Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-VIII nr. K |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2024-2025 | 36600-VIII nr. K |
Ontvangen 17 maart 2025
Het voorliggende wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.
Inleiding
De commissie heeft met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het tweede verslag. Meer in het bijzonder bedanken de leden van de CDA-fractie voor de voortvarendheid waarmee de antwoorden naar de Kamer gezonden zijn.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA, CDA, D66 en Volt hebben naar aanleiding van deze nota enkele vervolgvragen.
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het derde verslag van de Eerste Kamer over de Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2025. De leden van de fractie GroenLinks-PvdA, CDA, D66 en Volt hebben enkele vragen gesteld aan de regering. Deze vragen worden hieronder behandeld. De oorspronkelijke tekst van het verslag is integraal opgenomen in deze nota en cursief weergegeven. Na de vragen volgt telkens de reactie van de regering.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA
De regering antwoordt op vragen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie over de ambities om de Draghi-doelstelling van 3% te behalen: «Daarbij zetten wij ons in om het belang van voldoende bekostiging van de OCW-sectoren consequent voldoende mee te wegen, ook in het kader van een weerbare samenleving en democratische rechtsstaat, en een sterke en innovatieve Nederlandse en Europese economie met goed opgeleide mensen.»1 De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af wat de woorden «zetten wij ons in» concreet betekent. Kan de regering toelichten welke concrete acties zij onderneemt om de OCW-bekostiging op peil te krijgen? Welke stappen ziet zij voor zich? En welke maatregelen heeft de regering inmiddels al genomen om deze ambities te realiseren?
Ook in de toekomst zal er sprake zijn van financiële schaarste en moeten keuzes worden gemaakt. Maar mogelijk zal in de toekomst ook weer ruimte zijn voor investeringen. Daarbij zullen wij ons steeds inzetten om het belang van voldoende bekostiging voor de OCW-sectoren in het geheel voldoende zwaar te wegen. Dat doen we door de bijdrage van deze sectoren aan genoemde thema’s inzichtelijk te maken via onderzoek, monitoring en strategische verkenningen. Met de huidige beschikbare middelen zijn we aan de slag om de gestelde ambities op de OCW-terreinen te kunnen realiseren. Wij achten dat ook met de huidig beschikbare middelen realiseerbaar. Zo wordt er bijvoorbeeld gewerkt aan het Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs en zet dit kabinet de investering in de sectorplannen voor wetenschappelijk onderzoek voort.
De regering stelt voorts: «Uiteraard zullen wij de gesprekken met de sector vervolgen over de bestuurlijke gevolgen van de bezuinigingen.»2 De fractieleden van GroenLinks-PvdA stellen dat tijdens de deskundigenbijeenkomst bij de Eerste Kamer op 18 februari 20253 echter bleek dat het contact met de sector, bijvoorbeeld met vakbonden, absoluut minimaal is. De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich af wat de regering precies verstaat onder «de sector»? Vallen vakbonden daar ook onder? Hoe vaak heeft de regering met de vakbonden gesproken over de bezuinigingen en de Wet Internationalisering in balans (hierna: WIB)?
Bestuurlijke gesprekken over de gevolgen van de bezuinigingen worden primair gevoerd met de koepelorganisaties Vereniging Hogescholen (VH) en Universiteiten van Nederland (UNL) en studentenorganisaties Interstedelijk Studenten Overleg (ISO) en Landelijke Studentenvakbond (LSVb). Daarnaast is op 5 februari jongstleden gesproken met de FNV, CNV, AOb en FvOv over de bezuinigingen en het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans. Voor de zomer vindt een vervolggesprek plaats.
Wij zijn van mening dat bij de invulling van de bezuinigingen voldoende recht is gedaan aan het vertrouwensbeginsel door voor de afbouw van de middelen voor de beurzen te kijken naar de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht die in het algemeen gelden bij beëindiging van subsidies en bekostiging. Onder andere geldt dat een redelijke termijn in acht moet worden genomen als er voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde, of in hoofdzaak dezelfde, voortdurende activiteiten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient een redelijke termijn ertoe de ontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie of bekostiging te ondervangen. Hoewel de middelen voor de starters- en stimuleringsbeurzen korter dan drie jaar zijn verstrekt (namelijk vanaf medio 2022 tot eind 2024), is voor de stopzetting van deze middelen rekening gehouden met een termijn van drie maanden om de instellingen de gelegenheid te bieden om zich voor te bereiden.
Wat betreft de starters- en stimuleringsbeurzen hebben de fractieleden van GroenLinks-PvdA nog de volgende vragen. In de eerste plaats merken zij op dat de regering in haar beantwoording spreekt over een redelijke termijn waarop de bezuinigingen voor de starters- en stimuleringsbeurzen zijn aangekondigd, namelijk «ruim drie maanden voorafgaand aan het nieuwe jaar.»4 In hoeverre is er sprake van een redelijke termijn als er in december 2024 nog wijzigingen (via het amendement-Bontenbal c.s.5) in de begroting van OCW zijn doorgevoerd? Verder merken genoemde leden op dat Universiteiten aangeven dat drie maanden onvoldoende tijd is om zich voor te bereiden op het wegvallen van een groot deel van de bekostiging van deze beurzen. Hoe beoordeelt de regering de redelijkheid van de termijn van drie maanden transitietijd voor deze bezuinigingen? Erkent de regering dat universiteiten binnen drie maanden onmogelijk alle maatregelen kunnen treffen om de nadelige personele gevolgen van de bezuinigingen op te vangen, zeker wanneer rekening wordt gehouden met een zorgvuldige procedure, zoals bestaande cao-afspraken? Ten slotte merken genoemde leden in dit verband op dat universiteiten aangeven dat het ministerie en de ambtsvoorganger van de Minister, eerder hebben gestimuleerd om de besteding van de beurzen naar voren te halen, om op deze manier zoveel mogelijk jonge wetenschappers aan perspectief te helpen. Erkent de regering dat deze strategie eerder geadviseerd is door het ministerie? Is de regering het met de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA eens dat met het schrappen van een groot deel van deze beurzen het vertrouwensbeginsel is geschonden? Zo nee, welke kwalificatie zou de regering dan aan haar besluit geven in het kader van goed bestuur?
Starters- en stimuleringsbeurzen zijn jaarlijks nieuw te vergeven beurzen. De middelen voor deze beurzen zijn onderdeel van de rijksbijdrage die jaarlijks in overeenstemming met de begroting op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) wordt vastgesteld. Daarnaast zijn de beurzen bedoeld als eenmalige bijdragen aan universitair (hoofd)docenten en hoogleraren met een vaste aanstelling. In het licht van deze context zijn universiteiten in beginsel geen juridische verplichtingen aangegaan voor de bijdragen waar nu op bezuinigd wordt. Deze bijdragen zouden namelijk bestemd zijn voor toekomstige beurzen die nu nog niet zijn toegekend. Daar waar dit toch het geval is, is rekening gehouden met een termijn van drie maanden die universiteiten in gelegenheid stelt om zich voor te bereiden op de stopzetting. Daarnaast mogen universiteiten het budget van jaarlijks € 78 miljoen dat zij tot en met 2031 ontvangen voor werkdruk, inzetten om de gevolgen van het wegvallen van de starters- en stimuleringsbeurzen en de looptijd daarvan te ondervangen. Dit bedrag staat los van de € 40 miljoen die universiteiten structureel zullen ontvangen (voor de starters- en stimuleringsbeurzen) naar aanleiding van het eerdergenoemde amendement-Bontenbal c.s. De wijziging waar de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op doelen voortkomend uit het amendement-Bontenbal c.s., betrof overigens het deels terugdraaien van de bezuinigingen. Het terugdraaien van een deel van de bezuinigingen is een begunstigende maatregel en vergt geen nieuwe aankondigingstermijn.
We hebben instellingen aangemoedigd om voortvarend aan de slag te gaan met de uitvoering van dit instrument waarbij jaarlijks beurzen worden toegekend en universitaire docenten een startersbeurs te geven wanneer zij daarvoor in aanmerking kwamen.
De regering stelt voor de bezuiniging op lopende startersbeurzen eventueel te dempen met het budget van jaarlijks € 78 miljoen euro, dat universiteiten ontvangen ter verlaging van de werkdruk, en dit «aan te wenden om op voorhand gedane uitgaven te dekken.»6 De werkdrukmiddelen zijn echter specifiek bedoeld voor het verlagen van de werkdruk, die volgens de Nederlandse Arbeidsinspectie al jarenlang te hoog is.7 De Arbeidsinspectie heeft daarbij al gewaarschuwd dat in 2025 «Mochten de benodigde maatregelen dan niet of onvoldoende genomen zijn, handhavend zal worden opgetreden.»8 Hoe denkt de regering de werkdruk bij de universiteiten te verlagen, gelet op het voorstel werkdrukmiddelen aan te wenden om de bezuiniging op de huidige startersbeurzen te verlichten? En hoe kijkt de regering naar het recente oordeel van de Nederlandse Arbeidsinspectie, dat 10 maanden geleden naar de Tweede Kamer werd gestuurd, en hun waarschuwing om handhavend op te treden vanaf 2025 als er geen gerichte maatregelen worden genomen? Is de regering zich bewust van dit risico? Vindt zij het in dit licht verantwoord om specifieke gelden die gereserveerd zijn voor het verlichten van de werkdruk aan te wenden voor «op voorhand gedane uitgaven»?9
Startersbeurzen hebben onder andere als doel om de werkdruk te verlagen. Geld dat ingezet wordt voor lopende verplichtingen op startersbeurzen draagt bij aan werkdrukverlaging voor de betreffende universitaire docenten.
We delen de zorgen van de Arbeidsinspectie over de hoge werkdruk die er al jaren is op onze universiteiten. Het feit dat deze hoge werkdruk is geconstateerd in jaren dat de financiële middelen voor universiteiten hoger waren, toont aan dat meer geld alleen niet de oplossing van de werkdruk zal geven. Het is de verantwoordelijkheid van de universiteiten om als werkgevers zorg te dragen voor een gezonde werkomgeving en werkcultuur. De Arbeidsinspectie heeft aangekondigd om in 2025 een inspectieproject te starten. Dit inspectieproject zal moeten uitwijzen in hoeverre de universiteiten erin geslaagd zijn om opvolging te geven aan de door de Arbeidsinspectie genoemde aandachtspunten en in staat zijn om hun werknemers een gezonde en veilige werkplek te geven. Als de inspectie dan een overtreding vaststelt, zal handhaving worden gestart.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ook nog een aantal vervolgvragen over het amendement-Bontenbal c.s.10 In de eerste plaats vragen zij of de regering het met hen eens is dat door de keuze voor «een limitatieve lijst van regio’s die binnen de reikwijdte vallen»11 onduidelijkheid blijft bestaan over welke hogescholen en universiteiten binnen deze reikwijdte vallen?12 Verder vragen zij of de regering kan toelichten waarom er voor is gekozen is om het bedrag uit het Krimpfonds alleen toe te kennen aan hbo-instellingen en niet aan universiteiten in de krimpregio’s? Welke motivatie ligt hieraan ten grondslag, en is deze keuze onderbouwd met onderzoek naar de effecten? Ten slotte vragen zij in dit verband wat de gevolgen zijn als het hbo wordt uitgezonderd van de taakstelling voor internationale studenten?
Momenteel wordt gewerkt aan de nota van wijziging waarmee invulling wordt gegeven aan het amendement-Bontenbal c.s. Zoals toegezegd in de brief aan de Tweede Kamer d.d. 7 februari 202513 zullen we daarin duidelijkheid scheppen door middel van een limitatieve lijst van regio’s die binnen de reikwijdte vallen van het regiocriterium. Hogescholen en universiteiten kunnen aan de hand van deze lijst zien of zij in één van de genoemde regio’s liggen. In deze brief hebben we daarnaast aangegeven dat ook instellingen die in de nabijheid van een dergelijke regio liggen en die van belang zijn voor deze regio een beroep kunnen doen op dit criterium. De invulling van het begrip nabijheid wordt momenteel uitgewerkt met de nota van wijziging.
De € 90 miljoen uit het Krimpfonds (2022–2027) is specifiek bedoeld voor hbo-instellingen in krimpregio’s. Dit komt voort uit de specifieke rol die hogescholen in deze regio’s vervullen en uit de prognoses van de daling van de studentenaantallen, die bij hbo-instellingen hoger ligt. Hbo-instellingen hebben over het algemeen een sterkere regionale inbedding dan universiteiten en spelen daardoor een directere rol in het behoud van een gekwalificeerde beroepsbevolking voor de regionale arbeidsmarkt. Universiteiten in krimpregio’s worden echter wel op andere manieren ondersteund, zoals via de inzet van het criterium regionale omstandigheden in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans, waarmee zij onder voorwaarden anderstalige opleidingen kunnen behouden of opstarten die bijdragen aan de regionale economie. Het criterium regionale omstandigheden wordt naar aanleiding van het amendement-Bontenbal c.s. bovendien opgenomen in de wet, zoals ook beschreven in de brief aan de Kamer van 7 februari 2025 over de invulling van dit amendement.
De taakstelling op internationale studenten die in het hoofdlijnenakkoord is afgesproken loopt op tot structureel € 293 miljoen. Met het amendement-Bontenbal c.s. wordt deze taakstelling verlaagd met structureel € 125 miljoen. Wanneer het hbo wordt uitgezonderd van de financiële taakstelling, dan zal het eventueel resterende gedeelte van de taakstelling in het wo terechtkomen.
Bij de ontwerpbegroting van 2026 wordt een besluit genomen over de definitieve verdeling van de eventueel resterende taakstelling voor 2026 en verder. Op dat moment wordt de huidige pro forma verdeling in de begroting van 2025 over artikel 6 (hbo) en 7 (wo) aangepast.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van CDA
Bestuursakkoord en overgangstermijn
De leden van de CDA-fractie lezen in de nota naar aanleiding van het tweede verslag dat de regering een vooraankondiging van de bezuinigingen op de starters- en stimuleringsbeurzen en een overgangstermijn van drie maanden voldoende acht. Deze leden vragen of de regering dit nader kan toelichten, gezien de complexiteit van processen rondom personeelsbeleid en de door professor Schlössels gestelde hoge mate van opgebouwd vertrouwen.14 Dit opgebouwde vertrouwen vloeit voort uit een deel van de afspraken die gemaakt zijn in het bestuursakkoord, die zeer concreet zijn en daarmee resultaatgerichte afspraken vormen.
Zoals professor Schlössel aangeeft, is een aanpassing van een bestuursakkoord op voorhand niet onmogelijk. Wel spelen daarbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en met name het vertrouwensbeginsel, een belangrijke rol.
Bij de invulling van de bezuinigingen is voldoende recht gedaan aan dit vertrouwen. Voor de afbouw van de middelen voor de beurzen is aansluiting gezocht bij de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht die in het algemeen gelden bij beëindiging van subsidies en bekostiging. Bij subsidies geldt onder andere dat er een redelijke termijn in acht genomen moet worden als er voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde, of in hoofdzaak dezelfde, voortdurende activiteiten. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dient een redelijke termijn er toe de ontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie of bekostiging te ondervangen. Hoewel de middelen voor de starters- en stimuleringsbeurzen korter dan drie jaar zijn verstrekt (namelijk vanaf medio 2022 tot eind 2024), is voor de stopzetting van deze middelen rekening gehouden met een termijn van drie maanden om de instellingen de gelegenheid te bieden om zich voor te bereiden. Hierbij is van belang dat de starters- en stimuleringsbeurzen jaarlijks nieuw te vergeven beurzen zijn. In beginsel zijn universiteiten daarom nog geen verplichtingen aangegaan die zijn gebaseerd op de bedragen waarop nu wordt bezuinigd. Er is dus niet bezuinigd op geld dat gekoppeld is aan beurzen die al zijn toegekend. Dit maakt dat de termijn voor stopzetting van de beurzen redelijk is.
In het verlengde van de vorige vraag, vragen de leden van de CDA-fractie zich af in hoeverre er bij de overgangstermijn van drie maanden rekening is gehouden met arbeidsrechtelijke kaders die het in bepaalde gevallen onmogelijk maken om in een zo korte tijd te reorganiseren?
Zoals hierboven toegelicht, zijn de starters- en stimuleringsbeurzen jaarlijks nieuw te vergeven beurzen. De middelen voor de beurzen zijn onderdeel van de rijksbijdrage die jaarlijks in overeenstemming met de begroting op grond van de WHW wordt vastgesteld. Daarnaast zijn de beurzen bedoeld als eenmalige bijdragen aan universitair hoofddocenten met een vaste aanstelling. In het licht van deze context zijn universiteiten in beginsel geen juridische verplichtingen aangegaan voor de bijdragen waar nu op bezuinigd wordt. Deze bijdragen zouden namelijk bestemd zijn geweest voor toekomstige beurzen die nu nog niet zijn toegekend. Daar waar dit toch het geval is, is een redelijke termijn van drie maanden gehanteerd die universiteiten in gelegenheid stelt maatregelen te treffen voor afbouw. Daarnaast mogen universiteiten het budget van jaarlijks € 78 miljoen dat zij tot en met 2031 ontvangen voor werkdruk, inzetten om de gevolgen van het wegvallen van de starters- en stimuleringsbeurzen en de looptijd daarvan te ondervangen.
In hoeverre zijn onderwijsinstellingen en vakbonden betrokken bij het bepalen van een uitvoerbare overgangstermijn? Op welke wijze, met welke frequentie en met welke partners heeft dit overleg plaatsgevonden? In de deskundigenbijeenkomst bij de Eerste Kamer op 18 februari 2025 heeft de Algemene onderwijsbond (hierna: Aob) gemeld niet te zijn betrokken bij overleggen. Zijn andere partners wel betrokken met het oog op de uitvoering van de voorgenomen bezuinigingen?
Vorig jaar zijn gesprekken met de sector gevoerd en mede aan de hand daarvan is een zorgvuldige afweging gemaakt over hoe de bezuinigingen op de meest verstandige manier kunnen worden ingevuld. Er zijn toen geen gesprekken gevoerd met vakbonden.
De fractieleden van het CDA vragen waarom de regering een overgangstermijn van drie maanden geschikt acht, kijkend naar de langere transitietijd die onderwijsinstellingen aangeven nodig te hebben.
Zie voor de toelichting op de redelijke termijn van drie maanden het antwoord op de eerste en tweede vraag die door u als CDA-fractie zijn gesteld.
In de antwoorden op de vragen met betrekking tot de uitvoerbaarheid van het amendement-Bontenbal c.s.15 geeft de regering aan dat naast de WIB en de nota van wijziging gewerkt wordt aan aanvullende maatregelen.16 Kan de regering aangeven waar zij in hoofdlijnen aan denkt en kan de regering aangeven in hoeverre deze aanvullende maatregelen effect kunnen hebben op de uitvoerbaarheid?
Na decennia van ononderbroken stijging van studentenaantallen in Nederland zal naar verwachting het aantal studenten afnemen. De demografische krimp zal de komende jaren fors zijn en niet kunnen worden gecompenseerd met een verdere stijging van internationale studenten. Daarom wordt gewerkt aan een aanpak hoe om te gaan met de effecten van deze dalende studentenaantallen. Deze aanpak wordt toegelicht in de beleidsbrief die aan de Tweede en Eerste Kamer is verstuurd.17 De Wet internationalisering in balans maakt geen onderdeel uit van de krimpaanpak. Dit wetsvoorstel heeft als doelstelling het Nederlands als onderwijstaal te borgen en het voor instellingen mogelijk te maken om te sturen op studentenstromen.
Bij het vormgeven van maatregelen in de krimpaanpak en bij het wetsvoorstel zal, zoals dat bij elk beleidstraject en alle wetgeving het geval is, de uitvoerbaarheid daarvan ook in relatie tot ander beleid vanzelfsprekend worden meegenomen.
Arbeidsmarkt
In Nederland zijn er 35 arbeidsmarktregio’s met regionaal arbeidsmarktbeleid en de uitvoering in de 35 regio’s. De fractieleden van het CDA vragen of de regering zicht heeft op de relatie tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt in deze arbeidsmarktregio’s. Heeft de regering zicht op het effect op de uitvoerbaarheid van het regionaal arbeidsmarktbeleid mede gevormd door de regionale kennisinfrastructuur?
Door de combinatie van structurele arbeidsmarktkrapte, die onder andere wordt veroorzaakt door de vergrijzing, en de maatschappelijke opgaven waar Nederland voor staat, is het verder verbeteren van de aansluiting tussen het onderwijs en de arbeidsmarkt cruciaal. De samenwerking tussen onderwijsinstellingen en het bedrijfsleven in de regio vormt het hart van het mbo en is van groot belang in het bieden van een goede aansluiting. Ook andere partijen, zoals gemeenten, Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) en sociale partners, spelen hierin een belangrijke rol. Het kabinet hervormt de arbeidsmarktinfrastructuur richting één werkcentrum per arbeidsmarktregio, waar de benodigde samenwerking tussen verschillende publieke en private partijen concreet vorm krijgt.
Er is zicht op de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt in de arbeidsmarktregio’s. Op regionaal niveau worden afspraken vastgelegd tussen bedrijfsleven, sociale partners, onderwijs en overheden in een meerjarenagenda. Hiervoor maken regio’s onder andere gebruik van de arbeidsmarktanalyses van het UWV in «Regio in Beeld». Ook verzamelt SBB informatie en data over de aansluiting onderwijs-arbeidsmarkt in de regio’s. De Atlas mbo en arbeidsmarkt van SBB wordt dit jaar verder verrijkt met regionale data. Voor de samenwerking in de hervormde arbeidsmarktinfrastructuur worden onder aansturing van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ook nadere afspraken gemaakt en handreikingen opgesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met de uitvoerbaarheid.
Daarnaast zijn er in de Werkagenda mbo afspraken gemaakt met onderwijs, bedrijfsleven en andere partners over de drie prioriteiten voor de komende jaren, waaronder het verder verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Via de regeling kwaliteitsafspraken hebben mbo-instellingen in nauwe samenspraak met hun partners een regionale vertaling gemaakt van de Werkagenda mbo. Scholen maken hier in de praktijk werk van. Zo zijn zij bijvoorbeeld bezig met de professionalisering van loopbaanoriëntatie en -begeleiding en wordt er in samenwerking met het bedrijfsleven meer ingezet op oriënterende bedrijfsbezoeken. De uitvoering van de Werkagenda mbo en de kwaliteitsagenda’s wordt gemonitord, wat zicht op de relatie in de regio oplevert.18 Om met onderwijs en onderzoek effectiever bij te dragen aan maatschappelijke uitdagingen moeten we gerichter opleiden voor specifieke sectoren op de arbeidsmarkt en tegelijkertijd ook meer verbinding leggen tussen wetenschap en maatschappij. De onderwijsagenda LLO moet er daarnaast aan bijdragen dat het mbo, hbo en wo beter kunnen inspelen op de vraag van de arbeidsmarkt met flexibel aanbod dat aansluit op de behoeften van werkenden en werkzoekenden. Met de LLO-agenda werken we samen met sociale partners, regio’s en publieke en private opleiders aan structurele verbeteringen. Private opleiders en het mbo, hbo en wo leveren via bij- en omscholing een grote bijdrage aan LLO.
Voorts vraagt het anders organiseren van het opleiden van professionals in de zorg een doel dat tijd zal kosten, zo stellen de leden van de CDA-fractie. De aangekondigde bezuinigingen (onderwijs, arbeidsmarkt, stagefonds) zullen leiden tot het vergroten van het arbeidsmarkttekort. Het bestuur van ’s Heeren Loo heeft de Kamers een brief hierover gestuurd daterende van 3 maart 2025.19 Is de regering bereid nader overleg te plegen met de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en is de regering bereid om daarna met het bestuur van ’s Heeren Loo, voor de Voorjaarsnota, in gesprek te gaan?
Het kabinet heeft scherpe keuzes moeten maken om de overheidsfinanciën nu en in de toekomst gezond te houden. Het stoppen van het stagefonds voor de zorg is een keuze die de Minister van VWS binnen dit kader heeft moeten maken. Het is van belang om de negatieve effecten van het stoppen van het stagefonds voor studenten zoveel mogelijk te beperken. Het kabinet volgt de ontwikkeling van het aantal stageplaatstekorten in het mbo, en dus ook voor de zorg. Tevens hebben we in het Stagepact mbo afspraken gemaakt over de kwaliteit van de begeleiding. De ontwikkelingen op dit gebied worden meegenomen bij de jaarlijkse monitoring van het Stagepact. Er is contact met het Ministerie van VWS waar het gaat over de krapte op de arbeidsmarkt in de zorg. De brief van ’s Heeren Loo zal in dat licht worden bezien. De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is recent op bezoek geweest bij ’s Heeren Loo omdat zij verkozen zijn tot beste leerbedrijf van 2024 en heeft met hen onder andere over het thema stages gesproken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
In reactie op de vragen over de juridische houdbaarheid van de bezuinigingen, stelt de regering dat er «niet onrechtmatig of onredelijk is gehandeld bij het invullen van de bezuinigingen.»20 Voorts stelt de regering dat «het politieke besluit om te bezuinigen juridisch zorgvuldig [is] vormgegeven, waarbij de ervaringen in vorige bezuinigingsrondes en gerechtelijke uitspraken naar aanleiding daarvan zijn meegewogen.»21 De leden van de fractie van D66 zijn door deze stellingnames nog niet overtuigd van de rechtmatigheid van de bezuinigingen. Zij vragen nogmaals of er juridisch advies is ingewonnen over de effecten van de bezuinigingen op het bestuursakkoord. Zo ja, kan dit advies met de Kamer gedeeld worden? Zo nee, waarom is er geen juridisch advies ingewonnen? Waar doelt de regering op wanneer zij schrijft dat het politieke besluit om te bezuinigen juridisch zorgvuldig is vormgegeven, wanneer er geen juridisch advies is ingewonnen? Welke ervaringen en gerechtelijke uitspraken zijn concreet meegewogen in het vormgeven van de bezuinigingen?
Voor de beslissing over de uitwerking van de bezuinigingen uit het regeerprogramma van het kabinet Schoof is geen extern juridisch advies ingewonnen. Wel zijn er ambtelijke adviezen meegegeven. Dit advies zag, onder andere, op de juridische haalbaarheid van de bezuinigingen en daarbij is rekening gehouden met de juridische kaders van de AWB die in het algemeen gelden bij bezuinigingen. In dit advies zijn de ervaringen vanuit eerdere bezuinigingen, en concreet de bezuinigingen bij onderwijsinstellingen in 2014–2015 meegewogen. De regering deelt geen adviezen die ten grondslag liggen aan de besluitvorming over het regeerprogramma. Dit wordt gedaan op grond van de eenheid van Kabinetsbeleid.
De ambtsvoorganger van de Minister heeft in 2022 300 miljoen euro (prijspeil 2022) beschikbaar gesteld voor starters- en stimuleringsbeurzen.22 Mede op aandringen van de Minister en mede op advies van de Adviescommissie uitwerking starters- en stimuleringsbeurzen hebben veel universiteiten ervoor gekozen om de middelen zoveel mogelijk toe te kennen en erop te vertrouwen dat het ministerie de afspraken over de financiering in de toekomst – in ieder geval tot en met 2031 – zou nakomen. De regering heeft de universiteiten slechts drie maanden gegeven om zich voor te bereiden op het wegvallen van ruim 336 miljoen euro aan starters- en stimuleringsbeurzen (prijspeil 2024). Erkent de regering dat het ministerie universiteiten heeft aangespoord om het geld zoveel mogelijk en zo snel mogelijk te geven? Waarom vindt de regering drie maanden tussen de vooraankondiging en de inwerkingtreding van de bezuinigingen op de starters- en stimuleringsbeurzen voor universiteiten voldoende, gezien de processen rondom personeelsbeleid en de verwachtingen die zijn gewekt bij jonge onderzoekers? Hoe beoordeelt de regering de rechtmatigheid van de bezuinigingen en de drie maanden vanaf de vooraankondiging in het licht van deze aansporingen?
Om de middelen doelmatig en doeltreffend te laten zijn, zijn de universiteiten aangemoedigd om de door OCW verstrekte middelen dit jaar zo snel mogelijk in te zetten voor de toekenning van starters- en stimuleringsbeurzen.
De middelen voor de starters- en stimuleringsbeurzen zijn onderdeel van de landelijke rijksbijdrage die jaarlijks in overeenstemming met de begroting op grond van de WHW wordt vastgesteld. In het licht van deze context zijn de starters- en stimuleringsbeurzen vormgegeven als jaarlijks nieuw te vergeven beurzen.
Voor de redelijke afbouw is aansluiting gezocht bij de zogenoemde afbouwbepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht en de jurisprudentie over deze bepalingen. Bij subsidies geldt onder andere dat er een redelijke termijn in acht moet worden genomen als er voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde, of in hoofdzaak dezelfde, voortdurende activiteiten. Een redelijke termijn dient er volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State toe de ontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidie of bekostiging te ondervangen. Hoewel de middelen voor de beurzen nog niet voor drie achtereenvolgende jaren aan instellingen ter beschikking zijn gesteld, is voor de stopzetting van deze middelen rekening gehouden met een termijn van drie maanden om de instellingen de gelegenheid te bieden om zich voor te bereiden. In samenhang bezien met het budget van € 78 miljoen dat universiteiten jaarlijks tot en met 2031 ontvangen voor het verlagen van werkdruk of het wegnemen van de gevolgen van het wegvallen van de starters- en stimuleringsbeurzen en de looptijd daarvan, maakt dat de bezuinigingen op deze beurzen rechtmatig zijn en niet onredelijk voor de betrokken partijen.
De regering schrijft dat de totale uitgaven van Nederland aan onderzoek en ontwikkeling al jaren boven het gemiddelde van de Europese Unie (hierna: EU) liggen.23 Volgens data van de EU bedroegen de gemiddelde uitgaven aan onderzoek en ontwikkeling in de EU in 2023 2,22 procent van het bbp en bedroegen de uitgaven van Nederland in 2023 2,08 procent van het bbp.24 Bovendien blijkt uit dezelfde data en uit onderzoek van TNO dat Nederland door ons omringende landen als België (3,5%), Duitsland (3,1%), en Denemarken (3,1%) voorbij wordt gestreefd.25 Is de regering het met de leden van de D66-fractie eens dat op basis van deze data niet kan worden gesteld dat Nederland behoort tot de top van landen die investeren in onderzoek en ontwikkeling? Met welk groeipad verwacht de regering haar ambitie om in 2030 3% van het bbp uit te geven aan onderzoek en ontwikkeling te realiseren? De regering schrijft dat zij in wil zetten op een beter vestigingsklimaat en vooral private investeringen in onderzoek en ontwikkeling wil stimuleren. Deelt de regering de opvatting van de fractieleden van D66 en een groot aantal grote bedrijven dat de voorgestelde bezuinigingen het vestigingsklimaat verzwakken en private investeringen ondermijnen?26 Zo nee, waarom niet? Hoe reageert de regering op de zorgen van de Economic Board Zuid-Holland, Economic Board Amsterdam en Economic Board Utrecht (ondersteund door o.a. VNO-NCW) over de zware schade die de WIB kan toebrengen aan de Nederlandse economie, innovatiekracht, het investeringsklimaat en de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven? Hoe gaat de regering voorkomen dat internationaal talent wegtrekt uit Nederland en de positie van Nederland als kennisland wordt verzwakt?
De regering is bekend met de zorgen van deze organisaties. Tijdens de ontwikkeling van het wetsvoorstel en bijbehorende regelgeving zijn afvaardigingen van het bedrijfsleven geraadpleegd in de vorm van Economic Boards en Euregio’s. De doelmatigheidscriteria, op basis waarvan anderstalig onderwijs mogelijk blijft na de toets anderstalig onderwijs, zijn onder andere op basis van deze gesprekken tot stand gekomen. Zo blijft er strategische ruimte voor internationalisering waar dit bijdraagt aan de arbeidsmarktbehoefte of aan de regio.
Het wetsvoorstel vormt een pakket aan maatregelen met het overkoepelende doel om de internationalisering in het hbo en wo in balans te brengen. De concrete doelstellingen van het wetsvoorstel zijn het versterken van het Nederlands als onderwijstaal door in te zetten op een doelmatig (anderstalig) onderwijsaanbod, en het vergroten van de toegankelijkheid van bacheloropleidingen voor Nederlands(talig)e en (andere) EER-studenten door middel van het bieden van mogelijkheden aan instellingen om te kunnen sturen op studentenstromen. De regering erkent en onderstreept het belang van het behouden van internationaal talent voor de Nederlandse arbeidsmarkt en wil hier juist aan bijdragen middels de instrumenten in de Wet internationalisering in balans. Zo moet betere Nederlandse taalbeheersing bijdragen aan een hogere kans op blijven van internationale studenten. Daarnaast blijft anderstalig onderwijs juist mogelijk in opleidingen en trajecten die opleiden voor een tekortsector, als men kan aantonen dat beheersing van het Nederlands in die tekortsector niet noodzakelijk is. Zo blijft de instroom van internationaal talent gericht behouden, terwijl anderstalig onderwijsaanbod dat niet doelmatig blijkt, wordt omgezet naar het Nederlands of op den duur wordt afgebouwd.
Door de combinatie van de bezuinigingen, de demografische krimp en het afnemend aantal buitenlandse studenten kunnen hbo’s én universiteiten niet voldoende mensen opleiden voor de arbeidsmarkt, aldus de fractieleden van D66. Kan de regering reflecteren op de effecten van de bezuinigingen, in combinatie met de demografische krimp en het afnemende aantal buitenlandse studenten, op de arbeidsmarkt en het huidige en toekomstige personeelstekort? Waarom is de 90 miljoen euro voor de periode 2022–2026 uit het Krimpfonds alleen beschikbaar voor hbo-instellingen en niet voor universiteiten in sterk krimpende regio’s? Hoe worden universiteiten in krimpgebieden ondersteund bij het behouden en aanpassen van hun opleidingsaanbod? Waarom valt de Radboud Universiteit in Nijmegen niet onder de grensregio’s, terwijl deze universiteit zich vlak bij de Duitse grens bevindt?
Om vanuit het onderwijs zo goed mogelijk bij te dragen aan het oplossen van arbeidsmarktkrapte is een weerbaar en wendbaar onderwijsstelsel nodig. In het licht van de dalende studentenaantallen, door demografische krimp en stabilisering van het aantal internationale studenten, en de bezuinigingen worden maatregelen genomen om een kwalitatief goed en toegankelijk onderwijsaanbod dat aansluit bij de maatschappelijke opgaven in stand te kunnen houden. We willen dat hogescholen en universiteiten zich gezamenlijk inzetten om te voorkomen dat voor de maatschappij cruciaal onderwijs uit Nederland verdwijnt en dat zij gezamenlijk kansen voor economie en maatschappij in het onderwijsaanbod verzilveren. Daar hoort onder andere bij dat bewust en gericht wordt omgegaan met het aantrekken van internationale studenten en het aanbieden van anderstalige opleidingen, hetgeen we met het voorliggende wetsvoorstel Internationalisering in Balans nastreven. Hiernaast willen we ook verkennen of er meer nodig en mogelijk is rond stabilisering van de bekostiging, binnen de budgettaire kaders op de OCW-begroting, om een goed onderwijsaanbod op peil te kunnen houden.
De € 90 miljoen uit het Krimpfonds (2022–2027) is specifiek bedoeld voor hbo-instellingen in krimpregio’s. Dit komt voort uit de specifieke rol die hogescholen in deze regio’s vervullen en uit de prognoses van de daling van de studentenaantallen, die bij hbo-instellingen hoger ligt. Hbo-instellingen hebben over het algemeen een sterkere regionale inbedding dan universiteiten en spelen daardoor een directere rol in het behoud van een gekwalificeerde beroepsbevolking voor de regionale arbeidsmarkt. Universiteiten in krimpregio’s worden echter wel op andere manieren ondersteund, zoals via de inzet van het criterium regionale omstandigheden in het wetsvoorstel Wet internationalisering in balans, waarmee zij onder voorwaarden anderstalige opleidingen kunnen behouden of opstarten die bijdragen aan de regionale economie. Het criterium regionale omstandigheden wordt naar aanleiding van het amendement-Bontenbal c.s. bovendien opgenomen in de wet, zoals ook beschreven in de brief aan de Kamer van 7 februari jongstleden over de invulling van dit amendement.
Voor vestigingen van hoger onderwijs die binnen 25 kilometer van de grens met een anderstalig gebied (zoals Duitsland) liggen, is het mogelijk om een beroep te doen op het criterium regionale omstandigheden. De Radboud Universiteit in Nijmegen valt binnen deze zone en kan daarom een beroep doen op dit criterium. Het feit dat instellingen binnen een grensregio liggen, betekent niet dat zij automatisch toestemming krijgen voor het verzorgen van een anderstalige opleiding of een anderstalig traject. Vervolgens zal onderbouwd moeten worden dat de opleiding waar de aanvraag op ziet een aanmerkelijke bijdrage levert aan de grensoverschrijdende kennisinfrastructuur en/of arbeidsmarkt.
De bovengenoemde inzet vanuit het onderwijs draagt bij aan de aanpak van de arbeidsmarktkrapte. Onderwijs is echter niet de enige oplossing. De voorspelde tekorten zijn zodanig groot dat er simpelweg te weinig mensen zijn om op te leiden. Om de arbeidsmarktkrapte duurzaam terug te dringen, zijn daarom ook strategische keuzes in andere sectoren en inzet van werkgevers nodig. Denk daarbij ook aan aspecten als arbeidsproductiviteit en arbeidsparticipatie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt
In de beantwoording van de regering op de vragen van de fractieleden van Volt over de WIB schrijft de regering: «Grensregio’s worden in het criterium opgenomen vanwege de verbondenheid met het anderstalige grensgebied en de noodzaak om in een universele taal onderwijs aan te bieden. Vestigingen die zich hemelsbreed binnen 25 km van een anderstalige landsgrens bevinden, vallen binnen deze definitie.»27 Dit roept de vraag op bij de leden van de Volt-fractie waar precies die anderstalige landsgrens loopt. Welke onderwijsinstellingen vallen onder het vierde criterium en dus binnen 25 km van de anderstalige landsgrens?
De fractieleden van Volt vragen op welke juridische en beleidsmatige gronden de 25 km regel is vastgesteld. Waarom is afstand tot de grens het enige criterium en niet de mate waarin een regio economisch afhankelijk is van internationale studenten?
De anderstalige landsgrens betreft de grens van Nederland met Duitsland en Franstalig België. Onderwijsinstellingen met vestigingen binnen 25 kilometer van deze grens vallen onder het criterium regionale omstandigheden en kunnen op basis hiervan een beroep doen op het regio-criterium.
De volgende instellingen hebben vestigingen binnen 25 kilometer van de grens en vallen daarmee binnen de reikwijdte van dit criterium:
• Artez (Enschede, Arnhem)
• Fontys (Nijmegen, Venlo, Sittard-Geleen)
• HAN (Arnhem, Nijmegen)
• HAS (Venlo)
• Hogeschool Van Hall Larenstein (Velp)
• Iselinge Hogeschool (Doetinchem)
• Maastricht University
• NHL Stenden (Emmen)
• Radboud Universiteit (Nijmegen)
• Saxion (Enschede)
• Transnationale Universiteit Limburg (Maastricht)
• Universiteit Twente (Enschede)
• Windesheim (Enschede)
• Hogeschool Zuyd (Sittard-Geleen, Heerlen, Maastricht)
Het feit dat instellingen binnen een grensregio liggen, betekent niet dat zij automatisch toestemming krijgen voor het verzorgen van een anderstalige opleiding of een anderstalig traject. Om hier daadwerkelijk toestemming voor te krijgen moet de instelling cumulatief aantonen dat: 1) er sprake is van verwevenheid van de instelling met de grensregio; en 2) de opleiding een aanmerkelijke bijdrage levert aan de grensoverschrijdende kennisinfrastructuur en/of arbeidsmarkt.
De grensafbakening van 25 km is gebaseerd op een studie van het CPB naar grenseffecten op de regionale arbeidsmarkt.28 Uit dit onderzoek blijkt dat grensligging nadelige gevolgen kan hebben voor de arbeidsmarkt en dat deze effecten zich voordoen tot 25 km van de landsgrens. Anderstalig onderwijs kan helpen om deze belemmeringen te verkleinen door kennis te creëren en studenten op te leiden voor een arbeidsmarkt die zich niet beperkt tot nationale grenzen. Dit draagt bij aan de economische veerkracht van grensregio’s.
Niet alleen op basis van de ligging in een grensregio maar ook op basis van de ligging in een krimpregio kan een beroep worden gedaan op het criterium regionale omstandigheden. In een krimpregio kan anderstalig onderwijs bijdragen aan het tegengaan van stapelende achterstanden. Dit kan door innovatie in de regio aan te jagen en internationaal talent aan te trekken voor de regionale arbeidsmarkt. Een gezonde arbeidsmarkt en een sterke kennisinfrastructuur zijn van belang voor de economische ontwikkeling van deze regio’s.
Dit maatwerk voor krimp- en grensregio’s geeft ruimte voor anderstalig onderwijs, mede vanwege de rol die anders taligheid, en in het verlengde het aantrekken van internationale studenten, kan spelen in de regionale economie. Een op zichzelf staande juridische grond voor anders taligheid op basis van economische afhankelijkheid van internationale studenten is daarmee niet aan de orde.
Als de overheid bezuinigt op het hoger onderwijs, bestaat het risico dat getalenteerde studenten en wetenschappers uitwijken naar landen die wel investeren in wetenschap en innovatie, aldus de fractieleden van Volt. Dit kan de concurrentiepositie van Nederland als kennisland verzwakken en negatieve gevolgen hebben voor de economie en samenleving. Welke lange termijn maatregelen neemt de regering om te voorkomen dat deze bezuinigingen leiden tot een braindrain van internationaal talent?
Het Nederlands moet in het bacheloronderwijs weer de norm worden. Daarnaast wil deze regering inzetten op een doelmatige besteding van overheidsgeld als het gaat om de internationalisering van het hbo en wo. Daarom blijft er strategische ruimte voor anderstalig onderwijs als dit een aantoonbaar maatschappelijke bijdrage levert. Het gaat dan in de eerste plaats om opleidingen die opleiden tot sectoren waar grote arbeidsmarkttekorten zijn, bijvoorbeeld in de technieksector. In de tweede plaats gaat het om opleidingen die een belangrijke bijdrage leveren aan krimp- en grensregio’s. In de derde en vierde plaats gaat het om opleidingen die bijzonder internationaal gepositioneerd zijn, of die zo uniek zijn, dat zonder het aantrekken van internationaal talent deze opleiding en daarmee het hele onderzoeks- of kennisveld uit Nederland zou verdwijnen. Op die manier kan Nederland op deze vlakken volop zijn concurrentiepositie behouden.
Wanneer aan één van deze criteria voldaan wordt en waar bijvoorbeeld internationale studenten na hun opleiding in Nederland blijven, blijft anderstalig onderwijs mogelijk. Zo wordt onder andere de kloof tussen onderzoek en maatschappij verkleind en de toegankelijkheid van bacheloropleidingen, voor Nederlands(talig)e studenten, vergroot. Tot slot hebben instellingen vanuit zelfregie ook de mogelijkheid om zelf kritische keuzes te maken over het anderstalige onderwijsaanbod, gelet op de hiervoor geschetste doelmatigheidsdoelen van deze regering die tot uitdrukking komen in de WIB.
In de beantwoording schrijft de regering: «Er wordt door het kabinet bezuinigd op onderwijs en onderzoek om investeringen in andere maatschappelijke doelen, zoals defensie.»29 De fractieleden van Volt stellen dat gezien de geopolitieke spanningen en economische onzekerheid het essentieel is om Nederland als kennisland strategisch te versterken. Een verzwakt kennisland is immers extra kwetsbaar in een wereld vol geopolitieke uitdagingen. Hoe zorgt de regering ervoor dat investeringen in defensie samengaan met investeringen in onderzoek, innovatie en onderwijs, zodat Nederland niet afhankelijk wordt van buitenlandse kennis en technologie?
Het kabinet onderschrijft het belang om Nederland als kennisland strategisch te versterken. In navolging van het AWTI-advies «kennisoffensief voor defensie» onderzoeken wij samen met het Ministerie van Defensie hoe de Nederlandse kennissector door middel van onderzoek, innovatie en onderwijs kan investeren in kennis en technologie die zij nodig acht, gelet op de geopolitieke uitdagingen. Daarbij wordt gekeken naar handelingsperspectief vanuit de kennissector, uitgaande van de huidige budgettaire middelen van het Rijk.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, M.L.J. Paul
Deskundigenbijeenkomst over de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van de voorgenomen bezuinigingen in het hbo en wo in de begrotingsstaten OCW 2025, d.d. 18 februari 2025.
Werkdruk en ongewenst gedrag op universiteiten | Nieuwsbericht | Nederlandse Arbeidsinspectie
Raymond Schlössels, hoogleraar bestuursrecht Universiteit Maastricht (tijdens de Deskundigenbijeenkomst over de rechtmatigheid en uitvoerbaarheid van de voorgenomen bezuinigingen in het hbo en wo in de begrotingsstaten OCW 2025, d.d. 18 februari 2025.
Link onderzoek CPB: CPB-Notitie-23nov2016-De-arbeidsmarkt-aan-de-grens-met-en-zonder-grensbelemmeringen_0.pdf
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-VIII-K.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.