Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600 nr. AJ |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36600 nr. AJ |
Vastgesteld 20 februari 2026
De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Buitenlandse Zaken over de gewijzigde motie-Van Meenen c.s. over het realiseren van de toezeggingen met betrekking tot Afghaanse ambassademedewerkers. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 10 december 2025.
• De antwoordbrief van 20 februari 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, Van Luijk
Aan de Minister van Buitenlandse Zaken
Den Haag, 10 december 2025
De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) hebben kennisgenomen van uw brief2 ter beantwoording van het motie en toezeggingenrappel, met name van uw toelichting bij de Gewijzigde motie-Van Meenen (D66) c.s. over het realiseren van de toezeggingen met betrekking tot Afghaanse ambassademedewerkers.3 De leden van de fractie van D66 en de Fractie-Van de Sanden hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de fracties van SP en Volt sluiten zich aan bij de vragen van beide fracties.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de fractie van D66 hebben met teleurstelling en ernstige bezorgdheid kennisgenomen van het besluit van het kabinet om de motie-Van Meenen naast zich neer te leggen. Deze motie verzoekt het kabinet de eerder gedane toezeggingen na te komen en de Afghaanse ambassadebewakers en ASG-bewakers, inclusief hun directe gezinsleden, op een veilige manier naar Nederland over te brengen. Het niet uitvoeren van de motie brengt de medewerkers, die zich destijds hebben ingezet voor de veiligheid van de Nederlandse ambassade, direct in gevaar. De leden van de D66-fractie hebben daarom enkele vragen over het niet uitvoeren van de motie.
Allereerst verzoeken zij u om toe te lichten op grond waarvan een motie, die met een Kamermeerderheid is aangenomen, niet wordt uitgevoerd. Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag? Deze leden vragen voorts of u zich ervan bewust bent dat het niet uitvoeren van de motie de bewakers c.s. mogelijk in een levensbedreigende situatie brengt. Bent u het daarnaast met de leden van de D66-fractie eens dat Nederland ook een morele verplichting heeft jegens de bewakers die hun leven hebben geriskeerd ter bescherming van Nederlandse diplomaten? Voelt u deze verplichting en bent u bereid verantwoordelijkheid te dragen voor de veiligheid van de bewakers c.s.?
De leden van de D66-fractie hebben eveneens kennisgenomen van de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie en Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 22 oktober 2024 over de veiligheidssituatie van de Afghaanse bewakers.4 Hierin geeft het kabinet aan niet alle Afghaanse bewakers naar Nederland te zullen overbrengen, maar wel oog te blijven houden voor schrijnende gevallen. Hoewel het kabinet in deze brief stelt dat de bewakers geen gevaar lopen, blijkt uit de brief dat 43 personen als schrijnend zijn aangemerkt. De totale groep bewakers die tijdens de val van Kaboel en de tien jaar daarvoor voor de Nederlandse ambassade heeft gewerkt, is eerder door de Minister van Buitenlandse Zaken op 193 personen geschat.5 De leden van de D66-fractie verzoeken u deze cijfers te bevestigen. Tevens vragen zij hoe het kabinet kan volhouden dat de ambassademedewerkers niet in gevaar zijn, terwijl er al 43 van de 193 personen als schrijnend geval zijn aangemerkt. Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat deze 43 personen geen uitzondering meer vormen? Daarnaast vragen zij of u inzicht heeft in de situatie van de bewakers die momenteel nog in Afghanistan verblijven, en of u een actueel beeld kunt schetsen van hun omstandigheden.
Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat het kabinet zich regelmatig uitspreekt over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, en dat Nederland, samen met andere landen, Afghanistan aansprakelijk heeft gesteld voor schending van het Vrouwenverdrag. Hoe verklaart u dat de IND in dit licht een aantal vrouwen naar Afghanistan heeft uitgezet, terwijl de rechtbank in Den Haag in augustus 2025 de onderliggende redenering van dit besluit heeft verworpen?6 Hoe rijmt u het aanklagen van Afghanistan wegens vrouwendiscriminatie met het terugsturen van vrouwen naar dit land, ondanks de voortdurende discriminatie?
Vragen en opmerkingen van het lid van de Fractie-Van de Sanden
Het lid van de Fractie-Van de Sanden wenst de volgende rechtsstatelijke vragen te stellen.
1. Hoe verhoudt het herhaaldelijk weigeren van de uitvoering van deze motie zich tot de grondslag van het motierecht in de Nederlandse rechtsstaat en de verplichting van de regering tot naleving van aangenomen moties?
2. Welke overwegingen heeft het kabinet gemaakt met betrekking tot de scheiding der machten, nu het parlement duidelijk een motie heeft aangenomen en de uitvoerende macht weigert te handelen?
3. Hoe wordt rechtszekerheid gewaarborgd voor de Afghaanse ambassadebewakers, nu herhaaldelijk uitvoering van een aangenomen motie wordt uitgesteld of geweigerd?
4. Kunt u aangeven op welke wijze het kabinet verantwoording aflegt aan de Kamer voor de herhaalde weigering, en hoe dit aansluit bij de rechtsstatelijke verplichting tot transparantie?
5. Hoe beoordeelt u de proportionaliteit van het weigeren van uitvoering, gezien het humanitaire karakter van de motie en het belang van betrokkenen?
6. Bent u bereid een juridische toetsing uit te laten voeren door bijvoorbeeld Adviescollege, Raad van State of een andere instantie om te bevestigen of weigering motie rechtsstatelijk toelaatbaar is?
7. Welke analyse heeft u gemaakt van de precedentwerking als moties door het parlement kunnen worden genegeerd, en hoe waarborgt u dat dit niet leidt tot uitholling van de rechtsstaat?
8. Welke mechanismen ziet u voor zich om alsnog uitvoering te geven aan de motie, en welke belemmeringen die door het kabinet worden genoemd kunnen rechtsstatelijk getoetst worden?
De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.
De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingshulp, Koen Petersen
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 20 februari 2026
Hierbij bied ik u de antwoorden aan op de schriftelijke vragen gesteld door de leden van de fractie van D66 en de fractie-Van de Sanden inzake de gewijzigde motie-Van Meenen. Deze vragen werden ingezonden op 24 december 2025 met kenmerk 179092.
De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel
Vraag 1
De leden van de fractie van D66 hebben met teleurstelling en ernstige bezorgdheid kennisgenomen van het besluit van het kabinet om de motie-Van Meenen naast zich neer te leggen. Deze motie verzoekt het kabinet de eerder gedane toezeggingen na te komen en de Afghaanse ambassadebewakers en ASG-bewakers, inclusief hun directe gezinsleden, op een veilige manier naar Nederland over te brengen. Het niet uitvoeren van de motie brengt de medewerkers, die zich destijds hebben ingezet voor de veiligheid van de Nederlandse ambassade, direct in gevaar. De leden van de D66-fractie hebben daarom enkele vragen over het niet uitvoeren van de motie. Allereerst verzoeken zij u om toe te lichten op grond waarvan een motie, die met een Kamermeerderheid is aangenomen, niet wordt uitgevoerd. Welke overwegingen liggen hieraan ten grondslag?
Antwoord
De motie-Van Meenen is voor kennisgeving aangenomen en het kabinet heeft destijds besloten hier geen uitvoering aan te geven. Dit is ook gecommuniceerd in de brief van 6 december 2024 aan uw Kamer.
Het kabinet heeft sinds 15 augustus 2021 een grote inspanning geleverd in het overbrengen van Afghanen die, in verschillende hoedanigheden, hebben bijgedragen aan de Nederlandse inzet in Afghanistan. In lijn met de motie Belhaj is destijds gekozen voor een afbakening van de groepen die hiervoor in aanmerking komen. In deze besluitvorming was het uitgangspunt dat extern ingehuurde bewakers niet in aanmerking komen voor overbrenging, omdat zij in dienst waren van een privaat bedrijf en daarom vallen onder de werkgeversverantwoordelijkheid van dit private bedrijf. Ze behoorden daarom evenmin tot lokaal personeel van de ministeries van Buitenlandse Zaken en Defensie. Alleen ASG bewakers die zich voor 11 oktober 2021 hebben gemeld bij de Nederlandse overheid zijn of worden op basis van de speciale voorziening voor het Ministerie van Defensie uit de kabinetsbrief van 11 oktober 2021 overgebracht.
Er is door dit en vorige kabinetten een besluit genomen over welke groepen Afghanen in aanmerking komen voor overbrenging. Daarbij is door deze kabinetten niet over één nacht ijs gegaan. Ook is dit gedaan in het volle besef dat waar je een lijn ook trekt, er zich altijd mensen aan de andere kant van de lijn bevinden.
Vraag 2
Deze leden vragen voorts of u zich ervan bewust bent dat het niet uitvoeren van de motie de bewakers c.s. mogelijk in een levensbedreigende situatie brengt. Bent u het daarnaast met de leden van de D66-fractie eens dat Nederland ook een morele verplichting heeft jegens de bewakers die hun leven hebben geriskeerd ter bescherming van Nederlandse diplomaten? Voelt u deze verplichting en bent u bereid verantwoordelijkheid te dragen voor de veiligheid van de bewakers c.s.?
Antwoord
Nederland heeft zich op ruimhartige wijze ingespannen voor het overbrengen van Afghanen naar Nederland. In totaal zijn er meer dan 4.600 personen geëvacueerd en overgebracht. Het kabinet is ervan overtuigd dat Nederland daarmee invulling heeft gegeven aan zijn verantwoordelijkheid en de afspraken die hierover met de Tweede Kamer zijn gemaakt.
Het uitgangspunt is altijd geweest dat extern ingehuurde bewakers vallen onder de werkgeversverantwoordelijkheid van het private bedrijf waar zij in dienst waren. Het kabinet is van mening dat Nederland geen verplichting heeft jegens deze groep. Dit is in lijn met de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 4 november 2025. Tegen deze uitspraak is op 30 december namens 42 Afghaanse bewakers cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Staat zal verweer voeren.
Vraag 3
De leden van de D66-fractie hebben eveneens kennisgenomen van de brief van de Ministers van Buitenlandse Zaken, Defensie en Asiel en Migratie aan de Tweede Kamer van 22 oktober 2024 over de veiligheidssituatie van de Afghaanse bewakers. Hierin geeft het kabinet aan niet alle Afghaanse bewakers naar Nederland te zullen overbrengen, maar wel oog te blijven houden voor schrijnende gevallen. Hoewel het kabinet in deze brief stelt dat de bewakers geen gevaar lopen, blijkt uit de brief dat 43 personen als schrijnend zijn aangemerkt. De totale groep bewakers die tijdens de val van Kaboel en de tien jaar daarvoor voor de Nederlandse ambassade heeft gewerkt, is eerder door de Minister van Buitenlandse Zaken op 193 personen geschat. De leden van de D66-fractie verzoeken u deze cijfers te bevestigen. Tevens vragen zij hoe het kabinet kan volhouden dat de ambassademedewerkers niet in gevaar zijn, terwijl er al 43 van de 193 personen als schrijnend geval zijn aangemerkt. Bent u het met de leden van de D66-fractie eens dat deze 43 personen geen uitzondering meer vormen?
Antwoord
Van de groep voormalig extern ingehuurde Afghaanse ambassadebewakers is er tot op heden één persoon aangemerkt als schrijnend geval.
In totaal zijn er sinds 2021 tot op heden 44 personen aangemerkt als schrijnend geval, waarvan 41 door opeenvolgende Ministers van Buitenlandse Zaken en 3 door opeenvolgende Ministers van Defensie. Hier valt ook een ASG bewaker onder. Over de overwegingen die ten grondslag lagen aan de besluitvorming van deze individuele gevallen kunnen geen algemene uitspraken worden gedaan. Deze uitzonderlijke gevallen zijn via verschillende kanalen onder de aandacht gebracht. Er kan niet worden bevestigd dat alle voormalig extern ingehuurde ambassadebewakers gevaar lopen vanwege hun werkzaamheden voor Nederland. Zie ook het antwoord op vraag 4. Uiteraard blijft er oog voor schrijnende gevallen.
Vraag 4
Daarnaast vragen zij of u inzicht heeft in de situatie van de bewakers die momenteel nog in Afghanistan verblijven, en of u een actueel beeld kunt schetsen van hun omstandigheden.
Antwoord
De Taliban hebben na de machtsovername een algemene amnestie afgekondigd. Die houdt in dat Afghanen die in het verleden voor de overheid of de internationale coalitie hebben gewerkt daarvoor niet gestraft worden. Er is geen informatie waaruit blijkt dat het Talibanleiderschap de amnestie systematisch schendt. Dat neemt niet weg dat er in Afghanistan wel wraakacties en mensenrechtenschendingen plaatsvinden. In de zeer complexe context van Afghanistan, waar informatie beperkt is en het onderscheid tussen de verschillende lagen en oorzaken van conflict lastig te differentiëren zijn, kan echter niet worden vastgesteld wat de (onderliggende) reden van dreigementen en wraakacties jegens specifieke individuen zijn en of er sprake is van een causaal verband met werkzaamheden verricht voor Nederland.
In 2023 is er onderzoek gedaan naar de situatie van deze groep. Uit dit onderzoek is gebleken dat het causaal verband met werkzaamheden voor Nederland in het verleden niet is vast te stellen. Het kabinet heeft tot op heden geen berichten ontvangen die tot een andere weging leiden.
Vraag 5
Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat het kabinet zich regelmatig uitspreekt over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, en dat Nederland, samen met andere landen, Afghanistan aansprakelijk heeft gesteld voor schending van het Vrouwenverdrag. Hoe verklaart u dat de IND in dit licht een aantal vrouwen naar Afghanistan heeft uitgezet, terwijl de rechtbank in Den Haag in augustus 2025 de onderliggende redenering van dit besluit heeft verworpen?
Antwoord
De fragiele mensenrechtensituatie in Afghanistan is zorgvuldig meegewogen bij de totstandkoming van het door het Ministerie van Asiel en Migratie vastgestelde landgebonden asielbeleid voor Afghanistan en wordt ook bij de individuele beoordeling door de IND steeds meegenomen. Overigens vindt op dit moment geen gedwongen terugkeer vanuit Nederland naar Afghanistan plaats.
Vraag 6
Hoe rijmt u het aanklagen van Afghanistan wegens vrouwendiscriminatie met het terugsturen van vrouwen naar dit land, ondanks de voortdurende discriminatie?
Antwoord
Op 25 september 2024 heeft Nederland – samen met Australië, Canada en Duitsland – Afghanistan aansprakelijk gesteld voor grove en systematische schendingen van het Vrouwenverdrag. Met de aansprakelijkstelling zet Nederland zich samen met de genoemde staten in om naleving van internationale verplichtingen onder het Vrouwenverdrag door Afghanistan af te dwingen en toekomstige schendingen te voorkomen. Afghaanse vrouwen en meisjes moeten aanspraak kunnen maken op de rechten onder het Vrouwenverdrag. In het bijzonder moet het recht op onderwijs voor Afghaanse vrouwen en meisjes worden gerespecteerd en gegarandeerd.
Als eerste noodzakelijke stap bij een dergelijke aansprakelijkstelling is Afghanistan uitgenodigd om in onderhandeling te treden. Over dit proces en vragen gerelateerd aan deze internationaal-juridische procedure kan het kabinet, in het belang van de aansprakelijkstelling, geen verdere uitspraken doen. Voor het huidige asielbeleid voor Afghaanse vrouwen verwijs ik u naar het antwoord op vraag 5.
Vraag 7
Het lid van de Fractie-Van de Sanden wenst de volgende rechtsstatelijke vragen te stellen. Hoe verhoudt het herhaaldelijk weigeren van de uitvoering van deze motie zich tot de grondslag van het motierecht in de Nederlandse rechtsstaat en de verplichting van de regering tot naleving van aangenomen moties?
Antwoord
In een motie wordt een verzoek van de Kamer aan de regering of, in geval van een spreekt-uit-motie een uitspraak van de Kamer, vastgelegd. Er bestaat geen staatsrechtelijke verplichting om aangenomen moties uit te voeren. Het is aan het kabinet om het beleid te bepalen en dat toe te lichten. Voor toelichting over de keuze om deze motie niet uit te voeren verwijs ik u naar de beantwoording van vraag 1.
Vraag 8
Welke overwegingen heeft het kabinet gemaakt met betrekking tot de scheiding der machten, nu het parlement duidelijk een motie heeft aangenomen en de uitvoerende macht weigert te handelen?
Antwoord
Na zorgvuldige afweging heeft het kabinet geoordeeld dat er in het onderhavige geval goede redenen bestaan om de aangenomen motie niet uit te voeren. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 1 en 7.
Vraag 9
Hoe wordt rechtszekerheid gewaarborgd voor de Afghaanse ambassadebewakers, nu herhaaldelijk uitvoering van een aangenomen motie wordt uitgesteld of geweigerd?
Antwoord
Het kabinet heeft reeds in 2021 en daarna aangegeven, ook richting het parlement en in rechterlijke procedures, dat Afghaanse ambassadebewakers niet voor overbrenging in aanmerking komen. Aan een aangenomen motie kan door de ambassadebewakers geen recht op overbrenging worden ontleend.
Vraag 10
Kunt u aangeven op welke wijze het kabinet verantwoording aflegt aan de Kamer voor de herhaalde weigering, en hoe dit aansluit bij de rechtsstatelijke verplichting tot transparantie?
Antwoord
In de brief van 6 december 2024 is aan uw Kamer gecommuniceerd en toegelicht dat er geen uitvoering aan de motie zal worden gegeven.
Eerder is in de debatten van 3 en 24 oktober 2024 uitvoerig gesproken met de Tweede Kamer over de situatie van de Afghaanse ambassadebewakers en de overweging van het kabinet om deze groep niet over te brengen.
Vraag 11
Hoe beoordeelt u de proportionaliteit van het weigeren van uitvoering, gezien het humanitaire karakter van de motie en het belang van betrokkenen?
Antwoord
De humanitaire en economische situatie in Afghanistan is schrijnend. Het kabinet heeft zich gecommitteerd aan het steunen van de Afghaanse bevolking, met name vrouwen en meisjes. Dat doen we via onder andere humanitaire hulp, steun aan het maatschappelijk middenveld aldaar, en het blijven agenderen van de mensenrechtenschendingen van het regime.
De in het algemeen schrijnende situatie in Afghanistan betekent niet dat Nederland een verantwoordelijkheid heeft om de groep Afghaanse bewakers over te brengen. Dit en vorige kabinetten hebben hier een zorgvuldige afweging over gemaakt. Het uitgangspunt is altijd geweest dat extern ingehuurde bewakers vallen onder de werkgeversverantwoordelijkheid van het private bedrijf waar zij in dienst waren. Het kabinet is van mening dat Nederland geen verplichting heeft jegens deze groep. Zie ook het antwoord op vraag 1.
Vraag 12
Bent u bereid een juridische toetsing uit te laten voeren door bijvoorbeeld Adviescollege, Raad van State of een andere instantie om te bevestigen of weigering motie rechtsstatelijk toelaatbaar is?
Antwoord
Een dergelijke toetsing of advies van een andere instantie acht ik niet noodzakelijk. Het Nederlandse staatsrecht kent geen verplichting tot het uitvoeren van aangenomen moties. Ik verwijs naar het antwoord op vraag 7.
Vraag 13
Welke analyse heeft u gemaakt van de precedentwerking als moties door het parlement kunnen worden genegeerd, en hoe waarborgt u dat dit niet leidt tot uitholling van de rechtsstaat?
Antwoord
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 is het kabinet van oordeel dat er goede redenen zijn om geen uitvoering te geven aan deze aangenomen motie.
Vraag 14
Welke mechanismen ziet u voor zich om alsnog uitvoering te geven aan de motie, en welke belemmeringen die door het kabinet worden genoemd kunnen rechtsstatelijk getoetst worden?
Antwoord
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 7 is het kabinet van oordeel dat er goede redenen zijn om geen uitvoering te geven aan deze aangenomen motie.
Samenstelling:
Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
NRC, «Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen, ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban», 27 oktober 2025, https://www.nrc.nl/nieuws/2025/10/27/het-kabinet-wil-twee-afghaanse-vrouwen-terugsturen-ondanks-vrouwonvriendelijk-bewind-van-de-taliban-a4910897?t=1764597680.
Samenstelling:
Aerdts (D66), Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Van Gasteren (BBB), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
NRC, «Het kabinet wil twee Afghaanse vrouwen terugsturen, ondanks vrouwonvriendelijk bewind van de Taliban», 27 oktober 2025, https://www.nrc.nl/nieuws/2025/10/27/het-kabinet-wil-twee-afghaanse-vrouwen-terugsturen-ondanks-vrouwonvriendelijk-bewind-van-de-taliban-a4910897?t=1764597680.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36600-AJ.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.