Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36663 nr. B |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36663 nr. B |
Vastgesteld 2 juni 2026
Inleiding
De leden van de commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel inzake het voorkomen en terugdringen van verzuim in het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs.
De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de VVD, het CDA, de SP en de SGP wensen de regering naar aanleiding hiervan enkele vragen te stellen.
Vragen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
Hoewel de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA het doel van de wet, het terugdringen van het aantal thuiszitters, steunen, hebben zij nog enkele vragen.
Deze leden vragen zich af waarom voor deze wet geen uitvoeringstoets is verricht. Aangezien de wet nieuwe voorwaarden formuleert binnen de complexe dynamiek tussen scholen, leerplichtambtenaren en de Inspectie, lag een uitvoeringstoets volgens deze leden voor de hand. Op welke wijze heeft de regering zich verzekerd van de inbreng van de uitvoerende instanties die hierbij betrokken zijn? Met welke waarborgen is de afstemming tussen wetgeving en uitvoering geborgd, zodat de wet ook daadwerkelijk het beoogde doel, het terugdringen van het aantal thuiszitters, bereikt?
In het debat met de Tweede Kamer van 26 maart 2026 meldde de Minister van OCW dat de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) positief is over de wet en de gekozen aanpak.2 Het eerdere advies van de AP was echter kritisch op een aantal punten, met name over het ontbreken van een uitzonderingsgrond voor het verwerken van persoonsgegevens.3 Het gaat hier om zeer privacygevoelige informatie die wordt vastgelegd en onder voorwaarden kan worden gedeeld. Ook de Tijdelijke commissie constitutionele toetsing is kritisch op de aanpak, omdat daarin volgens de commissie de grondrechten onvoldoende expliciet worden afgewogen.4 Waarop baseert de Minister het positieve oordeel van de AP? Op welke wijze is de Minister tegemoetgekomen aan de eerder geuite kritiek? Is nadien opnieuw contact geweest met de AP en, zo ja, hoe luidden de bevindingen?
De Afdeling advisering van de Raad van State is kritisch over de ruime delegatiegrondslag.5 De Tijdelijke commissie constitutionele toetsing merkt op dat «de delegatiegrondslag voor het delen van verzuiminformatie is verruimd ten opzichte van de versie die voor advies naar de Raad van State is gegaan. Waar in de eerdere versie alleen de regering nadere regels kon stellen («bij algemene maatregel van bestuur»), kan dat op grond van het wetsvoorstel door de regering en een individuele Minister, als dat via een algemene maatregel van bestuur mogelijk wordt gemaakt («bij of krachtens algemene maatregel van bestuur»).»6 Deze leden vragen de regering waarom het nodig is dat ook een individuele Minister de mogelijkheid krijgt regels te stellen over het delen van verzuiminformatie. Graag ontvangen zij een nadere onderbouwing van deze positie. Hoe kijkt de regering naar de kritische opmerkingen van de Afdeling advisering van de Raad van State hierover? De leden ontvangen graag een reflectie hierop.
Vragen van de leden van de fractie van de VVD
De leden van de fractie van de VVD zijn de regering erkentelijk voor de inzet om het schoolverzuim terug te dringen. Zij stellen nog enkele vragen.
1. Op basis van welke gegevens heeft de regering de geschatte 16 uur aan administratieve lasten bepaald?
2. Hoe wordt voorkomen dat dit wetsvoorstel ontaardt in een puur administratieve invulling?
3. Heeft de regering «best practices» uit andere landen met betrekking tot het terugdringen van schoolverzuim verwerkt in dit wetsvoorstel? Zo ja, welke? Zo nee, waarom niet?
4. Hoe wordt in dit wetsvoorstel omgegaan met leerlingen die om uiteenlopende redenen buiten beeld raken van de betrokken instanties en al dan niet onder ongeoorloofd verzuim vallen? Welke aanpak hanteert de regering om dergelijke vormen van verzuim terug te dringen?
5. Hoe beoordeelt de regering het risico op willekeur bij de nadere invulling van het begrip «zorgelijk verzuim»? Hoe waarborgt de regering de rechtszekerheid van leerlingen op dit punt?
Vragen van de leden van de fractie van het CDA
De leden van de fractie van het CDA onderschrijven het belang van het voorkomen van langdurig verzuim en thuiszitten en delen de ambitie dat leerlingen zo snel mogelijk weer perspectief krijgen op volwaardig onderwijs. Tegelijkertijd roept het wetsvoorstel bij deze leden nog verschillende vragen op ten aanzien van de uitvoerbaarheid, proportionaliteit en handhaafbaarheid van de voorgestelde maatregelen.
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering het wetsvoorstel in belangrijke mate motiveert vanuit de wens eerder zicht te krijgen op zorgelijk verzuim en daarmee escalatie en thuiszitten te voorkomen. Deze leden lezen echter eveneens in het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State dat de problematiek van thuiszitters vaak complex en heterogeen is en dikwijls samenhangt met factoren buiten het onderwijs, zoals psychische problematiek, problemen in de thuissituatie of tekorten aan passende zorg en ondersteuning.
Deze leden vragen de regering daarom nader uiteen te zetten in hoeverre de voorgestelde maatregelen daadwerkelijk de kern van het probleem raken. Zij vragen de regering concreet te onderbouwen op welke wijze uitbreiding van registratieverplichtingen en signaleringsstructuren ertoe leidt dat leerlingen sneller passende begeleiding of onderwijs ontvangen.
De leden van de fractie van het CDA constateren voorts dat de regering naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State verschillende hoofdelementen alsnog in het wetsvoorstel zelf heeft opgenomen. Tegelijkertijd blijven belangrijke onderdelen van de praktische uitvoering afhankelijk van nadere uitwerking bij algemene maatregel van bestuur. Deze leden vragen de regering of daarmee voldoende zicht bestaat op de uiteindelijke uitvoerbaarheid, administratieve lasten en gevolgen voor scholen en samenwerkingsverbanden.
In dit verband vragen deze leden tevens welke uitvoeringstoetsen inmiddels zijn verricht of nog zullen worden verricht ten aanzien van de voorgenomen algemene maatregelen van bestuur en welke risico’s daarin naar voren zijn gekomen. Zij vragen de regering hierop in te gaan en tevens aan te geven of uitvoeringstoetsen zullen worden verricht indien deze nog niet zijn uitgevoerd.
De leden van de CDA-fractie vragen voorts aandacht voor de regeldruk. De regering stelt dat de gevolgen voor de administratieve lasten beperkt blijven, omdat gegevensverstrekking grotendeels geautomatiseerd zal plaatsvinden. Deze leden vragen de regering waarop deze verwachting precies is gebaseerd en verzoeken haar nader in te gaan op de administratieve lasten en regeldruk die met dit wetsvoorstel gepaard gaan. Zij vragen of daarbij rekening is gehouden met verschillen tussen sectoren, schoolgroottes en bestaande leerlingadministratiesystemen en hoe de regering de regeldruk afweegt tegen de effectiviteit van dit wetsvoorstel.
Met name kleine scholen lijken volgens deze leden extra kwetsbaar voor aanvullende registratie- en verantwoordingsverplichtingen, omdat zij organisatorisch vaak over beperkte capaciteit beschikken. Deze leden vragen de regering nader toe te lichten op welke wijze specifiek rekening is gehouden met de uitvoerbaarheid voor kleine scholen.
Daarnaast vragen deze leden hoe realistisch de implementatietermijnen zijn, mede gelet op de noodzakelijke aanpassing van leerlingadministratiesystemen bij scholen en DUO. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft gewezen op het belang van een realistische invoering per sector.7 Deze leden vragen de regering in hoeverre nog knelpunten te verwachten zijn bij de implementatie van dit wetsvoorstel.
Voorts vragen deze leden aandacht voor de handhaafbaarheid van het zogenoemde «signaal zorgelijk verzuim». De regering laat de concrete criteria hiervoor grotendeels aan scholen zelf over. De leden van de CDA-fractie vragen of hierdoor niet het risico ontstaat op grote verschillen tussen scholen en regio’s, zowel in registratie als in interventies. Zij vragen hoe de rechtsgelijkheid wordt gewaarborgd.
Tot slot vragen de leden van de fractie van het CDA de regering nader te onderbouwen waarom de extra administratieve lasten die voortvloeien uit het wetsvoorstel niet gepaard gaan met aanvullende, al dan niet eenmalige, financiële ondersteuning voor scholen en samenwerkingsverbanden. Deze leden wijzen erop dat de implementatie van nieuwe registratieverplichtingen en de aanpassing van leerlingadministratiesystemen tijd, capaciteit en investeringen vergen, terwijl de werkdruk in het onderwijs reeds hoog is. Deze leden vragen de regering toe te lichten waarom zij van oordeel is dat de betrokken instellingen deze extra uitvoeringslasten binnen de bestaande bekostiging kunnen opvangen.
Vragen van de leden van de fractie van de SP
De leden van de fractie van de SP onderschrijven het belang van het voorkomen van langdurig schoolverzuim en het beter ondersteunen van leerlingen die dreigen uit te vallen. Tegelijkertijd vragen zij zich af in hoeverre deze wet daadwerkelijk zal bijdragen aan het terugdringen van schooluitval zolang bredere knelpunten in het onderwijs blijven bestaan, zoals tekorten in het passend onderwijs en het speciaal onderwijs, te grote klassen, personeelstekorten en onvoldoende ondersteuning voor leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. De leden van de SP-fractie hebben zorgen dat met deze wet nieuwe verplichtingen en registraties worden toegevoegd, terwijl het onderliggende fundament nog onvoldoende op orde is om leerlingen daadwerkelijk de ondersteuning te bieden die zij nodig hebben. Tegen die achtergrond hebben deze leden nog de volgende vragen.
1. De regering benadrukt in de memorie van toelichting dat deze wet primair gericht is op het voorkomen en verminderen van langdurig schoolverzuim.8 Kan de regering concreet toelichten welke waarborgen voorkomen dat scholen uit voorzichtigheid juist eerder richting leerplicht en handhaving bewegen?
2. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn herhaaldelijk zorgen geuit over een toename van administratieve lasten en het bijhouden van data.9 Op welke wijze gaat de regering monitoren of deze wet in de praktijk inderdaad niet leidt tot extra bureaucratie voor scholen en leraren? Zal hiermee ook rekening worden gehouden bij de tussenevaluatie? En is er ruimte om hierin wijzigingen aan te brengen indien deze noodzakelijk blijken om scholen en leraren te ontlasten?
3. Kan de regering uiteenzetten hoe wordt voorkomen dat leerlingen met psychische problemen, een beperking of een gebrek aan passend onderwijs sneller in een traject van drang of dwang terechtkomen, terwijl de noodzakelijke ondersteuning nog niet beschikbaar is?
4. De regering stelt dat het signaal «zorgelijk verzuim» bedoeld is om eerder hulp en samenwerking mogelijk te maken, zo blijkt uit de behandeling in de Tweede Kamer.10 Welke concrete ondersteuning kan in die fase daadwerkelijk worden geboden die verder gaat dan registratie en toezicht? Acht de regering deze mate van ondersteuning voldoende en, zo ja, hoe wordt dit geborgd?
5. Kan de regering toelichten hoe deze wet zich verhoudt tot bredere structurele problemen, zoals tekorten in het passend onderwijs, wachtlijsten in het speciaal onderwijs en personeelstekorten? In hoeverre verwacht de regering dat deze wet zonder oplossingen voor die knelpunten daadwerkelijk zal leiden tot minder thuiszitters?
6. De regering gaf tijdens de behandeling in de Tweede Kamer aan dat schoolaanwezigheid «geen doel op zichzelf» moet zijn.11 Hoe voorkomt de regering dat scholen of instanties in de praktijk toch primair gaan sturen op aanwezigheidscijfers in plaats van op passend onderwijs voor het individuele kind?
7. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om al vóór het bereiken van de wettelijke meldgrens een signaal af te geven aan de leerplichtambtenaar bij zorgelijk verzuim. Hoe voorkomt de regering dat hierdoor in de praktijk de nadruk te veel komt te liggen op handhaving en het strafrechtelijke spoor in plaats van op ondersteuning en preventie?
Vragen van de leden van de fractie van de SGP
De leden van de fractie van de SGP erkennen dat scholen een verantwoordelijkheid hebben met betrekking tot schoolverzuim en het signaleren van problemen. Tegelijkertijd maken deze leden zich zorgen over de toename van de regeldruk. Zo lezen zij dat het bevoegd gezag verzuimanalyses moet uitvoeren om de oorzaken van verzuim op te sporen en daarop effectief beleid te voeren. Om de lasten voor onderwijsinstellingen te verlichten zijn juist maatregelen genomen in de Wet herziening grondslagen kerndoelen. Het personeelstekort en de lastendruk vormen immers juist problemen die aangepakt moeten worden.
1. Hoe verhoudt deze toename van de lastendruk zich tot andere wetgeving waarin juist wordt beoogd de lastendruk te verminderen?
Dit wetsvoorstel lijkt de druk verder te verhogen. Tegelijkertijd wordt de regeldruk slechts inzichtelijk gemaakt voor zover scholen de kaders in het verzuimbeleid vastleggen. Er is niet ingegaan op de toename van de regeldruk met betrekking tot het registreren van verzuim, het analyseren van de verzuimstatistieken door scholen of het acteren op signalen van verzuim.
2. Waarom is niet ingegaan op de toename van de regeldruk met betrekking tot deze andere werkzaamheden? Kan de regering hiervan alsnog een inschatting geven?
3. Kan de regering toezeggen dat de toename van de lastendruk zoals weergegeven in de memorie van toelichting de enige toename van de lastendruk betreft?
4. Hoe concreet is de verwachting dat vroegtijdig optreden bij zorgelijk verzuim daadwerkelijk leidt tot tijdswinst? Welke onderbouwing bestaat daarvoor?
Met betrekking tot Caribisch Nederland lezen deze leden dat samenwerkingsverbanden geen middelen ontvangen om te voorzien in ondersteuning voor leerlingen die dat nodig hebben.
5. Is dit een afweging die de openbare lichamen maken, of betreft dit een besluit van de regering?
6. Indien het laatste het geval is, wat is dan de afweging om samenwerkingsverbanden in Caribisch Nederland niet van dergelijke middelen te voorzien?
De leden van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zien de beantwoording van de vragen met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het verslag graag uiterlijk 30 juni 2026.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, De Graag
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan(D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Autoriteit Persoonsgegevens, «Advies over het concept voor de wet over het terugdringen van verzuim», 8 juni 2023, kenmerk z2022-05979 (opgenomen als bijlage bij de uitvoeringstoets), p. 3–4.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Samenstelling:
Van Apeldoorn (SP), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Doornhof (CDA), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Jaspers (BBB), Karaaslan(D66), Kemperman (FVD), Van Kesteren (PVV), Van Knapen (BBB), Lagas (BBB), Van Meenen (D66), Musa (VVD), Nicolaï (PvdD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Autoriteit Persoonsgegevens, «Advies over het concept voor de wet over het terugdringen van verzuim», 8 juni 2023, kenmerk z2022-05979 (opgenomen als bijlage bij de uitvoeringstoets), p. 3–4.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Plenair verslag Tweede Kamer, 56e vergadering, donderdag 26 maart 2026, Status «ongecorrigeerd», zie https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20260326/behandeling/document3/f=/vmw6b2kddtkj.pdf.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36663-B.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.