De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
De met artikel I, onderdeel A, subonderdeel 4, voorgestelde begripsbepaling wordt
als volgt gewijzigd:
1. de onderdeelsaanduiding «a.» vervalt.
2. «; of» aan het slot van onderdeel a (oud) wordt vervangen door een punt.
II
Aan artikel I, onderdeel A, wordt een subonderdeel toegevoegd, luidende:
III
Na onderdeel A wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:
Aa
Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 1a
Bepalingen met betrekking tot embryo’s zijn van overeenkomstige toepassing op embryoachtige
entiteiten, tenzij anders is bepaald.
IV
In het met artikel I, onderdeel B, subonderdeel 4, voorgestelde vierde lid wordt «embryo’s»
vervangen door «embryoachtige entiteiten» en wordt «dergelijke embryo’s» vervangen
door «dergelijke embryoachtige entiteiten».
V
In het met artikel I, onderdeel H, voorgestelde derde lid wordt «embryo’s» vervangen
door «embryoachtige entiteiten».
VI
In artikel I, onderdeel I, wordt «waarmee de betreffende embryo’s tot stand worden
gebracht» vervangen door «waarmee de betreffende embryoachtige entiteiten tot stand
worden gebracht».
VII
Artikel I, onderdeel O, wordt als volgt gewijzigd:
1. In het met subonderdeel 2 voorgestelde onderdeel e, subonderdeel 1°, wordt «embryo,
dat» vervangen door «embryoachtige entiteit, die».
2. In het met subonderdeel 3 voorgestelde tweede lid wordt «embryo dat» vervangen door
«embryoachtige entiteit die».
Toelichting
Het wetsvoorstel wijzigt de definitie van een embryo zodat ook entiteiten die niet
het resultaat zijn van het samensmelten van een in het menselijk lichaam ontstane
eicel en zaadcel, maar wel dezelfde essentiële functies voor doorgaande ontwikkeling
hebben ook onder de definitie komen te vallen.
De indiener is van mening dat, los van de vraag of het moreel wenselijk is om entiteiten
te ontwikkelen die op het oog niet te onderscheiden zijn van menselijke embryo’s,
er een fundamenteel ethisch onderscheid blijft bestaan tussen een embryo en dergelijke
embryomodellen. Door embryo’s en embryoachtige entiteiten op definitieniveau gelijk
te schakelen, wordt door de wetgever onvoldoende recht gedaan aan de unieke waarde
van menselijk leven dat op een natuurlijke wijze is ontstaan.
Om dit onderscheid te markeren, stelt de indiener daarom een definitiesplitsing voor.
Het begrip «embryo» krijgt een aparte definitieomschrijving en er wordt een nieuw
begrip toegevoegd, namelijk «embryoachtige entiteiten». Onder dit nieuwe begrip volgt
de door het wetsvoorstel voorgestelde opsomming van mogelijke ontstaanswijzen van
dergelijke entiteiten. Hiermee biedt de wetgever een juridische verankering van het
ethische onderscheid tussen embryo en embryoachtige entiteiten.
D. van Dijk