Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XVII nr. E |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-XVII nr. E |
Ontvangen 31 januari 2025
Graag bied ik uw Kamer hierbij de nota aan naar aanleiding van het verslag van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp inzake de Vaststelling van de begrotingsstaat van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2025.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp, R.J. Klever
Het wetsvoorstel heeft in de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025. Zij hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de fracties van D66 en Volt hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 en hebben nog een aantal vragen naar aanleiding hiervan.
De leden van de fractie van de SP hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025. Zij hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 en hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen. De leden van de CDA-fractie sluiten zich graag aan bij de vragen van de leden van de ChristenUnie-fractie.
De leden van de fractie van Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025. Zij hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel Begrotingsstaat Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025. Deze geeft de leden van de fractie van de SGP aanleiding tot een aantal vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA treffen in een brief1 van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp d.d. 22 november 2024 aan de Tweede Kamer, een overzicht aan van afgegeven uitvoervergunningen voor militaire goederen, waaronder leveringen aan Israël. Tussen 7 oktober 2023 en eind september 2024 heeft Nederland uitvoervergunningen afgegeven voor militaire goederen naar Israël ter waarde van ongeveer € 2,5 miljoen. Een significante export betrof schokdempers voor containers op marineschepen, met een totale waarde van € 2,4 miljoen. Hoewel schokdempers op zichzelf geen wapens zijn, kunnen ze worden gebruikt op marineschepen die betrokken zijn bij militaire operaties. Ook Israëlische marineschepen zijn betrokken geweest bij de verwoestende oorlog tegen de bevolking van Gaza sinds 8 oktober 2023. Hoe heeft Nederland zich ervan vergewist dat het op deze manier niet medeverantwoordelijk wordt voor een oorlog die inmiddels door VN-organisaties en internationale mensenrechtenorganisaties als een genocide wordt beschouwd?
Antwoord
Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen worden zorgvuldig getoetst aan de Europese criteria voor wapenexportcontrole. Binnen deze toets wordt onder meer scherp gekeken naar het risico dat de uit te voeren goederen worden gebruikt bij ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht. Daar waar een duidelijk risico op dergelijke schendingen wordt waargenomen wordt de betreffende aanvraag afgewezen.
Deze toets is eveneens toegepast op de in door de leden van GroenLinks-PvdA genoemde brief weergegeven lijst van goederen waarvoor een vergunning voor uitvoer met bestemming Israël werd afgegeven. Voor de goede orde wijst het kabinet erop dat het merendeel van de uitgevoerde goederen niet Israël als eindbestemming had. In deze gevallen ging het om de (tijdelijke) uitvoer naar, of doorvoer via Israël voor ontwikkel-, productie- of onderhoudsdoeleinden. Deze goederen worden voor testen in Israël gebruikt, komen na een productie- en of onderhoudshandeling in Israël terug naar Nederland of worden na deze handelingen naar een eindgebruiker in een derde land uitgevoerd. In geen van deze gevallen is sprake van eindgebruik door de Israëlische krijgsmacht.
De delen voor radarsystemen voor luchtafweer en schokdempers voor containers op marineschepen vormden daarop een uitzondering. Voor beide transacties is na voorgenoemde zorgvuldige toets vastgesteld dat zij pasten binnen de Europese kaders voor wapenexportcontrole. Ten aanzien van de schokdempers voor containers op marineschepen ging het meer in het bijzonder om containers waarin gevoelige detectieapparatuur wordt opgeslagen die wordt ingezet ter bescherming van kritieke infrastructuur op zee. Een verband met inzet in het conflict in Gaza is tijdens de toets niet waargenomen.
Beoordelingscriteria voor het verlenen van exportvergunningen van militaire goederen zijn toetsing aan internationale afspraken, mensenrechten en regionale stabiliteit, zo constateren deze leden.
Hoe verantwoordt Nederland het verlenen van exportvergunningen voor militaire goederen aan Israël, een land dat gedocumenteerd en herhaaldelijk mensenrechten en het internationaal humanitair recht schendt in Gaza en de Westelijke Jordaanoever? Op welke specifieke gronden wordt geconcludeerd dat deze export niet in strijd is met internationale afspraken of politieke besluiten?
Antwoord
Alle vergunningaanvragen voor de uitvoer van militaire goederen worden per geval zorgvuldig getoetst aan de Europese criteria voor wapenexportcontrole. Daarbij staat elke aanvraag op zichzelf en wordt rekening gehouden met het specifieke goed, de ontvanger en het beoogde eindgebruik.
Binnen deze toets wordt onder meer scherp gekeken naar het risico dat de uit te voeren goederen worden gebruikt bij ernstige schendingen van mensenrechten of het humanitair oorlogsrecht en «het risico dat de goederen worden gebruikt voor agressie jegens een ander land of het kracht bijzetten aan territoriale aanspraken». Daar waar een duidelijk risico op dergelijke inzet wordt waargenomen wordt de betreffende aanvraag afgewezen.
Het kabinet houdt binnen voorgenoemde toets ook rekening met «het gedrag van het ontvangende land jegens de internationale gemeenschap», waaronder zijn eerbiediging van het internationaal recht. Daar waar in de toets wordt geconstateerd dat in het ontvangende land onvoldoende sprake is van deze eerbiediging van het internationaal recht en inzet van uit te voeren goederen niet te verenigen is met de specifieke aard van de betreffende schending(en) wordt een aanvraag afgewezen.
Het kabinet ziet het groot menselijk lijden in de Gazastrook en de ernst van de situatie. In de gesprekken die het kabinet met Israël voert, is steevast het belang onderstreept van naleving van het humanitair oorlogsrecht. In het geval van goedgekeurde transacties stonden zorgen over de situatie in de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever echter de verlening van een vergunning niet in de weg gelet op de aard van de goederen die bijvoorbeeld gericht is op verdediging van Israël tegen inkomende projectielen en (onbemande) luchtvaartuigen (onderdelen voor een luchtverdedigingssysteem) en het stabiel vervoeren van apparatuur voor detectie van onderwaterdreigingen rondom kritieke infrastructuur op zee (schokdempers voor containers op marineschepen en reserveonderdelen voor deuren van marineschepen).
Welke rol hebben Israëlische marineschepen gespeeld bij de aanvallen op Libanon, en hoe wordt dit meegenomen in de beoordeling van de risico’s op het ondermijnen van regionale stabiliteit? Kan de regering bevestigen dat het verlenen van deze exportvergunningen in overeenstemming is met het beleid dat expliciet stelt dat export verboden is wanneer het de stabiliteit in de regio bedreigt?
Antwoord
Alle dienstonderdelen van de Israëlische krijgsmacht zijn betrokken geweest bij inzet tegen de dreiging die uitging van Hezbollah. Dat geldt ook voor de Israëlische marine.
De Europese toetsingskaders voor wapenexportcontrole vragen van lidstaten onder meer dat zij ten aanzien van regionale stabiliteit toetsen op het risico dat «uit te voeren goederen worden gebruikt voor agressie jegens een ander land of het kracht bijzetten aan territoriale aanspraken». Daarbij wordt per geval zorgvuldig gekeken naar de aard van de uit te voeren goederen en de wijze waarop deze door de eindgebruiker (kunnen) worden gebruikt. In het geval van voorgenomen uitvoer van militaire goederen naar Israël wordt daarbij ook gekeken naar het risico op inzet van de uit te voeren goederen bij aanvallen in Libanon.
Voor alle vergunningen voor uitvoer van militaire goederen naar Israël die sinds 7 oktober 2023 zijn goedgekeurd, waaronder aanvragen met eindgebruik door de Israëlische marine, is geoordeeld dat van een duidelijk risico op dergelijke inzet (de drempel voor een negatieve toets op het criterium «regionale stabiliteit») geen sprake was.
De Europese Unie en de Mercosur-landen hebben op 6 december 2024 een vrijhandelsovereenkomst afgerond, na meer dan twee decennia van onderhandelingen. Tot nu toe heeft de Nederlandse regering geen positie ingenomen ondanks duidelijke moties inclusief de recente motie-Teunissen c.s.2 uit de Tweede Kamer die dit verdrag afwijzen. Nu de regering voldoende tijd heeft gehad om het definitieve handelsakkoord te bestuderen, is de vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of Nederland zich gaat aansluiten bij Frankrijk, Oostenrijk en Polen, die tegen dit verdrag zijn. Wanneer staat het verdrag ter goedkeuring op de agenda van de Raad?
Antwoord
Besluitvorming over het EU-Mercosur akkoord is nog niet aan de orde. Naar verwachting worden de definitieve teksten van het EU-Mercosur akkoord rond de zomerperiode door de Europese Commissie aan de Raad voorgelegd ter besluitvorming. De Kamer ontvangt in het voorjaar een kabinetsappreciatie op basis van de conceptteksten van het onderhandelaarsakkoord van 6 december 2024. Het kabinet zal een integrale appreciatie maken van de voor- en nadelen van het akkoord. Uiteraard zal uitvoerig worden stilgestaan bij de gevolgen voor de Nederlandse economie, waaronder in het bijzonder de landbouw. De mogelijke effecten van het akkoord op de Nederlandse economie en specifiek de landbouwsector worden momenteel opnieuw in kaart gebracht door Wageningen Economic Research conform motie Kamminga.3 In het onderzoek wordt ook gekeken naar wat het akkoord het Nederlandse bedrijfsleven oplevert. Naar verwachting wordt het geactualiseerde onderzoek zeer binnenkort afgerond. Het kabinet zal in de appreciatie ook nader ingaan op het politieke deel van het akkoord en voor Nederland relevante afspraken daarin. Na ontvangst van die appreciatie heeft de Kamer de gelegenheid om desgewenst in debat te gaan met het kabinet over het akkoord, alvorens sprake is van daadwerkelijke besluitvorming door de Raad. Naar aanleiding van de motie Teunissen c.s., communiceert het kabinet het afwijzende standpunt van de Tweede Kamer in Brussel, zoals aangegeven in de Kamerbrief van 16 december 2024.
Het kabinet heeft besloten bovenop de afgesproken bezuinigingen in het coalitieakkoord het budget voor Official Development Assistance (ODA) bij de Miljoenennota niet aan te passen naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Indien de MEV was verwerkt op basis van een koppeling van 0,7%, zou het ODA-budget in 2025 met € 319 miljoen zijn gestegen. Deze historische bezuinigingen zijn in de begroting voor 2025 pro rata naar de omvang van het thema verdeeld over alle sub artikelen van de begroting. Wat is nu bekend over de prioriteiten van het BHO-beleid? Hoe zullen deze beleidsmatig en financieel doorwerken in de jaren na 2025?
Antwoord
Binnenkort informeer ik de Kamer in mijn beleidsbrief over de beleidsinhoudelijke inzet voor ontwikkelingshulp voor het jaar 2026 en verder. Hierin worden duidelijke inhoudelijke en budgettaire keuzes gemaakt voor het nieuwe beleid. Bij de 1e suppletoire begroting 2025 worden de bezuinigingen voor deze jaren definitief verwerkt.
Op 12 december 2024 is amendement-Bontebal c.s.4 in de Tweede Kamer ingediend en diezelfde dag aangenomen. In artikel 5, Multilaterale samenwerking en overige inzet, wordt het verplichtingen- en uitgavenbedrag verlaagd met € 865.000. Wat is de impact van dit amendement op het ontwikkelingshulpbudget? Wat zijn de gevolgen voor VN-organisaties en/of organisaties die zijn belast met vrede en veiligheid, zoals de OVSE?
Antwoord
Het amendement Bontenbal ziet toe op dekking van het maatregelenpakket voor de OCW-begroting. De dekking van het amendement Bontenbal is tijdelijk geboekt op het verdeelartikel 5.4 (ook wel bufferartikel) van de BHO-begroting in afwachting van besluitvorming over de inhoudelijke invulling van de dekking in het voorjaar. Het amendement is dus niet verwerkt op artikelonderdeel 5.1 multilaterale samenwerking en daarmee leidt het amendement in de ontwerpbegroting 2025 niet tot verminderd budget voor genoemde organisaties. U wordt geïnformeerd over de definitieve invulling van het amendement middels de 1esuppletoire begroting 2025. Conform het amendement is een bredere, niet-beleidsinhoudelijke invulling mogelijk.
Gedurende vele jaren heeft Nederland via gerichte beurzenprogramma’s veel studenten uit het mondiale zuiden ondersteund. Dit heeft niet alleen bijgedragen aan deskundigheidsontwikkeling, maar ook alumni in sleutelposities bij overheden en bedrijven opgeleverd. Deze programma’s zijn naar de mening van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie een essentiële schakel in het uitbreiden van het Nederlandse netwerk waar ook het Nederlandse bedrijfsleven van profiteert. Het laatste beurzenprogramma, Orange Knowledge Programme, is in 2023 beëindigd. Wat zijn de voornemens van de regering voor een nieuw programma, en op welke termijn zal dit gerealiseerd worden?
Antwoord
Het Orange Knowledge Programme (OKP) is op 31 december 2024 beëindigd en wordt in 2025 geëvalueerd. Binnenkort informeer ik de Kamer in mijn beleidsbrief over de beleidsinhoudelijke inzet voor ontwikkelingshulp voor het jaar 2026 en verder. Hierin worden duidelijke inhoudelijke en budgettaire keuzes gemaakt met het oog op het nieuwe beleid.
De Minister heeft herhaaldelijk het belang van kennis en kunde benadrukt. Dit sluit aan bij de triple helix of Dutch diamond-benadering, waarbij overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen gezamenlijk beleid ontwikkelen en uitvoeren. Deze leden vragen de regering of zij nog steeds van mening is dat kennisinstellingen (waaronder onderzoeks- en onderwijsinstellingen en kennis-Ngo’s) cruciaal zijn voor effectief beleid. Hoe wordt een stabiele samenwerking en bekostiging van deze internationale kennisinfrastructuur gewaarborgd binnen de BHO-begroting?
Antwoord
Nederlandse kennisinstellingen blijven met hun unieke kennis onverminderd van belang voor effectieve ontwikkelingshulp. De «Dutch diamond» benadering op het terrein van voedselproductie wordt voortgezet, en ook in bijvoorbeeld de watersector blijven Nederlandse kennisinstelingen en -bedrijven belangrijke samenwerkingspartners. Dit past goed in het nieuwe beleid waarin het Nederlands belang sterker voorop staat en er wordt gekeken naar win-win mogelijkheden met partnerlanden. Financiering van kennisinstellingen vindt dan plaats vanuit de thematische budgetten.
Nederland heeft de verplichting om het humanitair recht en het oorlogsrecht te bevorderen. Hoeveel hulpverleners zijn wereldwijd sinds 1 januari 2023 gedood door oorlogshandelingen, specifiek in Gaza sinds 8 oktober 2023? Welke humanitaire organisaties hebben in Gaza medewerkers verloren door oorlogshandelingen van Israël? Welke stappen heeft Nederland gezet om de veiligheid van hulpverleners te vergroten? Op welke manier heeft Nederland voldaan aan zijn verplichtingen om te bevorderen dat Israël en andere strijdende partijen zich aan het internationaal recht houden?
Antwoord
Het geweld tegen hulpverleners in Gaza baart het kabinet grote zorgen. Hulpverleners mogen nooit doelwit zijn van geweld. Nederland blijft in dit kader onderstrepen dat het humanitair oorlogsrecht nageleefd moeten worden. Binnen het recente staakt-het-vuren zijn onder meer afspraken gemaakt over de levering van humanitaire hulp, en Nederland zal blijven toezien dat hierbij de bescherming van hulpverleners wordt gewaarborgd.
Er zijn bij het kabinet diverse bronnen bekend met verschillende cijfers. In de beantwoording van deze vraag hanteert het kabinet de cijfers van het Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Aangelegenheden van de VN (OCHA). In de periode van 8 oktober 2023 tot 31 december 2024 zijn voor zover bekend 363 hulpverleners gedood in Gaza, zo rapporteerde OCHA. Dit betrof 262 VN-stafleden, 34 hulpverleners van de Rode Kruis- en Halve Maanbeweging, en meer dan 67 hulpverleners die voor andere organisaties werkten. Wereldwijd werden in 2023 circa 280 hulpverleners gedood, en in 2024 circa 300. Dat maakte van 2024 het dodelijkste jaar voor hulpverleners tot nu toe.
Op welke wijze geeft Nederland opvolging aan de VN-Veiligheidsraadresoluties 2286 (2016) (verbod op aanvallen op de medische sector) en 2417 (2018) (verbod op inzet van honger als oorlogswapen)? Welke specifieke acties heeft de Nederlandse regering ondernomen om Israël verantwoordelijk te houden voor het schenden van deze resoluties?
Antwoord
Nederland roept Israël consequent op zich te houden aan het internationaal humanitair oorlogsrecht en andere internationaalrechtelijke verplichtingen, inclusief VN-veiligheidsresoluties. Ziekenhuizen en medisch personeel genieten speciale bescherming onder het humanitair oorlogsrecht. Ziekenhuizen moeten te allen tijde worden ontzien en beschermd. Tegelijkertijd mogen ziekenhuizen niet misbruikt worden voor militaire doeleinden. Nederland heeft Israël bilateraal, en samen met gelijkgezinde landen, bovendien opgeroepen de humanitaire toegang tot Gaza te verbeteren. Israël heeft een verplichting om hulp te faciliteren en daarmee hongersnood te voorkomen. Gedegen en onafhankelijk onderzoek zal nodig zijn vast te stellen of er schendingen hebben plaatsgevonden.
Israël heeft systematisch infrastructuur, scholen, ziekenhuizen en opslagplaatsen van UNRWA in Gaza gebombardeerd en vernield. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering een overzicht te geven op basis van de rapporten van de VN-instellingen en internationale humanitaire en mensenrechtenorganisaties van deze aanvallen sinds 8 oktober 2023.
Antwoord
Afgelopen zomer concludeerde VN-dienst UNOSAT, op basis van satellietbeelden, dat meer dan twee derde van alle gebouwen in Gaza beschadigd geraakt. UNRWA meldde op 16 januari dat bij UNRWA-faciliteiten in totaal 665 conflictgerelateerde incidenten hebben plaatsgevonden sinds 8 oktober. In deze periode hebben 201 UNRWA-faciliteiten (ernstige) schade opgelopen door Israëlische aanvallen.
Nu er sinds zondag 19 januari 2025 een akkoord is tussen Hamas en Israël, met afspraken over de vrijlating van gevangenen en gijzelaars, humanitaire hulp aan Gaza en de terugtrekking van Israël, hoe zal humanitaire hulp worden gedistribueerd in het verwoeste Gaza? Welke extra middelen is Nederland bereid beschikbaar te stellen voor humanitaire hulp aan Gazanen, die in woorden van President Biden in een hel leven? Is Nederland van plan zijn bijdrage aan UNRWA te verhogen om de taken van deze organisatie te ondersteunen?
Antwoord
Sinds de inwerkingtreding van het staakt-het-vuren 19 januari jl. is de humanitaire respons in Gaza aanzienlijk opgeschaald. Er blijven uitdagingen bestaan bij de invoer van humanitaire hulp en de distributie binnen Gaza wordt bemoeilijkt door onder meer de vernietigde infrastructuur, het tekort aan vrachtwagens voor distributie van goederen, en restrictieve visumprocessen voor hulpverleners. Op 30 januari verloopt de deadline voor implementatie van Israëlische wetgeving die het werk van UNRWA zal beïnvloeden. Dit kan mogelijk negatieve consequenties hebben voor de efficiënte en ordentelijke distributie van hulp. Nederland blijft met humanitaire partners en andere landen, waaronder Israël, in dialoog over uitdagingen en belemmeringen voor humanitaire hulpverlening en het belang van continuïteit van humanitaire hulp.
Omwille van continuïteit van hulp is belangrijk dat hulporganisaties voldoende financiering hebben voor hun activiteiten. Daar heeft Nederland sinds 8 oktober 2023 aan bijgedragen, met additionele humanitaire bijdragen aan verschillende humanitaire partners, ter waarde van circa 77 miljoen euro. We blijven de situatie nauwgezet volgen, en zien dat op dit moment nog goederen op voorraad zijn in de logistieke keten. Deze goederen moeten eerst Gaza in. Nederland ondersteunt de VN, de Rode Kruis-beweging en de Dutch Relief Alliance tevens met meerjarige, financiële en flexibele bijdragen wat hen in staat stelt om snel en effectief te werken in crises wereldwijd, waaronder in de Palestijnse Gebieden. Het aangekondigde EU steunpakket van 120 miljoen voor humanitaire hulp in Gaza, waar Nederland ook aan bijdraagt, is een belangrijke stap om de humanitaire situatie te verbeteren. Het kabinet onderstreept daarnaast dat het belangrijk is dat ook andere landen, in het bijzonder de Golfstaten, verantwoordelijkheid blijven nemen om te humanitaire situatie te helpen verbeteren. In de jaarlijkse Kamerbrief Humanitaire Hulp, die uw Kamer binnen afzienbare termijn zal toekomen, wordt de Nederlandse humanitaire inzet voor 2025 nader toegelicht.
Daarnaast dient de betaling van de kernbijdrage aan UNRWA, voor hun reguliere werk nog overgemaakt te worden. Het aanhouden van de betaling past binnen de terughoudendheid die, zeker gezien de amendering door de Tweede Kamer en de hiermee samenhangende noodzaak tot het openbreken van de lopende verplichting, betracht dient te worden.
Welke initiatieven zal de regering nemen, al dan niet in EU- en VN-verband, om effectieve toelating en distributie van hulp naar Gazanen mogelijk te maken?
Antwoord
Nederland blijft zich, ook in VN en EU verband, diplomatiek inspannen voor veilige, ongehinderde en structurele toegang tot mensen in nood in Gaza. Nederland pleit voor toelating van voldoende goederen en ook de juiste goederen, die nodig zijn om te reageren op de ontstane noden. Nederland pleit ook voor het verruimen van mogelijkheden voor hulporganisaties om hulp op ordentelijke en veilige wijze te kunnen distribueren naar alle mensen in nood in Gaza. Nederland verzoekt Israël om het werk van hulporganisaties – waaronder alle VN-organisaties, Rode Kruis- en Halve Maanbeweging en internationale ngo’s – te faciliteren. Dat betreft onder meer registratie- en visumprocessen, en de mogelijkheid om hulpoperaties adequaat te coördineren met Israëlische strijdkrachten ten behoeve van de veiligheid van hulpverleners. Nederland ziet verder toe op de concrete humanitaire afspraken die gemaakt zijn binnen het staakt-het-vuren, in gesprekken met Israël en andere partners, zoals de VS, Qatar en Egypte. Het is essentieel dat humanitaire toegang niet opnieuw verslechtert, ongeacht het verdere verloop van beslechting van het conflict.
Volgens de speciale coördinator voor noodhulp en wederopbouw van Gaza, mevrouw Kaag, zal naar schatting € 100 miljard nodig zijn voor de wederopbouw van Gaza. Hoe wil Nederland hieraan bijdragen?
Antwoord
Nederland zal zich inzetten voor het herstel, de stabilisatie en wederopbouw van Gaza. Wederopbouw is pas aan de orde als het staakt-het-vuren duurzaam standhoudt. Gezien de enorme omvang van de schade is een gezamenlijke internationale inspanning nodig. Hier moeten ook de landen in de regio verantwoordelijkheid nemen. De EU, de Wereldbank en de VN brengen hier begin 2025 een nieuw Interim- Rapid Damage and Needs Assessment voor uit. Nederland zal op basis van dit assessment en in samenwerking met internationale partners bijdragen aan wederopbouw. Hier staat nog 20 mln. euro voor gereserveerd in 2025.
In antwoord op schriftelijke vraag 121 van de Tweede Kamer, «Kunt u een overzicht geven van de financiële middelen die Nederland besteedt aan onderzoek, documentatie en bewijsgaring over schendingen van het internationaal humanitair recht in situaties van gewapend conflict en kunt u dat uitsplitsen per land, dan wel conflict?»,5 schrijft de regering: In 2023 hebben Nederlandse posten in 13 landen € 2,5 miljoen uitgegeven aan het thema Tackling impunity for the most serious crimes. Uitzonderingen zijn de extra middelen voor accountability in Oekraïne en het conflict tussen Israël en Hamas, die centraal worden gefinancierd. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de regering of zij een volledig overzicht kan geven van de centrale middelen die zijn uitgegeven aan accountability in Oekraïne en de oorlogshandelingen van Israël tegen Palestijnen in de Westelijke Jordaanoever en Gaza.
Antwoord
Zoals aangeven bij de beantwoording van bovengenoemde vraag 121 van de Tweede Kamer, worden projecten gericht op het tegengaan van straffeloosheid voor schendingen van het internationaal recht door onderzoek, documentatie en bewijsvergaring vooral gefinancierd met middelen uit Hoofdstuk V van de Rijksbegroting voor Buitenlandse Zaken.
Hieronder valt een vrijwillige bijdrage voor de versterking van de algehele onderzoekscapaciteit van het Strafhof van drie miljoen euro na de gewapende aanval van Hamas op Israël en de daaropvolgende geweldsspiraal en van 3 miljoen euro na de Russische inval in Oekraïne. Ook het kantoor van de Hoge Vertegenwoordiger voor Mensenrechten (OHCHR) heeft extra bijdragen ontvangen voor de veldkantoren in de Palestijnse Gebieden en Oekraïne ter ondersteuning van hun taken, respectievelijk 1 miljoen dollar en 2,2 miljoen dollar. Voor een verder overzicht verwijs ik u naar de BZ begroting.
Vanuit de BHO-begroting heeft Nederland 1,63 miljoen euro bijgedragen aan Global Rights Compliance (GRC) voor de inrichting van Starvation Mobile Justice teams in Oekraïne, gericht op waarheidsvinding over het gebruik van honger als oorlogswapen.
Nu er een einde is gekomen aan het dictatoriale regime van Assad in Syrië vragen deze leden welke steun Nederland zal bieden aan de wederopbouw van het land en het bevorderen van democratische ontwikkelingen in een post-Assad-tijdperk, met speciale aandacht voor de rechten van vrouwen en minderheden. Welke financiële ruimte heeft de regering om na de enorme bezuinigingen op Ontwikkelingsbudget hierop effectief te reageren?
Antwoord
Nederland droeg voor de val van het voormalige regime al bij aan humanitaire hulp, initiatieven voor bewijsgaring en verantwoording voor de misdaden van het voormalige regime, humanitaire ontmijning en stabilisatie in gebieden die niet onder het voormalig regime vielen. Momenteel worden de mogelijkheden verkend hoe Nederland een stabiel en veilig Syrië verder kan ondersteunen. Dit is van belang om bij te dragen aan het voorkomen van het oplaaien van conflicten (die zouden kunnen leiden tot nieuwe ontheemding), maar ook om terugkeer mogelijk te maken en te vermijden dat Syrië zich ontwikkelt tot voedingsbodem voor terrorisme. Het Kabinet kan nog niet op deze plannen vooruitlopen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van D66 en Volt gezamenlijk
Algemene bezuinigingen
De leden van de fracties van D66 en Volt vragen de regering waarom er is gekozen voor een kaasschaafmethode waar op ieder artikel een bepaald percentage wordt bezuinigd. Gaat de beleidsbrief daar een verandering in aanbrengen zodat de begroting van 2025 nog een nota van wijziging krijgt? Komt deze nota van wijziging rondom de voorjaarsnota of net als in 2024 rondom de begroting van 2026?
Antwoord
Omwille van de zorgvuldigheid van de nadere uitwerking van het beleid en de daaraan gekoppelde budgetten is voor 2025 gekozen om de bezuiniging pro rata naar omvang van het thema te verdelen over alle subartikelen van de begroting 2025. Bovendien maakt een pro rata bezuiniging het mogelijk om lopende juridische contracten en verplichtingen te respecteren, meer dan wanneer op dit moment een inhoudelijke keuze gemaakt zou worden om te bezuinigen op een specifiek beleidsterrein. Binnenkort informeer ik u in de beleidsbrief over de beleidsinhoudelijke inzet voor ontwikkelingshulp voor het jaar 2026 en verder. Hierin worden duidelijke inhoudelijke en budgettaire keuzes gemaakt voor het nieuwe beleid. Bij de 1e suppletoire begroting 2025 worden de bezuinigingen voor deze jaren definitief verwerkt. Het kabinet verwacht voor de 1e suppletoire begroting 2025 geen nota van wijziging op de Ontwerpbegroting van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp 2025 aan het parlement te sturen.
De regering laat een groot deel van de bezuinigingen neerdalen bij de organisaties in het maatschappelijk middenveld. De regeling met deze organisaties loopt eind 2025 af. Heeft de regering een evaluatie van de doelmatigheid en doeltreffendheid van het werk via deze organisaties gedaan? Zo niet, is de regering voornemens een dergelijke evaluatie uit te voeren? Waarom wordt er relatief meer bezuinigd op het maatschappelijk middenveld door een herziening op de toekomstige strategische partnerschappen dan op andere terreinen?
Antwoord
Er zijn tussentijdse evaluaties uitgevoerd van alle strategische partnerschappen binnen het beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld. De meta-evaluatie hiervan is gepubliceerd. Op dit moment worden de eindevaluaties van de partnerschappen voorbereid. Ook zal de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) een evaluatie uitvoeren van het beleid op sociale ontwikkeling in de periode 2018–2024. Maatschappelijke organisaties zijn en blijven belangrijk voor effectieve ontwikkelingshulp.
Er wordt vanaf 2026 circa EUR 200 mln. per jaar bezuinigd op de versterking van het maatschappelijk middenveld. Dit is slechts een beperkt deel van de totale bezuiniging op ODA. Daarnaast komt op het moment 70% van de totale financiering voor ngo’s buiten het Versterking Maatschappelijk Middenveld-beleidskader om, bijvoorbeeld voor humanitaire hulp. Aangezien de strategische partnerschappen van het VMM-kader op 31 december van dit jaar eindigen, heeft het kabinet vanuit bestuurlijk oogpunt besloten om organisaties tijdig duidelijkheid te geven over de opvolging hiervan. Ook geeft het kabinet daarmee invulling aan de toezegging aan het lid Boswijk om de Kamer in 2024 te informeren over het nieuwe programma voor het maatschappelijk middenveld na 2025.
De regering vermindert het budget voor ontwikkelingssamenwerking volgens het hoofdlijnenakkoord vanwege «de schuivende verhoudingen in de wereld». Op welke verschuivende verhoudingen doelt zij? Hoe is deze bezuiniging te rijmen met de opmerking in het regeerprogramma «Op veel plekken in de wereld neemt de stabiliteit af en verslechtert de bestaanszekerheid». De opkomst van nieuwe machten leidt tot geopolitieke competitie, spanningen en conflicten. Niet iedereen speelt volgens de geldende spelregels»? Hoe moeten de leden van de fracties van D66 en Volt dit rijmen met de referentie aan één wereld met oplopende geopolitieke spanningen» in de memorie van toelichting?
Antwoord
In de financiële paragraaf van het Regeerprogramma wordt toegelicht dat het kabinet scherpe keuzes moet maken vanwege de beperkte financiële middelen. De afname van internationale budgetten, waaronder ontwikkelingshulp (ODA) is daarvan onderdeel. Zoals in het hoofdstuk over Internationale veiligheid (9a) is toegelicht kiest het kabinet ervoor om vast te houden aan het bevorderen van sociaaleconomische ontwikkeling van partnerlanden in lijn met de internationaal geldende ontwikkelingsdoelen. Dit is in het belang van die landen en hun bevolking én in ons belang, omdat het ten goede komt aan onze economie en bedrijven, irreguliere migratie helpt voorkomen en onze veiligheid bevordert. Daarbij blijft Nederland inzetten op thema’s waarbij Nederland expertise en belang heeft en meerwaarde heeft te bieden aan deze landen.
Onderwijs
Hoe kijkt de regering aan tegen onderwijs in het budget van BHO? Ziet de regering ook geen toegevoegde waarde van onderwijs dat juist helpt bij het doorbreken van de armoedecyclus, verminderen van ongelijkheden en het bevorderen van gendergelijkheid en daarbij ook het tegengaan van grondoorzaken migratie?
Antwoord
De bezuinigingen voor 2026 en verder vragen een zorgvuldige weging en zijn tijdelijk naar rato verdeeld over de verschillende thema’s op de BHO-begroting, zoals onderwijs. U wordt op een later moment geïnformeerd over de beleidsinhoudelijke verdeling van de bezuinigingen. Over de toekomstige inzet op Beroeps- en Hoger Onderwijs wordt u geïnformeerd via de beleidsbrief over de beleidsinhoudelijke inzet voor ontwikkelingshulp voor 2026 en verder.
Vrede & veiligheid, Oekraïne
Met betrekking tot de hulp aan Oekraïne stelt de regering in de memorie van toelichting dat «Door het op peil houden van de leefomstandigheden worden ook migratiestromen voorkomen, en de terugkeer van ontheemden gestimuleerd.»6 Waarom zou dit niet gelden voor hulp aan andere landen? Hoe verschillen die van de Oekraïners, zo vragen de leden van de fracties van D66 en Volt. De budgetten voor opvang in de regio van asielzoekers wordt verlaagd. Hoe rijmt de regering dit met het voornemen om de asielstroom naar de EU en Nederland terug te dringen?
Antwoord
In algemene zin kunnen verslechterende leefomstandigheden bijdragen aan migratie. Internationale hulp – waaronder die van Nederland – wordt aan meerdere landen gegeven en is er onder andere op gericht om landen te helpen bij hun ontwikkeling. Daar is geen onderscheid tussen deze landen en Oekraïne.
De bezuinigingen voor 2026 en verder vragen een zorgvuldige weging en zijn daarom tijdelijk naar rato verdeeld over de verschillende thema’s op de BHO-begroting, zo ook over het budget voor opvang in de regio. U wordt op een later moment via de beleidsbrief geïnformeerd over de beleidsinhoudelijke verdeling van de bezuinigingen.
In de begrotingsstaat zien deze leden ook een financiële kaalslag als het gaat over de bezuinigingen op zowel Nederlandse als Zuidelijke maatschappelijke organisaties. Dit kabinet is voornemens de fundamentele bijdrage aan de internationale vrouwen, vrede & veiligheidsagenda te stoppen. Gezien de beoogde bezuinigingen op het Women Peace Security (WPS) instrument: in hoeverre geeft de Nederlandse overheid uitvoering aan resoluties van de Veiligheidsraad, alsook de gemaakte toezeggingen in internationale samenwerkingsverbanden zoals NAVO om actief een volwaardige rol van vrouwen (met name religieuze leiders en actoren) bij de preventie en het oplossen van conflicten te bevorderen?
Antwoord
Het kabinet heeft besloten om een instrument gericht op Vrouwen, Vrede en Veiligheid toe te voegen aan het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp, waarmee uitvoering wordt gegeven aan de motie Boswijk c.s. Nederland geeft onder meer met diplomatieke en financiële inzet uitvoering aan VN-resolutie 1325 over vrouwen, vrede en veiligheid op basis van Nationale Actieplannen 1325. Op dit moment wordt via verschillende WPS-programma’s de rol van vrouwen in conflictpreventie en conflictoplossing versterkt, onder meer door leiderschapstrainingen voor vrouwen en betrokkenheid van traditionele en religieuze leiders en andere actoren. Ook zet Nederland zich in NAVO-verband in voor de integratie van WPS-beleid binnen de drie NAVO-kerntaken. In 2024 heeft de NAVO het WPS-beleid gevat in vier strategische doelen: gendersensitief leiderschap en accountability, betekenisvolle participatie van vrouwen binnen de NAVO en nationale krijgsmachten, voorkomen en tegengaan van dreigingen die een disproportioneel negatief effect hebben op de levens van vrouwen en meisjes en bescherming tegen seksueel en gender gerelateerd geweld.
WPS is een instrument dat een fundamentele bijdrage levert aan het vergroten van de stabiliteit en veiligheid in fragiele staten, door het steunen van de actieve rol van vrouwen en jongeren conform onze gedeelde democratische waarden. Inclusieve conflictbeheersing, vredesprocessen en wederopbouw zijn noodzakelijk voor het bevorderen van lange termijn veiligheid en stabiliteit, zo stellen de leden van de fracties van D66 en Volt. Erkent de regering dat de bescherming van gendergelijkheid en vrouwenrechten een fundamentele rol vervult in fragiele staten? Is de regering bereid te investeren in gendergelijkheid en vrouwenrechten om representatie te bevorderen in besluitvormingsstructuren in fragiele staten en/of opbouw- en vredesprocessen?
Antwoord
Het kabinet erkent het belang van volwaardige participatie van vrouwen in vredesprocessen, wederopbouw en besluitvorming in fragiele staten. Dit is een kerndoelstelling van VN-resolutie 1325 en daarmee ook van het eerder genoemde Nationaal Actieplan 1325. Het kabinet heeft uitvoering gegeven aan de motie Boswijk c.s. en besloten om een specifiek instrument te ontwikkelen voor vrouwen, vrede en veiligheid. Dit instrument, dat momenteel in uitwerking is, zal onder andere gericht zijn op de actieve betrokkenheid en representatie van vrouwen bij vredesprocessen in crisis- en conflictregio’s.
Wat is de voortgang van de motie Boswijk c.s.7 over het WPS-fonds? Wat is de stand van zaken van het onderzoek om de mogelijkheden om dit WPS-instrument voort te zetten na 2025? Kan de regering de Eerste Kamer over de uitkomst daarvan informeren?
Antwoord
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 21 januari 2025 aan de Tweede Kamer ter voorbereiding op het commissiedebat over de toekomstige samenwerking met maatschappelijke organisaties geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Boswijk c.s. Het kabinet heeft besloten om een instrument te ontwikkelen voor vrouwen, vrede en veiligheid. Over de verdere uitwerking van dit instrument zal de Kamer in het voorjaar worden geïnformeerd.
Een ander negatief effect op de bezuinigingen op maatschappelijke organisaties, waaronder vrouwenrechtenorganisaties, belemmert ook Nederlandse bedrijven die met de Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen aan de slag moeten gaan. Gezamenlijke pleitbezorging door vrouwenrechtenorganisaties, vakbonden en andere maatschappelijke organisaties in het mondiale Zuiden en Noorden heeft daarbij een cruciale functie: juist groepen die te maken hebben met groeiende onderdrukking en uitbuiting van een eigen overheid of in internationale waardeketens, hebben internationale steun van gelijkgezinde maatschappelijke organisaties hard nodig, zo constateren de leden van de fracties van D66 en Volt. Dit kabinet stelt dat Nederland staat voor internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen en daarbij sectorale samenwerking wil stimuleren. Onderkent de regering dat vrouwenrechtenorganisaties een essentiële bron zijn van betrouwbare informatie over ketenrisico’s voor Nederlandse internationaal opererende bedrijven en daarmee een cruciale rol spelen bij de effectieve implementatie van de Wet Internationaal Verantwoord Ondernemen?
Antwoord
Het kabinet onderkent dat maatschappelijke organisaties, waaronder vrouwenorganisaties, een waardevolle rol kunnen spelen om Nederlandse bedrijven te helpen inzicht te krijgen in hun keten en te adviseren hoe om te gaan met risico’s voor mens en milieu. Tevens komt er in het nieuwe beleidskader voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp een nieuw instrument voor het bevorderen van schone en eerlijke handel, zoals aangegeven in de betreffende Kamerbrief (Kamerstuk 36 600-XVII-13).
Hoe kijkt de regering aan tegen de rol van vrouwenorganisaties in relatie tot de voorgenomen beleidskeuzes en geplande bezuinigingen op deze organisaties, waarbij onder meer pleitbezorging expliciet wordt uitgesloten?
Antwoord
Vrouwenorganisaties spelen een belangrijke rol in de uitvoering van de BHO-beleidsprioriteiten van het kabinet. Ze vormen een belangrijke schakel in bijvoorbeeld het bereiken van kwetsbare groepen, en het verbeteren van toegang tot dienstverlening voor slachtoffers van geweld. In het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp wordt de financiering van pleiten en beïnvloeden in Nederland en internationaal uitgesloten, maar niet op lokaal niveau. Zo kunnen maatschappelijke organisaties een kritische dialoog voeren met overheden en andere invloedrijke partijen in hun land.
Zoals uiteengezet in de kamerbrief Toekomst samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp zet het kabinet de komende jaren in op de ondersteuning van in het bijzonder lokale maatschappelijke organisaties. Hier vallen ook vrouwenorganisaties onder. Binnen dit kader zet het kabinet bovendien specifiek in op de thema’s vrouwelijk ondernemerschap, de bestrijding van geweld tegen vrouwen, en vrouwen, vrede en veiligheid.
Heeft de regering helder in beeld wat de effecten hiervan zullen zijn voor de vrouwen en meisjes die werkzaam zijn in mondiale waardeketens van Nederlandse bedrijven? Heeft de regering ook in beeld op welke wijze Nederlandse bedrijven hierdoor belemmerd worden in effectieve IMVO- implementatie?
Antwoord
Aandacht voor de positie van vrouwen en meisjes is onderdeel van ontwikkelingshulpprogramma’s t.b.v. het verduurzamen van mondiale waardeketens, die juist ondersteunend zullen werken bij de implementatie van IMVO-wetgeving. Dit geldt ook voor de nog uit te werken ondersteuning van het maatschappelijk middenveld bij het bevorderen van schone en eerlijke handel in het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties.
Het kabinet ondersteunt verder bedrijven bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid in waardeketens, ook in relatie tot risico’s voor de positie van vrouwen en meisjes. Zo werkt de OESO met ondersteuning van Nederland aan een nieuwe tool die bedrijven helpt bij het in kaart brengen en beperken van risico’s voor vrouwen en meisjes in de waardeketen. Zodra deze tool gereed is wordt deze via het MVO-steunpunt ontsloten voor het bedrijfsleven.
Humanitaire Hulp
Vervolgens vragen de leden van de fracties van D66 en Volt de regering hoe wordt bepaald welke humanitaire noden prioriteit krijgen, gezien de beperkte middelen voor noodhulp in 2025?
Antwoord
De Nederlandse bijdragen aan humanitaire organisaties zijn flexibel en grotendeels meerjarig vastgelegd. Humanitaire organisaties kunnen de middelen inzetten, waar de noden het hoogst zijn. Zo kunnen zij snel reageren op nieuwe of opnieuw oplaaiende crises en kunnen zij ook steun geven aan mensen in crises die minder in de aandacht staan. In aanvulling daarop wordt jaarlijks de inzet bepaald t.a.v. een beperkt aantal crises. Dat gebeurt op basis van een wereldwijde afweging van de grootste noden.
In de memorie van toelichting stelt de regering dat de bijdragen aan UNHCR (Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen), UNRWA (Organisatie van de Verenigde Naties voor hulpverlening aan Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten) en het Wereldvoedselprogramma geheel juridisch verplicht zijn. Toch is via het amendement Stoffer/Eerdmans8 4 miljoen aan steun voor UNRWA afgehaald. Hoe is dit uitvoerbaar? Hoe worden de vrijgekomen middelen uit de afbouw van UNRWA-financiering herbestemd om humanitaire noden in de regio te blijven ondersteunen?
Antwoord
De juridische verplichting komt voort uit het lopende contract met de organisaties voor de periode 2023–2025. Zoals in Kamerbrief 26 150 nr. 220 gedeeld, kent het onderliggende contract evenwel een aantal ontbindende voorwaarden, waaronder het voorbehoud van parlementaire goedkeuring. De Tweede Kamer heeft de oorspronkelijk voorziene bijdrage van 19 miljoen euro voor 2025 met een amendement verlaagd naar 15 miljoen euro. Om die reden zal, na goedkeuring op de begroting van de Eerste Kamer, het contract opengebroken worden en de bijdrage voor 2025 worden verlaagd, waarna overgegaan zal worden tot betaling. De vrijgekomen middelen zullen ingezet worden voor de humanitaire respons in de Palestijnse Gebieden via andere kanalen en draagt bij aan diversificatie van humanitaire hulp.
UNRWA is een door de VN gemandateerde organisatie en is door dat mandaat de levenslijn voor miljoenen Palestijnen in Gaza, de Westelijke Jordaanoever, en omliggende landen, waar zij kritieke basale dienstverlening, waaronder onderwijs en medische zorg, verleent via een netwerk van 30.000 stafleden die zij in dienst heeft.
In Gaza dient UNRWA als de ruggengraat van de humanitaire hulpverlening door haar enorme logistieke en operationele capaciteit en kennis, waarvan andere organisaties, waaronder ook Oxfam, afhankelijk zijn om hulp te leveren. Zo is UNRWA bijvoorbeeld verantwoordelijk voor het runnen van gezondheidsklinieken, scholen, warenhuizen, het transport en de afgifte van brandstof (waaronder aan humanitaire organisaties), transport en afgifte van een deel van de voedselhulp, coördinatie van de humanitaire hulpverlening, en meer. Gezien haar mandaat en rol zal UNRWA ook een sleutelrol moeten spelen in de wederopbouw van Gaza, zo constateren de leden van de fracties van D66 en Volt. Welk alternatief zou er volgens de regering de cruciale rol van UNRWA direct op zich kunnen nemen, gezien de omvang en capaciteit van UNRWA?
Antwoord
De rol die verschillende VN-organisaties, waaronder UNRWA, kunnen spelen bij stabilisatie, herstel en wederopbouw van Gaza, moet nog nader uitgewerkt worden.
De Minister heeft recentelijk aangegeven de betalingen aan UNRWA te stoppen totdat de begroting 2025 door de Eerste Kamer is aangenomen. Hoe verhoudt zich dat met de door de regering zelf aangegeven juridische verplichtingen? Hoe denkt de regering gebruik te maken van het regime van de twaalfden, dat wil zeggen het op de begroting 2024 gebaseerde beschikbare middelen? Welk effect heeft de tijdelijke stopzetting van de UNRWA-betalingen op de liquiditeit van de organisatie, zo vragen de leden van de fracties van D66 en Volt.
Antwoord
Het regime van de twaalfden is in de Comptabiliteitswet vervangen door artikel 2.25, dat stelt dat nieuw beleid niet in uitvoering wordt genomen, en lopend beleid met terughoudendheid uitgevoerd wordt, zolang er geen aangenomen begroting is. Het aanhouden van de betaling past binnen de terughoudendheid die, zeker gezien de amendering door de Tweede Kamer en de noodzaak dat het lopende contract opengebroken moet worden, betracht dient te worden. Indien de begroting wordt aangenomen in het eerste kwartaal van 2025 zal daarmee de betaling net als de andere humanitaire betalingen nog altijd in de eerste maanden van het jaar worden overgemaakt.
Duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat
Verder constateren deze leden dat uit de begroting blijkt dat de regering flink gaat bezuinigen op duurzame ontwikkeling, voedselzekerheid, water en klimaat. Welke impact hebben de bezuinigingen op voedselzekerheidsprogramma's op het vermogen van kwetsbare gemeenschappen om zelfvoorzienend te worden? Wat zijn de prioriteiten op het gebied van voedselzekerheid en hoe ziet de regering de rol van het maatschappelijk middenveld ter plaatse en in Nederland ten aanzien van de internationale inzet op voedselzekerheid en voeding? Zal Nederland, de Minister of een Nederlandse afvaardiging, deel blijven nemen aan belangrijke internationale fora/bijeenkomsten waar de Nederlandse rol en expertise van belang is, zoals Nutrition4Growth Summit en de SUN Global Gathering?
Antwoord
De bezuinigingen voor 2026 en verder vragen een zorgvuldige weging en zijn daarom tijdelijk naar rato verdeeld over de verschillende thema’s op de BHO-begroting, zo ook over het budget voor voedselzekerheid. U wordt op een later moment geïnformeerd over de beleidsinhoudelijke verdeling van de bezuinigingen. Hierbij zal het kabinet ook de prioriteiten en inzet op voedselzekerheid verder uiteen zetten. Maatschappelijke organisaties zijn en blijven belangrijk voor effectieve ontwikkelingshulp. Nederland zal deel blijven nemen aan internationale fora en bijeenkomsten op gebied van voedselzekerheid.
Daarnaast vragen de leden van de fracties van D66 en Volt de regering hoe de impact van bezuinigingen op voedselzekerheidsprogramma’s wordt gemonitord en geëvalueerd, specifiek in fragiele gebieden met hoge migratiedruk. Hoe wordt de samenwerking met private partners ingezet om budgettaire beperkingen te compenseren en impact te vergroten? Welke strategieën worden gebruikt om private investeringen aan te trekken in voedselzekerheid, en hoe wordt gegarandeerd dat deze duurzaam en inclusief zijn?
Antwoord
De bezuinigingen voor 2026 en verder vragen een zorgvuldige weging en zijn daarom tijdelijk naar rato verdeeld over de verschillende thema’s op de BHO-begroting, zo ook over het budget voor voedselzekerheid. U wordt op een later moment geïnformeerd over de beleidsinhoudelijke verdeling van de bezuinigingen. Hierbij zal het kabinet ook de prioriteiten en de beleidsinzet op voedselzekerheid verder uiteen zetten.
Hoe wordt de afname van financiële bijdragen aan klimaatfondsen gecompenseerd om toch ambitieuze klimaatdoelen te behalen in ontwikkelingslanden? Hoe worden klimaatprogramma’s geïntegreerd in bredere voedselzekerheid- en migratievraagstukken om synergiën te creëren?
Antwoord
De bezuinigingen voor 2026 en verder vragen een zorgvuldige weging en zijn daarom tijdelijk naar rato verdeeld over de verschillende thema’s op de BHO-begroting, zo ook over het budget voor klimaat. U wordt op een later moment geïnformeerd over de beleidsinhoudelijke verdeling van de bezuinigingen. Klimaatverandering beïnvloedt voedselzekerheid, water en stabiliteit, wat kan bijdragen aan migratie. In de programmering is expliciet aandacht voor klimaatadaptatie, ook om investeringen toekomstbestendig te maken.
Overig
Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) /Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) biedt exportsteun aan het midden-en kleinbedrijf. Dit gebeurt op basis van kostendekkende premies. Het is ook onderhevig aan OESO-regels. In hoeverre moet het matching instrument worden ingezet tegenover steun van de landen die niet bij de OESO zijn aangesloten? Hoe heeft zich dat de laatste vijf jaren ontwikkeld? Hoe verhoudt zich dat met de matching steun die de Nederlandse overheid via Altradius biedt?
Antwoord
Het Dutch Good Growth Fund (DGGF) en het Dutch Trade and Investment Fund (DTIF) dat wordt uitgevoerd door Atradius Dutch State Business (ADSB) volgen net als de Exportkredietverzekering (EKV) de regels uit het OESO-Arrangement. Matching gaat erover dat landen buiten de OESO-Arrangement met gunstigere voorwaarden kunnen komen dan mogelijk is onder het Arrangement. In specifieke projecten kunnen de gunstigere voorwaarden dan worden gematched, bijvoorbeeld bij lagere premie of lagere imvo-standaarden. Bij DGGF en DTIF heeft dit tot nog toe niet hoeven plaatsvinden en ook binnen de EKV is daar afgelopen vijf jaar geen gebruik van gemaakt
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de BHO-begroting voor 2025, de behandeling hiervan in de Tweede Kamer en het aangenomen nader gewijzigd amendement van de leden Stoffer en Eerdmans ter vervanging van nr. 49 over investering in noodhulpprogramma's en het afbouwen van de bijdrage aan UNRWA.9 Het voorgenoemde leidt bij deze leden tot grote zorgen over de toekomst van UNRWA, het lot van de Palestijnse bevolking en over de wederopbouw van Gaza nu er (voorlopig maar hopelijk definitief) een einde is gekomen aan Israëls oorlog tegen Gaza. Juist nu er eindelijk een bestand is, is het van het allergrootste belang dat de humanitaire hulp aan de Palestijnen in de compleet door Israël verwoeste Gazastrook heel snel en massaal op gang komt en de ergste van de onvoorstelbaar grote humanitaire noden van het Palestijnse volk eindelijk gelenigd gaan worden. In dat licht hebben de leden van de SP-fractie de volgende vragen.
Onderschrijft de regering de stelling van de VN-coördinator voor Humanitaire Hulp en Wederopbouw voor Gaza, mevrouw Kaag, overigens gedeeld door vrijwel alle betrokken gouvernementele en non-gouvernementele internationale organisaties, dat als het gaat om die humanitaire hulp en wederopbouw, er voor UNRWA geen alternatief is? Zo nee, welke alternatieven ziet de regering dan?
Antwoord
Het kabinet is het eens dat juist nu er een bestand is, het van groot belang is dat de humanitaire hulp snel en massaal wordt opgeschaald. Het kabinet is van mening dat de humanitaire hulpverlening hierbij niet afhankelijk moet zijn van één specifieke organisatie. Daarom heeft het kabinet sinds 7 oktober 2023 77 miljoen euro extra bijgedragen aan verschillende organisaties, zoals het Wereldvoedselprogramma (WFP), UNICEF en het Rode Kruis. De capaciteit en infrastructuur van UNRWA blijven hier vooralsnog inderdaad een belangrijke rol in spelen.
Kan de regering aangeven hoe, indien deze begroting door de Eerste Kamer aangenomen zou worden, Nederland zal bijdragen aan het waarborgen van basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs voor Palestijnen in de bezette gebieden wanneer de bijdrage aan UNRWA uiteindelijk wordt stopgezet?
Antwoord
In de komende jaren blijft Nederland UNRWA financieel steunen om hen in staat te stellen het brede mandaat in de regio uit te voeren. Het door de AVVN verleende UNRWA-mandaat, dat voorziet in leveren van basisdiensten aan Palestijnse vluchtelingen in de hele regio, wordt onderschreven en staat los van de Nederlandse financiering aan de organisatie.
Op welke concrete noodhulpprogramma’s zouden de herbestemde middelen worden ingezet? Kan de regering garanderen dat deze middelen de Palestijnse vluchtelingen even effectief zullen bereiken als de huidige door UNRWA versterkte hulp?
Antwoord
De middelen worden ingezet om de humanitaire respons in Gaza te ondersteunen. Continuïteit en kwaliteit van hulpverlening staat hierbij voor Nederland op de eerste plaats. Daarom worden verschillende opties afgewogen en moet besluitvorming nog plaatsvinden.
Hoe wordt de besteding van de herbestemde middelen gemonitord? Welke garanties heeft de Minister dat herbestemde middelen niet verloren gaan in de administratieve complexiteit van nieuwe programma’s, met een directe negatieve impact voor de Palestijnse bevolking?
Antwoord
De besteding van de genoemde middelen zal op reguliere wijze, en dus zonder specifieke procedures, worden gemonitord. Om redenen van efficiëntie en effectiviteit, ligt het in de rede dat de financiering ten goede komt aan een organisatie met lopende humanitaire programmering in Gaza.
Is de regering het met de leden van de SP-fractie eens dat de beperking van UNRWA’s programma’s mogelijk negatieve gevolgen heeft voor de stabiliteit van het Midden-Oosten en het bereiken van duurzame vrede in de regio zal bemoeilijken? Hoe schat de regering deze risico’s in en welke conclusies trekt ze daaruit ten aanzien van het te voeren beleid met betrekking tot de humanitaire hulp aan de Palestijnen?
Antwoord
De basisdienstverlening en hulp die UNRWA in afwachting van een duurzame politieke oplossing in de regio verstrekt, is belangrijk voor zowel Palestijnen als de landen die Palestijnse vluchtelingen opvangen. Het kabinet wijst erop dat deze diensten geleverd dienen te blijven worden.
Welke rol ziet de regering weggelegd voor het kabinetsbeleid bij het ondersteunen van de wederopbouw van Gaza, indien het bestand standhoudt, als onze gelden aan UNRWA tegelijkertijd worden afgebouwd?
Antwoord
Wederopbouw is pas aan de orde als het staakt-het-vuren duurzaam standhoudt. Nederland zal dan, naar vermogen en in samenwerking met internationale partners, bijdragen aan de stabilisatie, herstel en wederopbouw van de Gazastrook. Hier moeten ook de landen in de regio een belangrijke rol bij spelen. Dit staat los van de specifieke Nederlandse steun aan UNRWA.
Is Nederland bereid om samen met andere EU-lidstaten een fonds op te richten om de wederopbouw van Gaza te coördineren en te versterken, bijvoorbeeld via VN-instellingen of internationale ngo’s?
Antwoord
Zoals gesteld, wederopbouw is pas aan de orde indien het bestand duurzaam standhoudt. Nederland zal naar vermogen en in samenwerking met internationale partners bijdragen aan de stabilisatie, herstel en wederopbouw van Gaza. Hier moeten ook de landen in de regio een belangrijke rol bij spelen. Nederland neemt deel aan coördinatie in internationale gremia, zoals in G7+ verband, over de inzet voor de stabilisatie, herstel en wederopbouw van de Gazastrook. Voor 2025 staat hiervoor 20 miljoen euro gereserveerd.
Ten slotte vragen de leden van de SP-fractie de regering hoe de lokale bevolking van Gaza wordt betrokken bij besluitvorming over wederopbouwprojecten, zodat de hulp effectief en eerlijk wordt verdeeld, en hoe wordt dit gedaan indien UNRWA minder middelen krijgt?
Antwoord
Wederopbouw is pas aan de orde indien het staakt-het-vuren duurzaam standhoudt. Het is belangrijk dat er hiertoe plan komt waarin de betrokkenheid van de lokale bevolking goed geborgd wordt. Voor Nederland is daarbij de terugkeer van de Palestijnse Autoriteit (PA) naar Gaza, en een leidende rol van de PA in de wederopbouw, van groot belang.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
In de brief van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 29 oktober jl.10 aan de Tweede Kamer over de koppeling tussen het bni (bruto nationaal inkomen) en het ODA-budget gaf de Minister aan dat de koppeling niet is losgelaten, maar is doorgeschoven naar de voorjaarsbesluitvorming. Tegelijkertijd heeft het kabinet besloten het budget niet te actualiseren op basis van de meest recente Macro-Economische Verkenning. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering hoe zij de uitspraak van de Minister in de brief dat dit kabinet de koppeling van het vorige kabinet «heeft gerespecteerd en niet ongedaan heeft gemaakt» verenigt met het besluit om het budget niet te actualiseren. Als de koppeling niet ongedaan is gemaakt, waarom is het budget niet meegestegen met de groei van het bni?
Antwoord
De koppeling tussen het BNI en het ODA-budget is verwerkt tot en met het Centraal-Economisch Plan (CEP) 2024 van het CPB. Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij de besluitvorming over de Miljoenennota 2025 niet te actualiseren naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Hierover is uw Kamer geïnformeerd op Prinsjesdag met de Miljoenennota, de Ontwerpbegroting van BHO en de HGIS-nota.
De OESO-norm voor ontwikkelingssamenwerking is in VN-verband in 1970 vastgesteld op 0,7% van het bnp. De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat de huidige begroting laat zien dat Nederland in 2028 nog maar 0,42% van haar bnp beschikbaar stelt; een derde onder de norm. De OESO-norm is weliswaar geen afdwingbare eis, maar bevat wel een inspanningsverplichting van lidstaten. Kan de regering uitleggen hoe zij die inspanningsverplichting voor zich ziet, hoe de regering hieraan voldoet, en heeft deze inspanningsverplichting een rol gespeeld bij deze bezuinigingen?
Antwoord
Het kabinet zet zich binnen de afgesproken budgettaire ODA-kaders in voor de doelen van ontwikkelingshulp. De substantiële afname van de internationale budgetten zoals beschreven in het Regeerprogramma noopt tot focus op prioriteiten waar Nederland expertise heeft. Over de invulling van deze bezuinigingen informeer ik uw Kamer dit voorjaar in de beleidsbrief over ontwikkelingshulp. Ondanks de bezuinigingen verwacht het kabinet in 2029 Rijksbreed nog circa EUR 6 miljard uit te geven aan ontwikkelingshulp.
In een reactie11 op de ontwerpbegroting waarschuwde de Algemene Rekenkamer dat de voorgenomen bezuinigingen tot fragmentatie kunnen leiden, wat zorgt voor hogere administratieve lasten, een hogere werkdruk en lagere effectiviteit. De Rekenkamer merkt op dat deze begroting daar kwetsbaar is omdat de bezuinigingen pro rata zijn verdeeld, en wijst daarom op het belang van het stellen van prioriteiten. Hoe heeft de regering rekening gehouden met dit risico op fragmentatie? Heeft zij de aanbeveling van de Rekenkamer meegenomen in de uiteindelijke begroting?
Antwoord
Omwille van de zorgvuldigheid van de nadere uitwerking van het beleid en de daaraan gekoppelde budgetten, is voor 2025 gekozen om de bezuiniging pro rata naar omvang van het thema te verdelen over alle subartikelen van de begroting 2025. Bovendien maakt een pro rata bezuiniging het mogelijk om lopende juridische contracten en verplichtingen te respecteren, meer dan wanneer op dit moment een inhoudelijke keuze gemaakt zou worden om te bezuinigen op een specifiek beleidsterrein.
In het eerste kwartaal van dit jaar informeer ik de Kamer in de beleidsbrief over de beleidsinhoudelijke inzet voor ontwikkelingshulp voor het jaar 2026 en verder. Hierin worden duidelijke inhoudelijke en budgettaire keuzes gemaakt voor het nieuwe beleid. Bij de 1e suppletoire begroting 2025 worden de bezuinigingen voor deze jaren definitief verwerkt.
Verder constateren de leden van de ChristenUnie-fractie dat vanaf 2026 het drempelcriterium voor overheidssubsidies bij ngo’s wordt verhoogd van 25% naar 50%, wat inhoudt dat ngo's voortaan voor 50% gefinancierd moeten zijn uit eigen inkomsten om in aanmerking te komen voor overheidssubsidie. Uit de brief van 11 november jl. aan de Tweede Kamer maken deze leden op dat het de inzet van de Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp is om voor alle typen subsidiesamenwerkingen (binnen subsidiebeleidskaders en rechtstreeks) uiteindelijk dit drempelcriterium van 50% te laten gelden.12 Klopt deze conclusie?
Antwoord
Deze conclusie klopt niet. Voor het nieuwe beleidskader geldt dat het drempelcriterium van 25% naar 50% niet-BZ-inkomsten wordt verhoogd voor maatschappelijke organisaties die middelen wensen te ontvangen uit dit kader, met ruimte voor maatwerk. Voor andere thematische subsidiebeleidskaders onderzoekt het kabinet momenteel of, en zo ja in welke gevallen, het drempelcriterium kan worden verhoogd van 25% naar 50%. In dit onderzoek wordt meegenomen of een drempelcriterium kan worden ingevoerd voor alle subsidieaanvragen van maatschappelijke organisaties uit de begroting voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp en zo ja, of dit dan 50% kan zijn.
In dezelfde brief13 aan de Tweede Kamer schrijft de Minister het volgende: «Daarom wordt waar dat haalbaar is het drempelcriterium verhoogd voor overige inkomsten dan die van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.» Wat zijn haar criteria om te bepalen of het haalbaar is? Kan de regering in percentages aangeven of schatten hoeveel gesubsidieerde ngo's momenteel de drempel van 50% halen? Kan de regering uitleggen waarom zij erop inzet om het drempelcriterium met ingang van 2026 te verdubbelen, in plaats van bijvoorbeeld een stapsgewijze verhoging, verspreid over meerdere jaren?
Antwoord
Bij de toepassing van het verhoogde drempelcriterium vindt maatwerk plaats. Bijvoorbeeld voor specialistische organisaties. Hoe dit maatwerk er precies uit komt te zien, wordt uitgewerkt. Er is een eerste inschatting gemaakt van de financiële afhankelijkheid van 49 Nederlandse maatschappelijke organisaties die subsidie ontvangen uit het huidige beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld (zie de bijlage bij de Beslisnota bij de Kamerbrief Toekomst samenwerking met maatschappelijke organisaties in ontwikkelingshulp van 11 november 2024). Daaruit blijkt dat 63% van deze organisaties het drempelcriterium van 50% niet-BZ inkomsten haalt. Het nieuwe beleidskader loopt van 2026 tot en met 2030. De contracten met organisaties worden aangegaan voor de gehele looptijd van het kader. Alleen voorafgaand aan de sluiting van het contract kan toetsing plaatsvinden of de organisaties al dan niet voldoen aan het drempelcriterium van 50%. Een stapsgewijze invoering is niet uitvoerbaar.
Vervolgens geeft de Minister aan dat Nederland internationaal een stap terug doet bij de financiering van maatschappelijke organisaties. «De financieringsconstructies onder dit kader worden sterk vereenvoudigd waardoor de middelen aanzienlijk efficiënter kunnen worden ingezet en er meer geld ter plekke kan worden aangewend voor de doelen van het beleid.»14 De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering of zij een voorbeeld kan geven van welke financieringsconstructies hier worden bedoeld en hoe die dan efficiënter kunnen werken?
Antwoord
Het huidige beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld kent complexe consortia van organisaties, met meerdere tussenlagen. Het huidige beleidskader Versterking Maatschappelijk Middenveld kent complexe consortia van organisaties, met meerdere tussenlagen. Zo is er bijvoorbeeld een partnerschap met een consortium bestaande uit drie organisaties, waarvan één de zogenaamde penvoerder is. De penvoerder ontvangt de middelen van BZ (dit is de eerste laag). De penvoerder zet een deel van deze middelen door naar de andere twee consortiumleden (dit is de tweede laag). Het partnerschap financiert activiteiten in meer dan 20 landen, verspreid over meerdere continenten. De consortiumleden werken rechtstreeks samen met ongeveer 50 maatschappelijke organisaties, waaronder 25 fondsmanagers waaraan geld wordt overgemaakt (dit is de derde laag). Deze fondsen zetten geld door naar, vaak tientallen, lokale maatschappelijke organisaties die ook weer andere lokale organisaties kunnen ondersteunen (dit zijn de vierde en mogelijk vijfde laag). Dit komt neer op vier- tot vijfhonderd lokale organisaties die pas na heel veel tussenlagen geld ontvangen uit dit strategische partnerschap. Elke laag die geld ontvangt brengt vaak overheadkosten met zich mee, veel geld dat dus niet naar de doelgroep gaat.
Verder stelt de Minister in de voornoemde brief dat Nederland instrumenten ontwikkelt op de terreinen van gezondheid, handel en mensenrechten.15 Bij de beleidsprioriteiten in de memorie van toelichting16worden voedselzekerheid en watermanagement en gezondheid en rechtsorde genoemd. Hoe verhouden die terreinen uit de brief en de memorie van toelichting zich tot elkaar?
Antwoord
Het nieuwe beleidskader voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties, dat in 2026 van start gaat, richt zich specifiek op het versterken van de capaciteit van maatschappelijke organisaties om diensten te verlenen en de dialoog aan te gaan om doelen te bereiken op de prioritaire terreinen gezondheid, handel en mensenrechten. Daarnaast blijft Nederland investeren in samenwerking op de thema’s voedselzekerheid, watermanagement en gezondheid, omdat daarmee zowel de belangen van Nederland als partnerlanden behartigd worden. Ook rechtsorde zal onderdeel zijn het beleid waarmee Nederland investeert in de veiligheid van Nederland en de partnerlanden. De beleidsbrief die de Kamer binnenkort toegaat, schetst het bredere ontwikkelingsbeleid waar het nieuwe kader voor de samenwerking met maatschappelijke organisaties onderdeel van uitmaakt.
In de brief van 11 november jl. lezen de leden van de ChristenUnie-fractie het volgende: «Waar Nederlandse maatschappelijke organisaties uit het nieuwe beleidskader middelen ontvangen, betreft dit terreinen en activiteiten waarop zij specialistische kennis en expertise hebben, waarmee Nederland zich internationaal onderscheidt.»17 Kan de regering voorbeelden geven van organisaties waar ze hierbij aan denkt?
Antwoord
De verschillende instrumenten van het nieuwe beleidskader worden momenteel uitgewerkt. Hierbij wordt de benodigde kennis en expertise meegenomen. Een voorbeeld is de Nederlandse aanpak van de HIV/aids epidemie.
Daarnaast schrijft de Minister in deze brief dat de overheid niet verantwoordelijkheid kan nemen voor de continuïteit van non-gouvernementele organisaties.18 Houdt de regering bij de voorgenomen bezuinigingen rekening met de waardevolle kennis en expertise die verloren zou kunnen gaan wanneer een non-gouvernementele organisatie minder subsidie krijgt?
Antwoord
De 50% norm is een stimulans voor ngo’s om financieel onafhankelijker te worden van de overheid. Het zijn immers non-gouvernementele organisaties. Tegelijkertijd blijven ngo’s een belangrijke partner bij de uitvoering van de Nederlandse ontwikkelingshulp. Op dit moment wordt 70% van de middelen voor ngo’s uit mijn begroting verstrekt buiten het huidige beleidskader voor de versterking van het maatschappelijk middenveld.
Maatschappelijke organisaties zijn bezorgd dat de kennis die mogelijk verloren gaat niet zomaar weer hersteld kan worden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of het verdwijnen van kennis en expertise een overweging is geweest bij het besluit om te bezuinigen op subsidiesamenwerkingen.
Antwoord
Bij het invullen van de bezuinigingen op ontwikkelingshulp heeft het kabinet scherpe keuzes moeten maken. Voor het nieuwe beleidskader betekent dat een kleiner budget en meer thematische focus. Ook zet het kabinet in op meer financiële onafhankelijkheid van ngo’s. De overheid kan geen verantwoordelijkheid nemen voor de continuïteit van non-gouvernementele organisaties. Wel passen we maatwerk toe bij het drempelcriterium voor specialistische organisaties. En lokale organisaties kunnen altijd nog gebruik maken van specialistische kennis en expertise die in Nederland en internationaal beschikbaar is door met betreffende organisaties samen te werken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich grote zorgen over de voorgenomen bezuiniging van 1 miljard euro op ontwikkelingssamenwerking. Een van de bezuinigingsmaatregelen betreft het verhogen van het drempelcriterium van 25% naar 50% voor maatschappelijke organisaties die BHO-financiering ontvangen. Kan de regering aangeven welke Ngo’s door deze maatregel zullen wegvallen en welke bedragen per organisatie?
Antwoord
Het verhogen van het drempelcriterium van 25% naar 50% niet-BZ-inkomsten geldt in eerste instantie alleen voor organisaties die middelen wensen te ontvangen uit het nieuwe beleidskader voor samenwerking met maatschappelijke organisaties, niet voor alle subsidies uit de BHO-begroting. Een eerste inschatting laat zien dat 63% van de Nederlandse organisaties die subsidie ontvangen uit het huidige kader Versterking Maatschappelijk Middenveld aan deze norm voldoet. In de groep subsidieontvangers die resteert bevindt zich een heel aantal zogenaamde «penvoerders», leiders van consortia van ngo’s, die een groot deel van de ontvangen subsidie doorgeeft aan partnerorganisaties in hetzelfde consortium. Hiervoor is in de inschatting niet gecorrigeerd. De verwachting is dan ook dat het aantal organisaties dat de norm niet haalt beperkt is. Het langetermijneffect van het wegvallen van subsidiemiddelen hangt af van de mate waarin organisaties in staat zijn om alternatieve financieringsbronnen te vinden, daarover kan het kabinet geen uitspraken doen.
De regering wil het geld voor ontwikkelingshulp zoveel mogelijk rechtstreeks aan gemeenschappen en organisaties ter plaatse geven. Is de regering het met deze leden eens dat juist Ngo’s ervaring hebben met het zo efficiënt en effectief mogelijk besteden van hulpmiddelen, en met het voorkomen dat die hulpmiddelen in verkeerde handen vallen? Zo ja, hoe gaat de regering voorkomen dat contacten tussen de Nederlandse regering en lokale gemeenschappen en organisaties opnieuw moeten worden opgebouwd? Hoe gaat de regering voorkomen dat financiële hulpmiddelen zullen worden gebruikt door corrupte organisaties of regimes?
Antwoord
Het kabinet wil inderdaad lokale organisaties directer financieren, zodat ze minder afhankelijk zijn van internationale partijen voor werk dat ze zelf kunnen doen. Dit kan op verschillende manieren en die worden in de komende maanden uitgewerkt. De OESO biedt donoren hiervoor ook goede richtlijnen. Dit betekent niet dat ik van plan ben rechtstreeks contracten te sluiten met een groot aantal lokale organisaties. Dit kan bijvoorbeeld ook via lokale fondsbeheerders. Die ervaring heeft het kabinet al in het Leading from the South-programma. Het verstrekken van financiële middelen aan maatschappelijke organisaties gebeurt altijd op basis van gedegen onderzoek van de capaciteit van de organisatie, waarvan een uitgebreide risicoanalyse onderdeel uitmaakt. In de uitvoering van de programma’s zijn organisaties vervolgens verplicht zich te houden aan verantwoordingsvereisten, zoals financiële rapportages en accountantscontroles.
Is de regering het met de leden van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat het verminderen van ontwikkelingshulp ertoe kan leiden dat armoede en (geo-)politieke instabiliteit zullen toenemen en daarmee ook de uittocht van kansarme mensen naar andere landen?
Antwoord
Nederland heeft een beperkt ontwikkelingshulpbudget. In evaluaties is aannemelijk gemaakt dat stabiliteit kan bijdragen aan vermindering van migratie. Het is van belang dat landen inzetten op basisdiensten voor iedereen en wanneer nodig daarin worden gesteund door ontwikkelingsorganisaties.
Op welke wijze gaat de regering bijdragen aan de positie van kleine, lokale boeren in ontwikkelingslanden en hun bijdrage aan de lokale voedselvoorziening? Erkent de regering dat de verkoop van goedkoop melkpoeder uit Nederland de concurrentiepositie van lokale boeren ondermijnt?19 Zo ja, wat gaat zij eraan doen om die ondermijning aan te pakken, zonder de voedselvoorziening van de lokale bevolking in gevaar te brengen?
Antwoord
Het kabinet zal in de aankomende beleidsbrief over ontwikkelingshulp de prioriteiten en inzet op voedselzekerheid uiteenzetten. Met betrekking tot de tweede en derde vraag organiseert het kabinet ter uitvoering van verschillende moties van de Tweede Kamer een onderzoek naar mogelijke structurele effecten van de Nederlandse voedselexport op de lokale productie en marktwerking in derde landen.20 Dit onderzoek wordt momenteel aanbesteed.
Op welke wijze kan (en wil) de regering voorkomen dat er op verleende hulp een bestedingsdwang rust ten gunste van het Nederlandse bedrijfsleven, ten nadele van de opbouw van de zelfstandige lokale economie?
Antwoord
Alle uitgaven in het kader van ontwikkelingshulp voldoen aan de criteria voor Official Development Assistance (ODA) van OESO DAC. Voor elk project of programma worden deze criteria getoetst. Waar Nederlandse bedrijven deelnemen aan projecten of programma’s of hiervan voordeel hebben wordt op deze manier geborgd dat lokale impact en versterking van het Nederlandse verdienvermogen hand in hand gaan
Kan de regering toezeggen dat de verleende steun niet besteed zal worden aan het bevorderen van milieu- en dieronvriendelijke houderijvormen van dieren of overige schadelijke landbouwsystemen? Zo ja, op welke punten? Zo nee, waarom niet, zo vragen de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren.
Antwoord
Het Ministerie van LVVN kent geen specifieke subsidieregelingen voor de promotie en export van dierlijke producten in het buitenland. Wel faciliteert de overheid de bevordering van Nederlandse landbouwexport via het handels- en exportinstrumentarium van RVO, Invest International en Atradius DSB. Bedrijven die gebruik willen maken van het BHO-bedrijfsleveninstrumentarium moeten voorwaarden op het gebied van internationaal maatschappelijk verantwoord ondernemen (IMVO) ondertekenen. Hiermee verklaren zij de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen toe te passen. Dierenwelzijn is hier onderdeel van. Voor de exportkredietverzekering (Atradius DSB) geldt daarbij een aanvullend Nederlands dierenwelzijnsbeleid waaraan de projecten moeten voldoen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie vragen de regering hoe het loslaten van de koppeling tussen het budget voor ODA en het bni zich verhoudt tot de internationale afspraken die zijn vastgelegd in VN- resolutie 2626 (XXV). Hoe verhoudt het loslaten van de koppeling tussen het ODA-budget en het bni zich tot de betrouwbaarheid van Nederland als internationale partner?
Antwoord
De koppeling tussen het BNI en het ODA-budget is verwerkt tot en met het Centraal-Economisch Plan (CEP) 2024 van het CPB. Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij de besluitvorming over de Miljoenennota 2025 niet te actualiseren naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Het kabinet vult de taakstelling uit het Hoofdlijnenakkoord in en houdt zich aan juridische verplichtingen. Ondanks deze taakstelling, blijft het Nederland internationaal een relatief grote donor.
Door een taakstelling op het ODA-budget op te nemen zorgt de regering naar de mening van de leden van de SGP-fractie voor onduidelijkheid over de meerjarenberekening van het ODA-budget en over de vraag of de koppeling met het bni gehandhaafd blijft. Waarom is er niet voor gekozen om het uitgangspunt van 0,7% al dan niet tijdelijk los te laten en te verlagen naar een lager percentage van het bni, zodat de koppeling in ieder geval blijft bestaan? Dit zou immers begrotingstechnisch zuiverder zijn geweest.
Antwoord
De koppeling tussen het BNI en het ODA-budget is verwerkt tot en met het Centraal-Economisch Plan (CEP) 2024 van het CPB. Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij de besluitvorming over de Miljoenennota 2025 niet te actualiseren naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. De ODA-prestatie komt in 2029 naar verwachting uit op 0,44% van het BNI. Bij de voorjaarsnota 2025 maakt het kabinet opnieuw de balans op.
Er wordt gesproken over een incidentele bezuiniging op het ODA-budget, maar deze bezuiniging is als taakstelling over meerdere jaren opgenomen, wat op een structurele bezuiniging duidt. Indien er voor meerdere jaren «incidenteel» bezuinigd wordt, is er dan geen sprake van een structurele bezuiniging, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
Antwoord
In het HLA is een meerjarige bezuiniging op het ODA-budget doorgevoerd. De meerjarige effecten hiervan zijn weergegeven in bijlage 6 van de HGIS nota 2025. De bezuinigingen van dit kabinet vragen een zorgvuldige weging en dienen aan te sluiten bij de prioriteiten uit het Regeerprogramma en de nadere beleidsuitwerking van de terreinen Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp. Over de invulling hiervan informeer ik u in het voorjaar via de beleidsbrief over ontwikkelingshulp. Daarom zijn de bezuinigingen in 2025 pro rata verdeeld om vanaf 2026 en daarna beleidsinhoudelijk verwerkt te worden in de begroting.
Daarnaast is de koppeling tussen het BNI en het ODA-budget in het Hoofdlijnenakkoord verwerkt tot en met het Centraal-Economisch Plan (CEP) 2024 van het CPB. Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij de besluitvorming over de Miljoenennota 2025 niet te actualiseren naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Bij de voorjaarsnota 2025 maakt het kabinet opnieuw de balans op.
Indien het bni voortvloeit uit de MEV en de actualisatie op basis van de MEV niet is doorgevoerd voor het ODA-budget, is er dan geen sprake van een loskoppeling van het ODA-budget van het bni? Immers vormt het bni niet meer het uitgangspunt voor de berekening van het ODA-budget.
Antwoord
De koppeling tussen het BNI en het ODA-budget is verwerkt tot en met het Centraal-Economisch Plan (CEP) 2024 van het CPB. Het kabinet heeft besloten het ODA-budget bij de besluitvorming over de Miljoenennota 2025 niet te actualiseren naar aanleiding van de Macro-Economische Verkenning (MEV) van het CPB. Omdat de MEV niet verwerkt is, is de beginstand van bijlage 6 van de HGIS-nota op basis van de ODA-stand bij Voorjaarsnota 2024. Bij de voorjaarsnota 2025 maakt het kabinet opnieuw de balans op.
Op welke wijze onderbouwt de regering dat de BNI nog steeds het uitgangspunt vormt voor het ODA-budget? Kan de regering de onderliggende formule uitleggen en laten zien hoe het budget gekoppeld is aan het BNI?
Antwoord
De ODA-stand bij Voorjaarsnota waarin de BNI-raming volgend uit het Centraal Economisch Plan (CEP) 2024 is verwerkt, vormt het uitgangspunt voor de berekening van het ODA-budget 2024–2029. Ten opzichte van deze stand zijn de effecten van het hoofdlijnenakkoord en de augustusbesluitvorming verwerkt. Dit is inzichtelijk gemaakt in bijlage 6 van de HGIS nota 2025.
Asiel en migratie zijn belangrijke speerpunten voor deze regering. Door de recente ontwikkelingen in Syrië ontstaan kansen om Syrische vluchtelingen te helpen om terug te keren naar Syrië.
Middels het ODA-budget zou een impuls kunnen worden gegeven aan de economische ontwikkeling en de wederopbouw van de sociale infrastructuur in Syrië, om zo terugkeer te vergemakkelijken, zo constateren de leden van de SGP-fractie. Is de regering voornemens om de bezuiniging op het ODA-budget te heroverwegen en een deel van het ODA-budget te bestemmen voor de socio-economische ontwikkeling van Syrië en het faciliteren van de terugkeer van Syrische vluchtelingen?
Antwoord
Nederland droeg voor de val van het voormalige regime in Syrië al bij aan humanitaire hulp. Ook droeg Nederland bij aan initiatieven voor bewijsgaring en verantwoording voor de misdaden van het voormalige regime. Nederland zette zich daarnaast ook in voor humanitaire ontmijning en stabilisatie in gebieden die niet onder het voormalig regime vielen. Momenteel worden de mogelijkheden verkend hoe Nederland een stabiel en veilig Syrië verder kan ondersteunen. De regering is niet voornemens om de bezuiniging op het ODA-budget te heroverwegen.
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding het verslag en ontvangt deze graag zo spoedig mogelijk.
Carlijne Vos, «Tot diep in de Sahel hangen zakjes Nederlands melkpoeder, tot verdriet van de boer» de Volkskrant https://www.volkskrant.nl/kijkverder/track-en-trace/v/tot-diep-in-de-sahel-hangen-goedkope-zakjes-nederlandse-melkpoeder-tot-verdriet-van-de-boer/.
Motie Thijssen/Amhaouch van 26 oktober 2023, Kamerstuk 29 237 nr. 196, motie Boswijk van 31 januari 2024, Kamerstuk 36 410 XVII nr. 32)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-XVII-E.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.