36 592 Defensienota 2024 – Sterk, slim en samen

C VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 3 april 2026

De vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Defensie over Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 4 maart 2026.

  • De antwoordbrief van 1 april 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Staatssecretaris van Defensie

Den Haag, 4 maart 2026

De leden van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van het afschrift2 van 29 januari 2026 van de Staatssecretaris van Defensie van de brief aan de Tweede Kamer waarin het Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) is aangeboden. De leden van de fracties van D66, PvdD en Fractie-Visseren-Hamakers hebben naar aanleiding hiervan enkele vragen en opmerkingen. Het lid van de OPNL-fractie sluit zich aan bij de vragen van de leden van de D66-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat we moeten investeren in onze krijgsmacht om onze vrede, veiligheid, en manier van leven te beschermen. Daar is uiteraard ruimte voor nodig – fysieke ruimte, stikstofruimte, en milieuruimte – en die ruimte is schaars in Nederland. Zij hebben nog enkele vragen.

Meer dan de helft van uitbreiding buiten bestaande defensieterreinen gaat ten koste van de natuur.3 De leden van de fractie van D66 waarderen het dat Defensie een milieueffectrapportage (mer) heeft uitgevoerd en de aandachtspunten van de Commissie mer heeft verwerkt in het Definitief NPRD. In het NPRD is per aangewezen locatie voor een ruimtebehoefte aangegeven of deze ten koste gaat van natuur (of grond met andere bestemming), wat het effect op de natuur is en wat de omvang van dit effect zal zijn. De mitigerende en compenserende maatregelen worden echter uitgewerkt in de vervolgfase. Welke waarborgen zijn er dat het niet bij het constateren van effecten op de natuur blijft, maar dat negatieve effecten in de uitvoering van het NPDR daadwerkelijk beperkt en gecompenseerd worden? Worden de huidige wettelijke kaders voor natuurcompensatie bij verslechtering en/of vermindering van natuur vanwege ruimtegebruik voor militaire doeleinden nageleefd? Op welke manier gebeurt dit? Zijn er bijvoorbeeld geschikte ruimtelijke reserveringen gemaakt voor de natuurcompensatie?

In de paragraaf over stikstofruimte lezen deze leden het volgende: «Naast het bovenstaande probeert Defensie via de Wet op de defensiegereedheid en de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel mogelijkheden te vinden om de ambities van het NPRD te realiseren.»4 Welke mogelijkheden onderzoekt de regering? Deze leden hebben de zorg dat er naar mogelijkheden wordt gezorgd om de ruimtebehoefte van Defensie uit te zonderen van de natuurvergunningsplicht. Kunt u die zorg wegnemen en bevestigen dat ook de ruimte voor militaire doeleinden binnen de stikstofruimte moet en blijft vallen? Of positiever geformuleerd; hoe draagt Defensie bij aan een daling van de stikstofemissies? Het is vooral van belang dat door de uitbreidingen van Defensie de stikstofproblematiek niet wordt vergroot voor andere sectoren in de samenleving. Welke garanties zijn hiervoor, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie

1. Bent u het met de leden van de PvdD-fractie eens dat de realisatie van het Natuur Netwerk Nederland met het realiseren van de doelen van het NPRD (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een kazerne in Zeewolde) nog verder uit zicht verdwijnt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen of om de effecten te mitigeren?

2. Hoe verhouden de extra defensieactiviteiten, zoals uitbreiding van oefenterreinen en intensivering van vlieg- en transportbewegingen, zich tot de geldende stikstofreductiedoelen en de nationale klimaatdoelstellingen? Kunt u uitsluiten dat het NPRD leidt tot een toename van stikstofdepositie in reeds overbelaste natuurgebieden?

3. Welke onderzoeken zijn uitgevoerd naar de effecten van laagvlieggebieden en helikopteroefeningen op wilde dieren, waaronder broedvogels en zoogdieren? Bent u bereid om laagvliegactiviteiten in of nabij kwetsbare natuurgebieden uit te sluiten indien negatieve effecten niet overtuigend kunnen worden weerlegd?

4. Welke alternatieven zijn onderzocht om ruimtebeslag op natuur- en landbouwgrond te beperken, zoals intensiever gebruik van bestaande defensielocaties of internationale samenwerking in oefengebieden? Kan de Minister toelichten waarom deze alternatieven wel of niet zijn overgenomen in het definitieve NPRD?

5. Bent u bereid om het verkrijgen van een natuurvergunning voor militair gebruik van Lelystad Airport af te wachten voordat met voorbereidingen wordt gestart? Zo nee, waarom niet?

6. Kunt u toelichten in hoeverre het NPRD is gebaseerd op analyses van moderne oorlogsvoering, waarin onbemande systemen, drones en elektronische oorlogsvoering centraal staan? Welke strategische scenario’s lagen hieraan ten grondslag?

7. Hoe verhoudt de gekozen uitbreiding van fysieke oefenterreinen en kazernelocaties zich tot de verwachting dat bij «moderne» oorlogsvoering in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van kleinere, mobiele en onbemande systemen met een beperktere fysieke voetafdruk? Is onderzocht of dezelfde operationele doelen met minder ruimtelijke uitbreiding kunnen worden bereikt?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Visseren-Hamakers

Het lid van de Fractie Visseren-Hamakers leest het volgende in het NPRD: «Defensie ziet daarom verschillende kansen voor functiecombinaties. Deze kansen worden met name gezien op het gebied van cultureel erfgoed, natuur en biodiversiteit, rekening houden met water en bodem, en energie en duurzaamheid.»5

1. Hoe vindt de afweging plaats tussen defensiebelangen en andere belangen zoals natuur, biodiversiteit, waterkwaliteit, bodemkwaliteit, energie en duurzaamheid?

2. Is in de totstandkoming van het Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie ook rekening gehouden met dierenwelzijnsbelangen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

3. Wat is de het concrete verschil tussen defensie en niet-defensie? Veel voorzieningen in Nederland krijgen nu een dubbele functie (vliegvelden, wegen, etc.). Wat betekent dit concreet voor belangenafwegingen en participatieprocedures?

Verder leest het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers dat 50,9% van het ruimtebeslag van defensie gerealiseerd zal worden in natuurgebieden.6

4. Hoe is deze belangenafweging tot stand gekomen? Wat zijn de precieze gevolgen voor de natuur in deze regio’s? Is er een impactanalyse gedaan op de gevolgen voor bedreigde dier- en plantensoorten die in deze gebieden gevestigd zijn? Zo ja, dan ontvangt dit lid graag de resultaten. Zo nee, waarom niet?

5. Vallen hier ook recreatiegebieden onder? Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid en toegankelijkheid voor mensen die van deze recreatiegebieden gebruik maken?

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers leest vervolgens dat «de realisatie van enkele behoeften op de voorkeurslocaties die in dit programma zijn aangewezen, bereikbaarheidseffecten hebben. Dit kan leiden tot de vraag om bestaande (spoor)weginfrastructuur aan te passen.»7

6. Kunt u aangeven welke aanpassingen concreet gedaan zullen worden in de (spoor)weginfrastructuur?

7. Hoeveel extra stikstof zal in Nederland worden uitgestoten door de toegenomen activiteiten van defensie? Welke impact hebben deze activiteiten op de doelstellingen van de kaderrichtlijn water? Hoeveel extra fijnstof zal in Nederland worden uitgestoten door toegenomen activiteiten van defensie?

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers leest dat Defensie streeft naar energieonafhankelijkheid bij zowel inzet als bedrijfsvoering.8

8. Hoeveel energie is in totaal nodig voor de activiteiten van Defensie? Van welke energiebronnen gaat defensie concreet gebruikmaken? Wat voor invloed heeft dit op de energievoorziening voor de rest van Nederland? Dit lid leest ook dat Defensie wil streven naar voldoende duurzame energie op nieuwe locaties.9 Betekent dit dat Defensie zelf energiebronnen gaat aanleggen? Zo ja, welke duurzame energiebronnen worden aangelegd?

Ten slotte leest het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers dat Lelystad Airport uitgebreid zal worden voor een derde jachtvliegtuiglocatie, waardoor een fysieke uitbreiding van de luchthaven plaats zal vinden inclusief een verlenging van de start- en landingsbaan.10

9. Waarom heeft de regering de keuze gemaakt om een Lelystad airport uit te breiden in het licht van de negatieve gevolgen voor het klimaat, stikstofuitstoot en de gezondheid van omwonenden? Erkent u dat de uitbreiding van Lelystad Airport onverenigbaar zijn met klimaatdoelen die Nederland dient te behalen? Dit lid verzoekt u om een reflectie hierop. Heeft Lelystad Airport de benodigde milieu en natuurvergunningen voor de opening en uitbreiding?

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Koen Petersen

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 1 april 2026

Op 4 maart jl. hebben de fracties D66, PvdD en Fractie-Visseren-Hamakers van de commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking van uw Kamer, vragen gesteld over het Definitief Programma Ruimte voor Defensie dat 19 december 2025 door de ministerraad is vastgesteld (36 592, nr. 55).

Hierbij ontvangt u de antwoorden op de gestelde vragen en opmerkingen.

De Staatssecretaris van Defensie, D.G. Boswijk

D66

1. Meer dan de helft van uitbreiding buiten bestaande defensieterreinen gaat ten koste van de natuur. De leden van de fractie van D66 waarderen het dat Defensie een milieueffectrapportage (mer) heeft uitgevoerd en de aandachtspunten van de Commissie mer heeft verwerkt in het Definitief NPRD. In het NPRD is per aangewezen locatie voor een ruimtebehoefte aangegeven of deze ten koste gaat van natuur (of grond met andere bestemming), wat het effect op de natuur is en wat de omvang van dit effect zal zijn. De mitigerende en compenserende maatregelen worden echter uitgewerkt in de vervolgfase. Welke waarborgen zijn er dat het niet bij het constateren van effecten op de natuur blijft, maar dat negatieve effecten in de uitvoering van het NPDR daadwerkelijk beperkt en gecompenseerd worden?

Dat ruimte binnen of nabij natuurgebieden wordt benut door Defensie, betekent niet automatisch dat dit ten koste gaat van de natuur. In het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) zijn inderdaad met een plan-milieueffectrapportage (plan-MER) de mogelijke effecten op natuur en andere omgevingswaarden per locatie op hoofdlijnen in beeld gebracht. Deze plan-MER laat zien dat combinaties van defensieactiviteiten en natuurbeheer in meerdere gevallen juist kansrijk zijn. De hoge natuurwaarden op bestaande defensieterreinen illustreren dat militair gebruik – dankzij rust, beperktere toegankelijkheid en continuïteit – natuurwaarden kan ondersteunen. In de vervolgfase worden concrete projecten met ruimtelijke besluiten voorbereid. Deze projecten en besluiten moeten passen binnen de bestaande wet- en regelgeving, waaronder die voor natuurbescherming.

Voor elk project wordt, waar nodig, een nadere beoordeling uitgevoerd naar de effecten op de natuur. Projecten en activiteiten kunnen alleen doorgaan als significante effecten worden voorkomen, gemitigeerd of gecompenseerd volgens de wettelijke voorwaarden. Daarnaast wordt bij de verdere uitwerking van de projecten en activiteiten rekening gehouden met het natuurbeleid van Defensie, waarin duurzaam terreinbeheer, het beschermen van natuurwaarden en – waar mogelijk – het versterken van biodiversiteit centraal staan. Bij voorkeur wordt gezocht naar combinaties van defensiegebruik en natuurbeheer, maar het betreft ook natuurontwikkeling of het realiseren van nieuwe natuur als compensatie.

2. Worden de huidige wettelijke kaders voor natuurcompensatie bij verslechtering en/of vermindering van natuur vanwege ruimtegebruik voor militaire doeleinden nageleefd?

Defensieactiviteiten moeten voldoen aan de geldende wettelijke kaders voor natuur. Dit betekent dat bij de realisatie van projecten uit het NPRD de regels voor mitigatie en compensatie moeten worden nageleefd.

3. Op welke manier gebeurt dit? Zijn er bijvoorbeeld geschikte ruimtelijke reserveringen gemaakt voor de natuurcompensatie?

De omvang van een eventuele natuurcompensatieopgave wordt pas bekend nadat hiervoor per locatie een nadere beoordeling naar de effecten op de natuur is uitgevoerd. Wat betreft ruimtelijke reserveringen geldt dat in het NPRD op programmaniveau geen generieke compensatielocaties zijn aangewezen, omdat de aard, omvang en locatie van compensatie afhankelijk zijn van de specifieke effecten van een project. Per project en in overleg met de betrokken bevoegde gezagen – zoals provincies en terreinbeherende organisaties – bepaal Defensie waar en op welke wijze natuurcompensatie het meest effectief kan worden gerealiseerd.

4. In de paragraaf over stikstofruimte lezen deze leden het volgende: «Naast het bovenstaande probeert Defensie via de Wet op de defensiegereedheid en de Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel mogelijkheden te vinden om de ambities van het NPRD te realiseren.» Welke mogelijkheden onderzoekt de regering?

De huidige stikstofproblematiek heeft impact op verschillende sectoren, zoals de bouw, economie en landbouw. Ook bij de realisatie van de ambities van het NPRD is stikstof een aandachtspunt. Door generieke stikstofreductie, een gebiedsgerichte aanpak rond Natura 2000 en natuurherstel werkt het kabinet aan een vergunningensysteem met ruimte voor nieuwe ontwikkelingen, zoals die voor Defensie, en voor het herstel van kwetsbare natuur.

5. Deze leden hebben de zorg dat er naar mogelijkheden wordt gezorgd om de ruimtebehoefte van Defensie uit te zonderen van de natuurvergunningsplicht. Kunt u die zorg wegnemen en bevestigen dat ook de ruimte voor militaire doeleinden binnen de stikstofruimte moet en blijft vallen? Of positiever geformuleerd; hoe draagt Defensie bij aan een daling van de stikstofemissies?

Defensieactiviteiten moeten voldoen aan de geldende wettelijke kaders voor natuur. Dit betekent dat bij de realisatie van projecten uit het NPRD de regels voor stikstof moeten worden nageleefd. De bijdrage van Defensie aan de totale stikstof achtergronddepositie in Nederland is zeer beperkt.11 Door het verduurzamen van verouderd vastgoed en het verminderen van energiegebruik neemt de emissie vanuit gebouw gebonden activiteiten af. Ook worden natuurherstelmaatregelen genomen, en wordt, waar dit mogelijk is, ingezet op natuurvriendelijker beheer en versterking van natuurwaarden op defensieterreinen.

6. Het is vooral van belang dat door de uitbreidingen van Defensie de stikstofproblematiek niet wordt vergroot voor andere sectoren in de samenleving. Welke garanties zijn hiervoor, zo vragen de leden van de D66-fractie.

Alle projecten die voortkomen uit het NPRD moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving. Dat betekent dat Defensie alleen activiteiten kan uitvoeren die passen binnen de beschikbare stikstofruimte en waarvoor – waar nodig – een natuurvergunning wordt aangevraagd en verkregen. Zoals gezegd, is de bijdrage van Defensie aan de totale stikstof achtergronddepositie in Nederland beperkt, maar dit neemt niet weg dat uitbreiding van Defensie (lokaal) voor druk op de vergunningverlening kan zorgen.

PvdD

7. Bent u het met de leden van de PvdD-fractie eens dat de realisatie van het Natuur Netwerk Nederland met het realiseren van de doelen van het NPRD (zoals bijvoorbeeld het plaatsen van een kazerne in Zeewolde) nog verder uit zicht verdwijnt? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen of om de effecten te mitigeren?

Nee, Defensie deelt de opvatting dat de realisatie van het Natuur Netwerk Nederland (NNN) door het NPRD verder uit zicht raakt niet. Bij het opstellen van het NPRD is nadrukkelijk gekeken naar een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, waarbij natuurdoelen, waaronder het NNN, expliciet zijn meegewogen. De plan-MER heeft daarbij de mogelijke effecten op natuur en biodiversiteit systematisch in beeld gebracht, inclusief effecten op beschermde gebieden en opgaven voor natuurversterking. Dit betekent niet dat deze natuur door de realisatie automatisch verloren gaat; in de ontwerpfase wordt juist zoveel mogelijk aangesloten bij bestaande natuurwaarden. Ook leveren defensieterreinen regelmatig een waardevolle bijdrage aan natuurwaarden, onder meer door het extensieve gebruik en het zorgvuldige beheer. In het natuurbeleid van Defensie is vastgelegd dat natuurwaarden worden beschermd en waar mogelijk versterkt.

Zoals gezegd, moet Defensie in de uitwerking van projecten voldoen aan de geldende natuurwetgeving. Voor concrete projecten worden nadere beoordelingen uitgevoerd en worden, wanneer dat noodzakelijk is, mitigerende of compenserende maatregelen getroffen. Hiermee wordt geborgd dat negatieve effecten op de natuur en op onderdelen van het NNN zoveel mogelijk worden voorkomen of beperkt. Ook wordt in samenwerking met provincies en natuurbeheerders gezocht naar koppelkansen tussen defensieopgaven en natuurversterking, waaronder de realisatie van het NNN.

8. Hoe verhouden de extra defensieactiviteiten, zoals uitbreiding van oefenterreinen en intensivering van vlieg- en transportbewegingen, zich tot de geldende stikstofreductiedoelen en de nationale klimaatdoelstellingen? Kunt u uitsluiten dat het NPRD leidt tot een toename van stikstofdepositie in reeds overbelaste natuurgebieden?

Defensie voert de uitbreidingen en intensiveringen van het NPRD uit binnen de geldende kaders voor stikstofreductie en nationale klimaatdoelen; er geldt geen uitzonderingspositie. Voor de NPRD projecten worden de benodigde natuurtoetsen en, waar wettelijk vereist, passende beoordelingen uitgevoerd. Op basis van de plan-MER en aanvullende onderzoeken kunnen activiteiten alleen doorgaan wanneer Defensie voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.

Het is niet op voorhand uit te sluiten dat de stikstofdepositie lokaal toeneemt. Het wettelijke beoordelingskader voorkomt echter dat projecten significante negatieve effecten veroorzaken in reeds overbelaste Natura 2000-gebieden. Wanneer zulke effecten dreigen moeten mitigerende maatregelen worden getroffen, of kan een project alleen doorgaan via de ADC-systematiek met volledige compensatie.

9. Welke onderzoeken zijn uitgevoerd naar de effecten van laagvlieggebieden en helikopteroefeningen op wilde dieren, waaronder broedvogels en zoogdieren? Bent u bereid om laagvliegactiviteiten in of nabij kwetsbare natuurgebieden uit te sluiten indien negatieve effecten niet overtuigend kunnen worden weerlegd?

In de plan-MER voor het NPRD zijn de mogelijke effecten van laagvliegactiviteiten en helikopteroefeningen op fauna en natuurwaarden in kaart gebracht, inclusief de analyse van Natura 2000-waarden, trekroutes, weidevogelgebieden en andere gevoelige soorten. De belangrijkste verstoringsbronnen zijn piekgeluid en de visuele aanwezigheid van luchtvaartuigen. Dit inzicht op programmaniveau wordt in de vervolgfase per locatie verdiept met ecologisch onderzoek.

Zoals gezegd, Defensie moet voldoen aan de geldende natuurwetgeving. Voor projecten en activiteiten worden de wettelijk vereiste natuurtoetsen uitgevoerd en waar nodig passende beoordelingen opgesteld. Mitigerende en, indien vereist, compenserende maatregelen worden via de benodigde besluiten en vergunningen juridisch geborgd en afdwingbaar gemaakt. Activiteiten in of nabij kwetsbare natuurgebieden kunnen alleen doorgaan wanneer significante negatieve effecten op beschermde natuurwaarden worden uitgesloten of afdoende gemitigeerd. Indien negatieve effecten niet overtuigend kunnen worden weerlegd, krijgen deze activiteiten geen toestemming; slechts bij het ontbreken van alternatieven en een dwingende reden van groot openbaar belang is besluitvorming via de ADC-systematiek, met volledige compensatie, mogelijk.

10. Welke alternatieven zijn onderzocht om ruimtebeslag op natuur- en landbouwgrond te beperken, zoals intensiever gebruik van bestaande defensielocaties of internationale samenwerking in oefengebieden? Kan de Minister toelichten waarom deze alternatieven wel of niet zijn overgenomen in het definitieve NPRD?

Defensie benut de beschikbare ruimte op eigen terreinen maximaal voor de activiteiten van de krijgsmacht. Daarbij moet worden gedacht aan intensiever gebruik en herindeling van bestaande defensielocaties, meervoudig ruimtegebruik waar dat verenigbaar is met veiligheid en natuur, de inzet van simulatie als aanvulling op of vervanging van bestaande trainingsmogelijkheden en internationale samenwerking voor oefeningen. Deze opties worden waar mogelijk al ruimschoots toegepast. Desondanks zijn deze opties niet toereikend om de noodzakelijke activiteiten voor de groei van Defensie binnen de bestaande ruimte op te vangen. Defensie is verantwoordelijk voor de verdediging van de belangen van het Koninkrijk middels de algemene verdedigingstaak.12 Om deze taak blijvend te kunnen uitvoeren, mede in het licht van de alsmaar toenemende geopolitieke dreigingen, strengere NAVO-verplichtingen is ook aanvullende ruimte daarvoor binnen Nederland noodzakelijk.13

Daarom is bij de start van het NPRD, met als uitgangspunt de toenmalige financiële NAVO-doelstelling van 2% van het bbp, op een transparante en navolgbare manier gezocht naar aanvullende ruimte die nodig is om de extra benodigde activiteiten inpasbaar te maken. Dit heeft plaatsgevonden in samenwerking met andere departementen, waarbij o.a. rekening is gehouden met andere belangrijke rijksopgaven, en in afstemming met de betreffende provincies en gemeenten. Naast de effecten op natuur en landbouw is daarbij ook gekeken naar de mogelijke gevolgen voor industrie en gebieden met woonfuncties. Het moeten amoveren van woningen woog daarbij zwaar negatief. Uiteindelijk heeft het kabinet de afweging gemaakt voor de uitbreiding zoals die is genomen in het NPRD, gelet op zowel de schaars beschikbare ruimte in Nederland als de impact van defensieactiviteiten op de leefomgeving.

11. Bent u bereid om het verkrijgen van een natuurvergunning voor militair gebruik van Lelystad Airport af te wachten voordat met voorbereidingen wordt gestart? Zo nee, waarom niet?

De ingebruikname van Lelystad Airport zal conform wet- en regelgeving lopen. De groei van de krijgsmacht is echter een urgente opgave. In het kader van de efficiëntie zullen daarom meerdere trajecten zoveel als mogelijk parallel worden doorlopen. Het verkrijgen van de natuurvergunning is één van deze trajecten. Voor de volledige ingebruikname van Lelystad Airport voor militair gebruik is een tijdspad voorzien van circa 10 jaar, inclusief het luchthavenbesluit, de uitbreiding van de luchthaven, infrastructurele aanpassingen en een geldige natuurvergunning.

12. Kunt u toelichten in hoeverre het NPRD is gebaseerd op analyses van moderne oorlogsvoering, waarin onbemande systemen, drones en elektronische oorlogsvoering centraal staan? Welke strategische scenario’s lagen hieraan ten grondslag?

Het NPRD is gebaseerd op de actuele veiligheidsanalyse van het kabinet en de krijgsmacht, waarin nadrukkelijk rekening is gehouden met moderne oorlogsvoering. Daarbij gaat het onder meer om de toenemende inzet van onbemenste systemen, drones, digitale en elektronische oorlogsvoering, hybride dreigingen en de behoefte aan snelle verplaatsing en logistieke ondersteuning. Ook zijn de operationele analyses van de krijgsmachtdelen en relevante NAVO-scenario’s meegenomen.

Deze scenario’s veronderstellen een grootschalig conflict in het hogere geweldsspectrum, waarbij Nederland en bondgenoten snel moeten kunnen opschalen, geïntegreerde operaties moeten kunnen uitvoeren en bondgenootschappelijke versterkingen moeten kunnen ontvangen. Het NPRD vertaalt deze inzichten naar ruimtelijke randvoorwaarden, zoals extra oefenruimte, testlocaties voor nieuwe technologieën, en voldoende logistieke en ondersteunende capaciteit.

Het NPRD is daarmee een ruimtelijk programma dat de voorwaarden schept voor de verdere ontwikkeling en gereedstelling van de krijgsmacht. De operationele uitwerking van moderne oorlogsvoering, zoals de inzet van drones en elektronische capaciteiten, vindt binnen de krijgsmacht plaats via doctrine, capaciteitsontwikkeling en oefenprogramma’s.

13. Hoe verhoudt de gekozen uitbreiding van fysieke oefenterreinen en kazernelocaties zich tot de verwachting dat bij «moderne» oorlogsvoering in toenemende mate gebruik wordt gemaakt van kleinere, mobiele en onbemande systemen met een beperktere fysieke voetafdruk? Is onderzocht of dezelfde operationele doelen met minder ruimtelijke uitbreiding kunnen worden bereikt?

Zoals gezegd, in de analyse voor het NPRD is nadrukkelijk gekeken naar ontwikkelingen in moderne oorlogsvoering, waaronder de toenemende inzet van kleinere, mobiele en onbemande systemen. Deze systemen kunnen lokaal een kleinere voetafdruk hebben, maar verminderen de totale ruimtevraag van de krijgsmacht niet. Voor realistische gereedstelling blijft een combinatie van capaciteiten nodig, waaronder bemande eenheden, logistieke ondersteuning, onderhoud, commandovoering en het gezamenlijk oefenen van grotere eenheden in een realistische en aaneengesloten omgeving.

Daarom is eerst onderzocht of de benodigde activiteiten binnen de bestaande defensielocaties konden worden opgevangen, onder meer via intensiever gebruik, herindeling, meervoudig ruimtegebruik en samenwerking met civiele en internationale partners. Ook wordt steeds meer gebruikgemaakt van simulatie en digitale trainingsomgevingen. Deze middelen ondersteunen de voorbereiding, maar kunnen fysieke training en geïntegreerde operaties niet volledig vervangen.

Omdat deze alternatieven niet toereikend bleken om de volledige operationele behoefte te dekken, blijft aanvullende fysieke ruimte nodig voor oefenen, stationering en ondersteuning van moderne capaciteiten. Het NPRD zorgt er voor dat Defensie de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk inzet en de ruimtelijke impact waar mogelijk beperkt.

Visseren-Hamakers

14. Hoe vindt de afweging plaats tussen defensiebelangen en andere belangen zoals natuur, biodiversiteit, waterkwaliteit, bodemkwaliteit, energie en duurzaamheid?

De afweging tussen defensiebelangen en andere maatschappelijke belangen, zoals natuur, biodiversiteit, water- en bodemkwaliteit, energie en duurzaamheid, vormt een centraal uitgangspunt bij het NPRD. De ruimtebehoeften van Defensie zijn integraal beoordeeld in samenhang met andere nationale en regionale opgaven. Dit is gebeurd in nauwe samenwerking en afstemming met andere departementen, provincies, gemeenten en maatschappelijke organisaties, zodat alle relevante belangen vroegtijdig en evenwichtig zijn meegewogen.

Als onderdeel van het NPRD is een plan-MER opgesteld waarin de mogelijke effecten van verschillende ruimtelijke keuzes op onder meer natuur, biodiversiteit, water, bodem, landschap en leefomgeving systematisch zijn onderzocht. De resultaten van deze analyse zijn betrokken bij de selectie van voorkeurslocaties en de ruimtelijke inpassing van activiteiten.

15. Is in de totstandkoming van het Definitief Nationaal Programma Ruimte voor Defensie ook rekening gehouden met dierenwelzijnsbelangen? Zo ja, op welke manier? Zo nee, waarom niet?

Ja, in de totstandkoming van het Definitief NPRD is rekening gehouden met dierenwelzijnsbelangen. De mogelijke effecten op dieren vormen een integraal onderdeel van de plan-MER, waarin zowel de effecten op wilde fauna en natuurwaarden als op graasdieren en hokdieren systematisch zijn onderzocht. Deze inzichten zijn betrokken in de afweging en de selectie van locaties binnen het NPRD.

In de verdere uitwerking van projecten blijft dierenwelzijn een aandachtspunt waarbij het per activiteit zal verschillen welke maatregelen mogelijk zijn om verstoring te voorkomen of te beperken, bijvoorbeeld via het uitsluiten van specifieke gebieden of de timing van activiteiten. Ook wordt, waar relevant, ingezet op gerichte communicatie met omgevingspartijen zoals paardenhouders om ongewenste effecten te minimaliseren.

Defensie onderkent echter dat, gezien de aard van sommige defensieactiviteiten, effecten op dieren niet in alle gevallen volledig en op voorhand kunnen worden uitgesloten.

16. Wat is de het concrete verschil tussen defensie en niet-defensie? Veel voorzieningen in Nederland krijgen nu een dubbele functie (vliegvelden, wegen, etc.). Wat betekent dit concreet voor belangenafwegingen en participatieprocedures?

In het NPRD wordt onderscheid gemaakt tussen primaire defensievoorzieningen, zoals kazernes, munitieopslag, oefen- en testfaciliteiten, en voorzieningen met een civiel-militaire dubbele functie, bijv. delen van luchthavens, transportcorridors en havens. Primaire defensievoorzieningen worden ingericht vanuit operationele en veiligheidsvereisten, met specifieke randvoorwaarden voor veiligheid, toegang en beschikbaarheid. Dubbele functies passen bij efficiënt ruimtegebruik en maximale benutting van bestaande infrastructuur.

De belangenafweging bij dubbele functies vindt integraal plaats binnen de geldende ruimtelijke en sectorale kaders. Civiele belangen zoals mobiliteit, leefomgeving, natuur, economie, energie, water/bodem en defensiebelangen worden in samenhang betrokken, met het uitgangspunt dat militaire inzetbaarheid en veiligheid zijn geborgd en de inpassing in de omgeving zorgvuldig gebeurt. Waar nodig worden mitigerende en, indien wettelijk vereist, compenserende maatregelen getroffen en juridisch geborgd.

Voor participatie gelden de reguliere inspraak- en participatieprocedures; bij civiel-militaire projecten wordt aangesloten bij de procedures van de betreffende infrastructuur of het ruimtelijke besluit. Betrokkenen kunnen zienswijzen indienen. Indien bepaalde operationele of veiligheidsgevoelige informatie niet volledig openbaar kan worden gemaakt, wordt binnen de wettelijke kaders een zorgvuldige balans gezocht tussen transparantie en veiligheid.

17. Verder leest het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers dat 50,9% van het ruimtebeslag van Defensie gerealiseerd zal worden in natuurgebieden. Hoe is deze belangenafweging tot stand gekomen? Wat zijn de precieze gevolgen voor de natuur in deze regio’s? Is er een impactanalyse gedaan op de gevolgen voor bedreigde dier- en plantensoorten die in deze gebieden gevestigd zijn? Zo ja, dan ontvangt dit lid graag de resultaten. Zo nee, waarom niet?

In de plan-MER voor het NPRD zijn de effecten van de defensieruimtevraag integraal onderzocht, zowel op gebiedsniveau, zoals stikstof, geluid/verstoring en ruimtebeslag als op het niveau van soorten en habitattypen. Daarbij is inzichtelijk gemaakt welk deel van het ruimtebeslag binnen of grenzend aan natuurgebieden ligt. De plan-MER vormt ook de basis voor de trechtering binnen het NPRD: alternatieven met onaanvaardbare effecten op kwetsbare natuur zijn in de eerste afwegingsronde afgevallen.

Dat ruimte binnen of nabij natuurgebieden wordt benut, betekent niet automatisch verlies van natuurwaarden. Bij de ruimtelijke inpassing wordt waar mogelijk aangesloten op bestaande natuur. De plan-MER laat zien dat combinaties van defensieactiviteiten en natuurbeheer in meerdere gevallen juist kansrijk zijn. De hoge natuurwaarden op bestaande defensieterreinen illustreren dat militair gebruik, dankzij rust, beperktere toegankelijkheid en continuïteit, natuurwaarden kan ondersteunen.14 De plan-MER bevat de impactanalyse die voor deze planfase is vereist; de detailuitwerking van gebiedsspecifieke effecten vindt plaats in de vervolgfase.

Hierbij wordt nauw samengewerkt met terreinbeheerders, waaronder Staatsbosbeheer, onder andere via afspraken over gezamenlijk beheer en ontwikkeling van aangrenzende gebieden. Defensie past op ontwikkel- en uitbreidingslocaties het eigen natuurbeleid toe, gericht op behoud en waar mogelijk versterking van natuurwaarden.

18. Vallen hier ook recreatiegebieden onder? Wat zijn de gevolgen voor de veiligheid en toegankelijkheid voor mensen die van deze recreatiegebieden gebruik maken?

Recreatie is in de plan-MER beoordeeld en valt daarmee binnen de afweging van het NPRD. Uit de analyse blijkt dat recreatie in veel gevallen kan blijven plaatsvinden, ook nabij nieuwe activiteiten of uitbreidingslocaties.

Per gebied en per activiteit wordt vervolgens beoordeeld welke vormen van recreatie veilig en passend zijn binnen of grenzend aan militaire oefenterreinen. Daarbij kan worden gewerkt met zonering, tijdvensters of tijdelijke afsluitingen tijdens specifieke oefeningen. Veiligheid en toegankelijkheid voor recreanten zijn daarbij leidend.

19. Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers leest vervolgens dat «de realisatie van enkele behoeften op de voorkeurslocaties die in dit programma zijn aangewezen, bereikbaarheidseffecten hebben. Dit kan leiden tot de vraag om bestaande (spoor)weginfrastructuur aan te passen.» Kunt u aangeven welke aanpassingen concreet gedaan zullen worden in de(spoor)weginfrastructuur?

Nee, dat gaat nog niet. In het NPRD is vastgesteld dat de realisatie van enkele defensiebehoeften gevolgen kan hebben voor de bereikbaarheid van bepaalde locaties. Het programma bevat echter nog geen uitputtende lijst van concrete aanpassingen aan weg- of spoorinfrastructuur. De reden hiervan is dat dergelijke aanpassingen in de volgende plan- en realisatiefase per locatie worden uitgewerkt, op basis van nader onderzoek en in samenwerking met de verantwoordelijke infrastructuurbeheerders en betrokken overheden.

Het NPRD geeft wel richting voor de benodigde aanpassingen. Die kunnen bestaan uit verbeteringen van spoorontsluitingen voor het vervoer van militair materieel, aanpassingen aan de bereikbaarheid van kazernes, logistieke locaties of oefenterreinen via het wegennet, en optimalisatie van logistieke corridors tussen havens, oefenterreinen en kazernes. Een concreet voorbeeld dat in het NPRD is opgenomen, is de uitbreiding van het spoor­raccordement bij ’t Harde, zodat militair materieel efficiënter per spoor kan worden geladen en vervoerd.

De verdere concretisering, zoals of het gaat om een capaciteitsuitbreiding, een nieuwe ontsluiting, een aanpassing van een kruispunt of optimalisatie van bestaande routes, vindt plaats in de projectfase of het gebiedsproces dat daaraan voorafgaat. Dit gebeurt in overleg met onder meer het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, provincies, gemeenten, ProRail en Rijkswaterstaat.

20. Hoeveel extra stikstof zal in Nederland worden uitgestoten door de toegenomen activiteiten van defensie? Welke impact hebben deze activiteiten op de doelstellingen van de kaderrichtlijn water? Hoeveel extra fijnstof zal in Nederland worden uitgestoten door toegenomen activiteiten van defensie?

De bijdrage van Defensie aan de totale stikstof achtergronddepositie in Nederland is, zoals gezegd, beperkt. Dit neemt niet weg dat uitbreiding van Defensie lokaal voor druk op de vergunningverlening kan zorgen. Op programmaniveau bevat het NPRD geen exacte totale raming van extra stikstof- of fijnstofemissies. De plan-MER brengt wel in kaart waar mogelijke effecten kunnen optreden en welke maatregelen nodig zijn om de wettelijke normen te respecteren. Voor elk project wordt, waar nodig, een nadere beoordeling uitgevoerd naar de effecten op de natuur.

Voor waterkwaliteit is aangesloten bij de Kaderrichtlijn Water. In de plan-MER is beoordeeld waar effecten op oppervlakte- en grondwater kunnen optreden. In de vervolgfase worden deze effecten per locatie verder uitgewerkt en worden waar nodig maatregelen genomen, zoals waterbuffers, afkoppeling van verhard oppervlak of beheersmaatregelen bij transport en opslag, zodat de KRW-doelen worden geborgd.

Ook voor fijnstof geldt dat intensivering van activiteiten lokaal extra emissies kan geven, maar dat de totale toename niet op programmaniveau is te kwantificeren. Per project worden deze emissies beoordeeld en worden maatregelen getroffen. Zo wordt geborgd dat Defensieactiviteiten binnen de geldende luchtkwaliteits- en milieukaders blijven.

21. Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers leest dat Defensie streeft naar energieonafhankelijkheid bij zowel inzet als bedrijfsvoering. Hoeveel energie is in totaal nodig voor de activiteiten van Defensie? Van welke energiebronnen gaat Defensie concreet gebruikmaken? Wat voor invloed heeft dit op de energievoorziening voor de rest van Nederland? Dit lid leest ook dat Defensie wil streven naar voldoende duurzame energie op nieuwe locaties. Betekent dit dat Defensie zelf energiebronnen gaat aanleggen? Zo ja, welke duurzame energiebronnen worden aangelegd?

Het NPRD bevat geen totale raming van het energiegebruik van Defensie; dit is afhankelijk van het type activiteiten, inzetprofielen en technische keuzes.

Voor Defensie is energie mission critical: het tijdig, veilig en betrouwbaar kunnen beschikken over energie is essentieel voor zowel de operationele inzet als voor de bedrijfsvoering. Tegelijkertijd groeit Defensie en hindert de landelijke netcongestieproblematiek de groeiende energievraag: meer dan 80% van de nieuwe vastgoedbehoeftes ligt in een gebied met netcongestieproblemen. De landelijke en regionale energie-infrastructuur is bovendien kwetsbaar voor uitval door noodsituaties of hybride dreigingen. Zoals eerder is gedeeld in de Uitvoeringsagenda Energie en Duurzaamheid (UED)15, zet Defensie de komende jaren daarom in op energiezekerheid en -onafhankelijkheid.

In 2025 heeft Defensie circa 6.700 TeraJoule (TJ) aan energie verbruikt. Dit betreft zowel elektra, aardgas en warmte voor vastgoed als brandstoffen voor voer-, vaar- en vliegtuigen. Naast fossiele brandstoffen voor rijden, varen en vliegen maakt Defensie steeds meer gebruik van hernieuwbare brandstoffen. Zo wordt voor varen en rijden de fossiele brandstof bijgemengd met hernieuwbare brandstoffen. Zoals aangegeven in de UED) wordt vanaf dit jaar de kerosine voor vliegen bijgemengd met hernieuwbare brandstof. Het streven is 30% onafhankelijk te zijn van fossiele brandstoffen in 2030. Jaarlijks wordt in de Stand van Defensie de voortgang op deze doelstelling gerapporteerd.

Voor vastgoed gebruikt Defensie elektriciteit die 100% duurzaam op Nederlandse bodem is opgewekt, bijvoorbeeld met windmolens en zonnepanelen. Defensie werkt ook aan de diversificatie van energiebronnen voor de eigen opwekking van energie, bijvoorbeeld door deelname aan lokale initiatieven zoals geothermie, mest- en biomassavergisting en projecten als Zon-op-Dak of Opwek Energie Rijksgronden. Het percentage zelfstandig opgewekte energie wordt jaarlijks gerapporteerd in de Stand van Defensie.

De daadwerkelijke keuze over welke energiebronnen waar worden ingezet, is afhankelijk van de specifieke lokale energiebehoeftes en kan daarom per defensielocatie gaan verschillen.

22. Ten slotte leest het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers dat Lelystad Airport uitgebreid zal worden voor een derde jachtvliegtuiglocatie, waardoor een fysieke uitbreiding van de luchthaven plaats zal vinden inclusief een verlenging van de start- en landingsbaan. Waarom heeft de regering de keuze gemaakt om een Lelystad Airport uit te breiden in het licht van de negatieve gevolgen voor het klimaat, stikstofuitstoot en de gezondheid van omwonenden? Erkent u dat de uitbreiding van Lelystad Airport onverenigbaar zijn met klimaatdoelen die Nederland dient te behalen? Dit lid verzoekt u om een reflectie hierop. Heeft Lelystad Airport de benodigde milieu- en natuurvergunningen voor de opening en uitbreiding?

Defensie erkent de onverenigbaarheid niet. Lelystad Airport is als voorkeurslocatie aangewezen op basis van een integrale afweging van militaire noodzaak, ruimtelijke inpasbaarheid en milieueffecten. In de plan-MER zijn de effecten van verschillende alternatieven op onder meer geluid, stikstof, natuur, klimaatadaptatie en gezondheid systematisch vergeleken. Lelystad Airport kwam naar voren als de locatie met het meest evenwichtige totaalbeeld en de minste negatieve gevolgen binnen de gestelde operationele eisen.

De uitbreiding van Lelystad Airport is niet op voorhand onverenigbaar met de Nederlandse klimaatdoelen en deze klimaatdoelen zijn een rijksbrede opgave. In de vervolgfase worden de effecten per onderdeel verder uitgewerkt en worden, waar nodig, mitigerende of compenserende maatregelen getroffen en vastgelegd in de benodigde besluiten en vergunningen.

De huidige vergunningen van Lelystad Airport dekken de beoogde uitbreiding niet. Aanpassing van het luchthavenbesluit en aanvullende omgevings- en natuurvergunningen zijn daarom noodzakelijk. Deze procedures maken onderdeel uit van de verdere uitwerking van het NPRD.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2025–2026, 36 592, B.

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstukken I, 2025–2026, 36 592, B: Ministerie van Defensie, 19 december 2025, Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, p. 28.

X Noot
4

Ministerie van Defensie, 19 december 2025, Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, p. 98.

X Noot
5

Idem, p. 28.

X Noot
6

Ibidem.

X Noot
7

Ibidem.

X Noot
8

Idem, blz. 30.

X Noot
9

Ibidem.

X Noot
10

Idem, blz. 45.

X Noot
11

Kamerstuk II 2024–25, nr 2843

X Noot
12

Artikel 97 Grondwet

X Noot
13

Artikel 97 Grondwet.

X Noot
15

kamerstuk 36 592-52, oktober 2025.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Apeldoorn (SP), Van Ballekom (VVD), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), Goossen (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Huizinga-Heringa (CU) (ondervoorzitter), Karimi (GroenLinks-PvdA), Marquart Scholtz (BBB), Martens (GroenLinks-PvdA), Moonen (D66), Nicolaï (PvdD), Petersen (VVD) (voorzitter), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (fractie-Van de Sanden), Van Strien (PVV), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I, 2025–2026, 36 592, B.

X Noot
3

Bijlage bij Kamerstukken I, 2025–2026, 36 592, B: Ministerie van Defensie, 19 december 2025, Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, p. 28.

X Noot
4

Ministerie van Defensie, 19 december 2025, Nationaal Programma Ruimte voor Defensie, p. 98.

X Noot
5

Idem, p. 28.

X Noot
6

Ibidem.

X Noot
7

Ibidem.

X Noot
8

Idem, blz. 30.

X Noot
9

Ibidem.

X Noot
10

Idem, blz. 45.

X Noot
11

Kamerstuk II 2024–25, nr 2843

X Noot
12

Artikel 97 Grondwet

X Noot
13

Artikel 97 Grondwet.

X Noot
15

kamerstuk 36 592-52, oktober 2025.

Naar boven