://www.rbmojournal.com/article/S1472–6483(24)00075–0/fulltext.

X Noot
31

Hubrecht Institute, «Human embryo-like model created from human stem cells», nieuwsbericht 11 juni 2020, zie https://www.hubrecht.eu/human-embryo-like-model-created-from-human-stem-cells/.

X Noot
32

A.M. Pereira Daoud, M. Popovic, W.J. Dondorp e.a., «Modelling human embryogenesis: embryo-like structures spark ethical and policy debate», Human Reproduction Update 2020, afl. 26(6), p. 779–798, zie https://cris.maastrichtuniversity.nl/ws/portalfiles/portal/61383802/Dondorp_2020_modelling_human_embryogenesis_embryo_like.pdf?__cf_chl_f_ tk=CE3JTBZ18m_bkCKfKP9envnHSuWnR19kjiSiHP94ie4-1782917822-1.0.1.1- oJbRX5qNRoY7gE5QR3yU7zmuSe2ScEwb2F6FpXK7i3Y.

X Noot
33

E. Cave, «Advocating distinct regulatory paths for embryos and embryo-like structures», Journal of Law and the Biosciences 2025, 12(1), lsaf008, zie https://www.sciencedirect.com/science/article/abs/pii/S1472648324000750.

X Noot
34

A.M. Pereira Daoud, W.J. Dondorp, A.L. Bredenoord & G.M.W.R. de Wert, «The Ethics of Stem Cell-Based Embryo-Like Structures: A Focus Group Study on the Perspectives of Dutch Professionals and Lay Citizens», Journal of bioethical Inquiry 2024, afl. 21(3), p. 513–542, zie https://link.springer.com/article/10.1007/s11673-023-10325-9#Sec1.

X Noot
35

Ibid.

X Noot
36

A.M. Pereira Daoud, W.J. Dondorp, A.L. Bredenoord & G.M.W.R. de Wert, «The Ethics of Stem Cell-Based Embryo-Like Structures: A Focus Group Study on the Perspectives of Dutch Professionals and Lay Citizens», Journal of bioethical Inquiry 2024, afl. 21(3), p. 513–542, zie https://link.springer.com/article/10.1007/s11673-023-10325-9#Sec1.

X Noot
37

A. Martinez Arias e.a., «Human stem cell-based embryo models: innovation, ethics, and policy», Human Reproduction 2026, 41(6), p. 830–846, zie https://academic.oup.com/humrep/article/41/6/830/8539819.

X Noot
38

A.M. Pereira Daoud, M. Popovic, W.J. Dondorp e.a., «Modelling human embryogenesis: embryo-like structures spark ethical and policy debate», Human Reproduction Update 2020, afl. 26(6), p. 779–798, zie https://cris.maastrichtuniversity.nl/ws/portalfiles/portal/61383802/Dondorp_2020_modelling_human_embryogenesis_embryo_like.pdf?__cf_chl_f_tk=CE3JTBZ18m_ bkCKfKP9envnHSuWnR19kjiSiHP94ie4-1782917822-1.0.1.1- oJbRX5qNRoY7gE5QR3yU7zmuSe2ScEwb2F6FpXK7i3Y.

X Noot
39

A. Martinez Arias e.a., «Human stem cell-based embryo models: innovation, ethics, and policy», Human Reproduction 2026, 41(6), p. 830–846, zie https://academic.oup.com/humrep/article/41/6/830/8539819.

X Noot
40

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 22–24.

Naar boven