36 600 Nota over de toestand van ’s Rijks Financiën

Z BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE EERSTE KAMER DER STATEN-GENERAAL

Aan de Vice-President Raad van State

Den Haag, 25 maart 2025

Naar aanleiding van de aangenomen motie-Grinwis1 heeft de voorzitter van de vaste commissie voor Financiën van de Tweede Kamer de President van de Algemene Rekenkamer gevraagd om de consequenties van het verwerpen van een begroting te schetsen en daarbij in te gaan op het handelingsperspectief dat regering en parlement hebben als een begroting is verworpen.2

In aanvulling op het verzoek aan de Algemene Rekenkamer, verzoek ik u conform artikel 21a van de Wet op de Raad van State, om voorlichting. Ik verzoek u hierbij de staatsrechtelijke consequenties en het handelingsperspectief bij het verwerpen van een begroting voor individuele bewindspersonen, de regering en het parlement centraal te stellen.

Daarbij verzoek ik u zo mogelijk aandacht te besteden aan:

  • 1. de vraag in hoeverre na het verwerpen van een ontwerpbegroting kan worden «teruggevallen» op de geautoriseerde begroting van het voorafgaande jaar;

  • 2. de vraag of de regering een nieuwe ontwerpbegroting mag indienen als het parlement het eerste ontwerp heeft verworpen, en daarbij in te gaan op eventuele lacunes of onduidelijkheden in de relevante wetgeving;

  • 3. de gevolgen van het verwerpen van een ontwerpbegroting voor de samenleving, in ieder geval voor:

    • a) reeds aangegane juridische, bestuurlijke en beleidsmatige verplichtingen;

    • b) de normaal bij de suppletoire begrotingen behorende bij de Voorjaarsnota vast te stellen en uit te keren eindejaarsmarge en loon- en prijsbijstellingen;

  • 4. de rechtmatigheid van het aangaan van verplichtingen en het doen van uitgaven na het verwerpen van een ontwerpbegroting. Maakt het daarbij uit of het gaat over in de (verworpen) ontwerpbegroting opgenomen verplichtingen en uitgaven voor lopend of voor nieuw beleid? En maakt het daarbij ook nog uit of het gaat om ombuigingen of intensiveringen?

  • 5. de dechargeverlening over het gevoerde financieel beheer (incl. een eventueel voorstel voor een indemniteitswet).

  • 6. de consequenties van in het verleden verworpen begrotingen.

Het staat de Raad van State vanzelfsprekend vrij ook op andere dan de hierboven genoemde punten in te gaan. Graag verzoek ik u onze vragen zo spoedig mogelijk in een voorlichting te beantwoorden.

Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, J.A. Bruijn

Naar boven