De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:
I
In artikel I, onderdeel G, wordt in het voorgestelde artikel 21b, eerste lid, na «artikel
1, onderdeel b, subonderdeel 1,» ingevoegd «waar op 1 februari van het voorafgaande
schooljaar ten minste 150 leerlingen zijn ingeschreven,».
II
In artikel II, onderdeel F, wordt in het voorgestelde artikel 33a, eerste lid, na
«artikel 1, onderdeel b, onder 1,» ingevoegd «waar op 1 februari van het voorafgaande
schooljaar ten minste 150 leerlingen zijn ingeschreven,».
III
In artikel VI, onderdeel A, wordt in het voorgestelde artikel 5a, eerste lid, aanhef,
na «bevoegd gezag» ingevoegd «van een school waar op 1 februari van het voorafgaande
schooljaar ten minste 150 leerlingen staan ingeschreven».
IV
In artikel VII, onderdeel A, wordt in het voorgestelde artikel 5a, eerste lid, aanhef,
na «bevoegd gezag» ingevoegd «van een school waar op 1 februari van het voorafgaande
schooljaar ten minste 150 leerlingen staan ingeschreven».
Toelichting
Ondergetekende constateert dat de wetgevingsdruk binnen het onderwijs zeer hoog is
en steeds verder toeneemt. De Onderwijsinspectie wijst erop dat de wetgever veel duidelijker
prioriteiten moet stellen. Dat is niet alleen nodig vanuit het perspectief van de
handhaafbaarheid van de grote hoeveelheid regels, maar zeker ook met het oog op de
werkdruk in het onderwijs. Die noodzaak klemt temeer gelet op het nijpende lerarentekort.
Volgens ondergetekende zou de wetgever daarbij in het bijzonder oog moeten hebben
voor de gevolgen voor kleinere scholen.
Op grond van het wetsvoorstel moeten scholen in de registratie niet alleen onderscheid
maken tussen geoorloofd en ongeoorloofd verzuim, maar zij dienen ook de specifieke
gronden (a tot en met g) van geoorloofd verzuim bij te houden (art. 11 Lpw 1969).
Ondergetekende meent dat die verplichting niet zo duidelijk geldt op basis van de
huidige wet. De expliciete regeling voor registratie betekent hoe dan ook een verzwaring
in combinatie met het verplichte verzuimbeleid in het wetsvoorstel. Als onderdeel
van het verzuimbeleid dienen scholen bijvoorbeeld ook de gegevens van de verzuimregistratie
analyseren. De registratie staat dus niet op zichzelf. Het voorstel creëert daarmee
onvermijdelijk een zwaardere belasting en verantwoordelijkheid.
Ondergetekende vindt dat de wetgever bij het expliciteren van de wettelijke verzuimregels
duidelijk moet maken dat de voorgestelde registratieplicht voor kleine basisscholen
niet zo ver strekt. Het doel is dat de kinderen goed in beeld zijn en dat zij bij
te veel verzuim geholpen worden, niet dat de registratie van elk kind op orde is en
dat er analyses komen. Het zicht op en de betrokkenheid bij de situatie van leerlingen
is in scholen met beperkte omvang vaak sterker aanwezig. De inhoudelijke noodzaak
van de registratie is daarom bij deze groep scholen minder aanwezig en de proportionaliteit
van de voorgestelde verplichting is bij deze scholen moeilijker te onderbouwen.
Dit amendement stelt daarom voor de registratieplicht te beperken tot basisscholen
waar minimaal 150 leerlingen staan ingeschreven. Het amendement sluit aan bij de grens
die in de bekostiging wordt aangehouden om kleine scholen te definiëren. Deze scholen
hebben wel de verplichting verzuimbeleid te beschrijven, uit te voeren en periodiek
te evalueren. Daarnaast zijn zij ook verplicht melding te doen indien een leerling
meer dan zestien uren ongeoorloofd verzuimt in vier opeenvolgende weken. Het is aan
de school om hiervan op navolgbare wijze rekenschap te geven. Deze scholen mogen overigens
ook gebruik maken van de mogelijkheid om vrijwillig verzuimgegevens te leveren in
situaties waarin het verzuim beperkter is dan zestien uren in vier opeenvolgende weken.
Stoffer