36 582 Wijziging van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen in verband met het op onderdelen in balans brengen van deze wetten tussen bestaanszekerheid, re-integratie en handhaving (Participatiewet in balans)

L BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 mei 2026

Hierbij ontvangt u een afschrift van de brief die ik mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport op 7 mei jl. naar de Tweede Kamer heb gezonden over jongeren in een kwetsbare positie.

De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 19 mei 2026

Voor sommige jongeren is het moeilijk om de weg naar zelfstandigheid en volwassenheid te vinden. Zij hebben (een groter risico op) complexe, meervoudige problematiek op meerdere leefgebieden, zoals financiën, werk, school en/of zorg. Gemeenten werken hard om deze jongeren integraal te ondersteunen. Het kabinet, net als uw Kamer, vindt het belangrijk dat gemeenten binnen wettelijke kaders zo veel mogelijk ruimte hebben om deze ondersteuning zo effectief mogelijk te bieden.

Uw Kamer heeft tijdens de behandeling1 van de inmiddels deels in werking getreden Participatiewet in balans de motie van de leden Inge van Dijk (CDA) en Flach (SGP) over initiatieven ter ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie2 aangenomen. De motie verzoekt de regering om in spoor 2 van de Participatiewet in balans een voorstel uit te werken dat antwoord geeft op de ondersteuningsbehoefte van jongeren in een kwetsbare positie. En om bepaalde initiatieven in de tussentijd doorgang te laten vinden. In september 2025 is een soortgelijke motie aangenomen in de Eerste Kamer (Bakker-Klein, c.s.)3. Deze motie verzoekt buitenwettelijke initiatieven aan te merken als initiatieven die tot de inwerkingtreding van spoor 2 van de Participatiewet in balans doorgang mogen vinden.

Het vorige kabinet heeft op 8 mei 20254 uw Kamer geïnformeerd over de wijze waarop zij invulling heeft gegeven aan de motie Van Dijk en Flach. In deze brief is toegezegd dat uw Kamer begin dit jaar geïnformeerd wordt over de nadere analyse van de problematiek en de ondersteuningsbehoefte van jongeren in een kwetsbare positie. Met voorliggende brief wordt invulling gegeven aan deze toezegging.

De inhoud van deze brief volgt uit gesprekken die de afgelopen twee jaar zijn gevoerd met gemeenten, maatschappelijke initiatieven en jongeren, gecombineerd met de bevindingen uit rapporten en verschillende aanpakken die over jongeren in een kwetsbare positie zijn verschenen.

Zoals de Actieagenda Voorkomen van jongerendakloosheid (16–27 jaar), die de Ministeries van VWS, SZW en VRO in december 2024 met uw Kamer heeft gedeeld.5

Leeswijzer

Deze brief gaat eerst in op de groep jongeren in een kwetsbare positie en hun ondersteuningsbehoefte. Vervolgens hoe gemeenten jongeren op dit moment ondersteunen. Hierbij wordt ook een aantal (goede) voorbeelden uit de praktijk en een aantal bewezen effectieve elementen uitgelicht die in deze ondersteuning behulpzaam zijn. Ten slotte gaat de brief in op wat het kabinet nu al doet en nog gaat doen om de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie te verbeteren. Deze inzet is ook gericht op het wegnemen van knelpunten die gemeenten en initiatieven bij de ondersteuning van jongeren ervaren.

Jongeren in een kwetsbare positie

In de door SZW (Participatiewet) en VWS (Jeugdwet/Wmo2015) uitgevoerde analyse ligt de focus op de combinatie van inkomensondersteuning en begeleiding van jongeren in een kwetsbare positie. Veelal zijn dit jongeren in de leeftijdscategorie 16- tot 23-jarigen met een problematische gezins- of thuissituatie, jongeren die dak- en/of thuisloos zijn of dreigen dit te worden en een verleden in jeugdzorg hebben. Bij deze jongeren is vaak sprake van financiële stress en/of schulden, schooluitval, en/of problemen met het behoud van (duurzaam) werk. Deze jongeren kunnen vaak niet terugvallen op ouders die hen ondersteunen of missen een stabiel sociaal netwerk. Doordat zij een financieel vangnet missen, kunnen problemen verergeren. Dit maakt hen extra kwetsbaar.

Het bereiken van de leeftijd van 18 jaar is een belangrijke mijlpaal voor jongeren en ook een moment waarop zij extra ondersteuning nodig kunnen hebben. Het is de overgang van jeugd naar volwassenheid, waarbij veel van hen verwacht wordt en zij meer verantwoordelijkheden krijgen. Bijvoorbeeld het afsluiten van een zorgverzekering en het eventueel moeten aanvragen van studiefinanciering, huur- en zorgtoeslag. Ook gaat de overgang gepaard met veranderingen op intellectueel, fysiek en sociaal-emotioneel vlak. Voor jongeren die zijn aangewezen op jeugdzorg, geldt dat de jeugdzorg in principe stopt bij het bereiken van het 18de levensjaar.

Voor jongeren in een kwetsbare positie kan het moeilijk zijn over deze drempel naar volwassenheid te stappen en daarbij indien nodig om hulp te vragen of te aanvaarden. Jongeren weten ook niet altijd waar ze terecht kunnen voor informatie, advies en ondersteuning. En dan is het lastig om goede, passende hulp te vinden. Wat passend is, verschilt bovendien per jongere. Sommige jongeren hebben bijvoorbeeld door stress of onverwerkt trauma behoefte aan een periode van (financiële) rust en de mogelijkheid om zelf aan persoonlijke ontwikkeling te werken, zodat zij daarna de stap naar school en/of (duurzaam) werk kunnen maken. Voor sommige jongeren is daarvoor in hun jeugd tot dan nooit gelegenheid geweest.

De ondersteuningsbehoefte van jongeren

Een terugkerend kenmerk is dat veel jongeren aangeven baat te hebben bij persoonlijke begeleiding, gebaseerd op vertrouwen. Iemand die naar hen luistert en hen kan helpen met de verschillende problemen waar ze tegenaan lopen.

Eén persoon die met hen naar het totaalplaatje kijkt en met een integrale blik de ondersteuning biedt of organiseert. Naast (financiële) rust en een begeleider die ze vertrouwen en met ze in gesprek gaat over wat zij nodig hebben, geven jongeren aan dat een veilige en stabiele plek om te wonen ook een belangrijke randvoorwaarde is.

In de Hervormingsagenda Jeugd is afgesproken dat met de jongeren in jeugdzorginstellingen door middel van een toekomstplan tijdig wordt gesproken over hun toekomstperspectief na hun 18e jaar. Hierbij komt de zogenaamde «Big5 leefgebieden» (financiën, school of werk, (mentaal) welzijn en een ondersteunend netwerk) ook aan bod. Deze voorwaarden moet in het leven van een jongere op orde zijn voordat hulpverlening stopt omdat ze anders het risico lopen dakloos te worden of in schulden terecht te komen. VWS werkt samen met gemeenten, zorgaanbieders en andere betrokken partijen in het jeugddomein aan uitvoering van deze afspraak.

Een belangrijke stap hierbij is ook de ondertekening van het convenant Stevige lokale teams eind maart6. Lokale teams zijn een betrouwbare partner in wijk en dorp en zijn voor veel inwoners het eerste aanspreekpunt voor hulp en ondersteuning. De afspraken in het convenant moeten ervoor zorgen dat deze teams overal in Nederland zo zijn georganiseerd dat ze passen bij de lokale situatie en effectief kunnen samenwerken met partners in het sociaal domein. Zij verbinden jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen en andere voorzieningen. De komende periode worden ook aanvullende afspraken voorbereid met partijen over de ondersteuning van volwassenen en bestaanszekerheid. Hiermee worden stappen gezet naar een bredere kijk op inwoners (van 0–100 jaar) en daarmee ook bredere ondersteuning op werk en inkomen. Ook dit draagt bij aan de ondersteuning voor jongeren.

Integrale ondersteuning door gemeenten

Het helpen van jongeren die zich in een kwetsbare positie bevinden is een gedeelde verantwoordelijkheid van het Rijk en gemeenten. Het Rijk bepaalt de wettelijke kaders; het is aan de gemeenten om de daadwerkelijke ondersteuning te bieden. Er zijn verschillende manieren waarop een gemeente de jongeren integraal kan ondersteunen. In de praktijk zijn daar vele voorbeelden van.

Voorbeeld: opschalen aanpak Wonen Eerst voor Jongeren

In Nederland worden sociale huurwoningen normaliter toegewezen op basis van wachttijd. Jongeren kunnen hier niet van profiteren, omdat zij nog geen wachttijd opgebouwd hebben als zij een woning nodig hebben. Jongeren die geen vangnet meer hebben als zij 18 worden, lopen daarom het risico op dakloosheid. Woningcorporatie Portaal heeft zichzelf als doel gesteld om jongerendakloosheid op te lossen door jongeren volgens de principes van Wonen Eerst te huisvesten. Samen met TUIS, een initiatief van Housing First Nederland heeft Portaal een gewerkt aan een werkwijze waarbij meer woningen worden toegewezen aan jongeren in een kwetsbare positie. Daarnaast worden er afspraken gemaakt over een passend inkomen en begeleiding. In Nijmegen zijn hier het afgelopen jaar al stappen op gezet.

Het komende jaar krijgt deze aanpak verder vorm en wordt deze aanpak opgeschaald naar 10 regio’s. De Ministeries van SZW, BZK en VWS faciliteren deze opschaling en denken mee over het oplossen van landelijke en lokale knelpunten.

Succesvolle elementen van integrale ondersteuning

Onderdelen van een succesvolle integrale aanpak zijn onder andere:

  • «Outreachend» werken: het proactief opzoeken van jongeren op de plekken waar zij zijn, bijvoorbeeld op scholen en sportverenigingen. Deze vindplaatsen kunnen fungeren als brug tussen verschillende domeinen. Het benutten van informele netwerken en initiatieven in de buurt vergemakkelijkt ook de toegang tot hulp. Deze jongeren melden zich vaak niet zelf aan bij de gemeente.

  • Inzet van ervaringskennis: het inzetten van mensen die lijken op de doelgroep of ervaringsdeskundig zijn, verlaagt de drempel om hulp te vragen en vergroot het vertrouwen van de jongere. Het vertrouwen van de doelgroep in de overheid is over het algemeen laag en jongeren die eerder te maken hebben gehad met jeugdzorg zijn vaak «hulpverleningsmoe». Iemand die uit hun leefwereld komt kan helpen bij het opnieuw leggen van verbinding met de jongere.

  • Beschikbaar stellen van «doorbraakbudget»: budget voor kleine, praktische zaken kan al een groot verschil maken voor de jongeren. Dit soort potjes hoeven niet door de gemeente uitgegeven te worden, maar kunnen ook via subsidie of een inkooprelatie bij uitvoerende organisaties liggen die dichterbij de jongere staan.

  • Nazorg voor jongeren die uitstromen uit jeugdzorg: jongeren die uitstromen uit jeugdzorg geven aan vaak nog wel behoefte te hebben aan een bepaalde mate van nazorg. Ze willen laagdrempelig, bijvoorbeeld via een appje, terecht kunnen bij hun (voormalig) begeleider.

Voorbeeld: Schuldhulpverlening in eigen huis

Er is een gemeente die besloten heeft de schuldhulpverlening in eigen huis te organiseren. Ze steken vooral veel energie in het proactief bereiken van jongeren. Omdat jongeren zich niet altijd zelf melden, richt de gemeente zich vooral op de vindplaatsen van jongeren. Dit zijn de plekken de jongeren zijn, zoals op school, op de sportvereniging, het buurthuis of op het pleintje in de wijk. Als ze jongeren benaderen doen ze dat via jongerenwerkers die zo veel mogelijk op de jongeren zelf lijken. Het liefst ook met ervaringskennis of ervaringsdeskundigheid. Zij bereiken daardoor grotere aantallen jongeren dan gemiddeld. De gemeente werkt ook samen met partners, waar jongeren met geldzorgen worden gekoppeld aan een buddy van hun eigen generatie.

Inzet kabinet

Het kabinet zet, samen met de VNG en Divosa, in op het breed onder de aandacht brengen van bewezen effectieve praktijkvoorbeelden, zodat andere gemeenten daarvan kunnen leren. Zo stimuleert SZW de opschaling van het Jongeren Perspectief Fonds naar meer gemeenten en meer jongeren via een subsidie. Via subsidies aan Geldfit en de Alliantie Vrijwillige Schuldhulp wordt laagdrempelige hulp bij geldzorgen gestimuleerd en beter vindbaar gemaakt, onder meer voor jongeren.

Voorbeeld: Jongeren Perspectief Fonds (JPF)

Het JPF is ontstaan omdat zij zagen dat jongeren vaak niet goed in het reguliere schuldhulpverleningstraject passen. Ze hebben vaak geen (stabiel) inkomen, terwijl bij reguliere schuldhulp de focus ligt op het creëren van afloscapaciteit. Dat past niet bij elkaar. Soms is er wel een stabiel inkomen, maar zou een jongere liever teruggaan naar school voor een startkwalificatie of diploma. Ook is soms de woonsituatie instabiel, is sprake van (dreigende) dakloosheid of problemen met de mentale gezondheid.

Het JPF werkt nu met 50 gemeenten en helpt jaarlijks circa duizend jongeren van 18 tot en met 27 jaar met problematische schulden en een ondersteuningsbehoefte op minimaal één leefgebied. De jongere kan de schuld afbetalen in geld of natura, via een tegenprestatie. Bijvoorbeeld door te studeren, stage te lopen of te werken. De focus ligt op werken aan toekomstperspectief.

De jongere krijgt twee jaar integrale begeleiding van een vaste trajectbegeleider. Ze maken samen een plan dat past bij de ondersteuningsbehoefte van de jongere. Daarin gaan ze in op persoonlijke ontwikkeling, werk, scholing, huisvesting, gezondheid en financiële redzaamheid. Hierdoor is de kans op terugval in schulden veel kleiner en maken veel jongeren de stap van een uitkering naar werk.

Tijdens het begrotingsdebat van SZW7 heeft de Tweede Kamer via een amendement8 van lid Ergin (Denk) 2 miljoen euro voor 2026 vrijgemaakt voor ontwikkelingsgerichte interventies voor jongeren. Daarvan wil het kabinet 1,8 mln. inzetten voor kwetsbare jongeren op praktijkscholen.

Veel praktijkschoolleerlingen groeien op in armoede (circa 80%). De armoede heeft op diverse terreinen negatieve consequenties voor de ontwikkelingskansen van deze jongeren. Ze hebben geen gelijke kansen op stage en werk omdat zij vaak basisvoorzieningen missen zoals passende kleding, eten, vervoer of geld voor een kapper. Schaamte, een laag zelfbeeld en weinig zelfvertrouwen leiden tot uitval en een moeizame start op de arbeidsmarkt. Juist voor deze jongeren is het hebben van werk cruciaal om de cirkel van armoede te doorbreken. SZW, de Sectorraad Pro en het Jeugdeducatiefonds werken in het project van Pro naar Prof samen om te voorzien in de ondersteuningsbehoefte van deze leerlingen. De belangstelling onder alle pro scholen is groot. Nu doen ruim 23 van de 177 pro scholen mee. Met het extra geld kunnen fors meer scholen meedoen. Omdat jongeren niet gebaat zijn bij tijdelijke ondersteuning is het de bedoeling in de regio met relevante partijen, landelijk en regionaal organisaties bestuurlijke het gesprek te voeren over de randvoorwaarden voor een blijvende aanpak. Uw Kamer zal geïnformeerd worden over de uitkomsten van deze bestuurlijke gesprekken.

Stimuleren gedeeld eigenaarschap en procesregie 16–27

Zoals aangegeven, hebben jongeren in een kwetsbare positie vaak problemen op meerdere leefgebieden. Het is belangrijk dat er vanuit de gemeente een integrale en samenhangende aanpak is voor jongeren in een kwetsbare positie tussen de 16 en 27 jaar, waarbij aandacht is voor alle problemen van de jongere en de samenhang tussen die problemen. Dat geldt ook voor jongeren die op hun 18de verjaardag uitstromen uit jeugdzorg. Wanneer een gemeente immers niet integraal op alle leefgebieden meekijkt, is het risico dat problemen (zoals een instabiele woonsituatie, schulden en psychische problemen) verergeren en opstapelen. Dakloosheid kan één van de gevolgen zijn.

Om tot een integrale en samenhangende aanpak te komen, is het vaak nodig om organisatorisch gezien bureaucratische verkokering tegen te gaan. Ook is het van belang om de behoeften van de jongere leidend te laten zijn en bijvoorbeeld niet de financiële stromen. Alle stakeholders (waaronder diverse gemeentelijke beleidsmedewerkers en medewerkers in de uitvoering, maar ook de partners met wie zij samenwerken zoals zorgaanbieders, hulpverleners en woningcorporaties) dienen zich (mede)eigenaar te voelen. Gemeenten geven aan dat hun organisaties hier vaak (nog) niet op zijn ingericht en ervaren dit ook als knelpunt bij het leveren van maatwerk en integrale ondersteuning.

Het onlangs verschenen rapport «Gaan doen wat we al heel lang weten»9 dat door Berenschot in opdracht van de VNG is uitgevoerd, gaat in op het effectief verbinden van de domeinen jeugdzorg en bestaanszekerheid en de complexiteit van deze opgave. Het rapport bevestigt dat gemeenten sterk verschillen in hun uitgangspositie, beleidscontext en uitdagingen en biedt hiertoe ook verschillende handelingsperspectieven en praktijkvoorbeelden voor gemeenten.

Het kan helpen als gemeenten een medewerker aanwijzen die verantwoordelijk is voor beleid 16–27 en regie voert op alle gemeentelijke processen hieromtrent (zie het voorbeeld Tussen Wal en Schip in het kader hieronder), dan wel dat gemeenten een multidisciplinair team 16–27 inrichten om de jongere te helpen vanuit meerdere domeinen. Het Rijk roept gemeenten hier dan ook nadrukkelijk toe op.

Voorbeeld: casusoverleg Tussen Wal en Schip (TWES)

Een gemeente is vijf jaar geleden begonnen met een senior beleidsadviseur 18-/18+. Deze heeft drie opdrachtgevers, vanuit Jeugdzorg/welzijn/onderwijs, Wmo en indicering zorg. Deze persoon zorgt dat vraag en aanbod met betrekking tot de Big5 zijn afgestemd voor jongeren die uitstromen uit jeugdzorg of jongeren in een zeer kwetsbare positie. Het gaat over jongeren die (risico op) problemen hebben op meerdere leefgebieden en ondersteuning van meerdere domeinen nodig hebben.

Hiervoor gebruiken ze het casusoverleg TWES (met mandaat). Ze helpen deze jongeren op casusniveau en verzamelen tegelijk signalen met betrekking tot beleid. Deze worden dan ingebracht in de gemeente. Een concreet voorbeeld is dat verordeningen voor beschermd wonen tegen het licht worden gehouden, omdat ze te rigide zijn. Ook kunnen ze toegang tot beschermd wonen piloten zonder diagnostiek. Het TWES is een overlegstructuur met verschillende ketenpartners, ook op uitvoeringsniveau. Ze hebben een convenant met elkaar ten aanzien van samenwerking en privacy. Binnen de gemeente staat daar een stuurgroep tegenover op managementniveau, om ervoor te zorgen dat professionals maatwerk mogen en durven leveren. Jongeren sluiten zelf het eerste kwartier aan bij het casusoverleg. Het doel is om de behoefte van de jongere en het advies van de professionals zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen, met out of the box ideeën als dat nodig is.

Om gemeenten te ondersteunen bij het (door)ontwikkelen van procesregie 16–27, hebben het Ondersteuningsteam Zorg voor de Jeugd en het Platform Sociaal Domein – in opdracht van VWS – een aanpakbeschrijving van de landelijke Aanpak 16–27 ontwikkeld.10 Deze aanpak richt zich met name op jongeren die uitstromen uit jeugdzorg met verblijf, maar is ook breder toe te passen op alle jongeren in een kwetsbare positie. In aanvulling op deze aanpak wordt in het kader van de Aanpak Levensgebeurtenissen: «ik word 18», in opdracht van het Ministerie van BZK, onderzocht welke mogelijkheden er zijn voor gegevensdeling binnen gemeenten om dit proces verder te optimaliseren. De uitvoering hiervan ligt bij ICTU en zij kijken ook of een tool kan worden ontwikkeld om gemeenten hierbij te helpen.

Ook is het effectief om een jongerenregisseur in te zetten, die naast een jongere staat en als vast aanspreekpunt dient om een jongere gedurende langere tijd te ondersteunen. Door de inzet van een jongerenregisseur, hoeft een jongere niet steeds opnieuw zijn of haar verhaal te doen, wat veel van een jongere kan vragen.

Deze jongerenregisseur kan er, samen met een beleidsmedewerker of team 16–27, voor zorgen dat op alle levensgebieden de benodigde hulp wordt gecoördineerd. Uit de analyse blijkt dat verschillende gemeenten hier voor (dreigend) dakloze jongeren succesvol ervaring mee hebben opgedaan; deze ervaringen zijn opgetekend in de handreiking «geleerde lessen en randvoorwaarden jongerenregisseur» van de Preventie Alliantie.11

De nieuwe wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk

De wet- en regelgeving van school naar duurzaam werk is op 1 januari 2026 in werking getreden. Deze biedt een stevige basis voor het vroegtijdig en integraal ondersteunen van kwetsbare jongeren tot 27 jaar bij het afronden van een opleiding en het vinden van werk. De focus ligt op jongeren met een structurele achterstand op de arbeidsmarkt. Dit zijn jongeren zonder startkwalificatie12 uit het praktijkonderwijs (pro), voortgezet speciaal onderwijs (vso) of die voortijdig school hebben verlaten (vsv). Aangevuld met jongeren met een mbo-opleiding op niveau 2, bol. Uit cijfers en onderzoek blijkt dat juist bij deze jongeren meervoudige problematiek vaker voor komt.

Geregeld is dat scholen (vo, pro, vso, mbo), Doorstroompunten (vsv) en gemeenten (als uitvoerder Participatiewet) preventief (op school en bij de overgang naar werk) en tot de leeftijd van 27 jaar (als geen school, geen werk) domeinoverstijgend samenwerken vanuit één opgave: jongeren ondersteunen bij het afronden van een opleiding en het vinden van werk, zo mogelijk gecombineerd met scholing. In aanvulling op de eigen, aan elkaar gerelateerde wettelijke taken en de financiering daarvan, is geregeld dat scholen, Doorstroompunten en gemeenten een regionaal programma maken met samenwerkingsafspraken en met aanvullende maatregelen waarvoor ze het regionale budget kunnen inzetten. Dit om de onderlinge samenwerking te waarborgen en te versterken, om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk gebruik gemaakt wordt van bewezen effectieve interventies en om ruimte te bieden voor innovatie, juist voor de meest kwetsbare jongeren. In de regionale programma’s moeten ook specifieke samenwerkingsafspraken worden gemaakt over hoe jongeren met meervoudige problematiek op laagdrempelige en toegankelijke wijze worden ondersteund en hoe daarbij, ook bestuurlijk, het zorgdomein wordt betrokken. De eerste regionale programma’s gaan momenteel van start (na goedkeuring door de Ministeries van OCW en SZW) en lopen tot en met 2029. De regio’s geven hier in hun regionale programma’s op onderstaande wijze invulling aan.

Zo zetten veel regio’s hun regionale budget in ter versterking van de ondersteuningsstructuur in en om de school, bijvoorbeeld in de vorm van een gemeentelijk jongerenpunt of jongerenloket met een outreachende aanpak en samenwerking met lokale teams. Vrijwel overal wordt het regionale budget ingezet voor het combineren van onderwijs en werk als voorziening voor jongeren met multiproblematiek, met ondersteuning bij mentale of psychische problematiek, financiën of schulden. Veel regio’s maken afspraken over het hebben van één aanspreekpunt of een professional die voor de volledige hulpvraag «in de lead» is. Met vaak doorlopende ondersteuning bij overgangen, zoals van school naar werk, van 18- naar 18+ of van het vo naar het mbo.

Sommige regio’s voeren structurele multidisciplinaire overleggen om korte lijnen te creëren tussen de betrokken professionals, signalen vroeg te duiden, gezamenlijke keuzes te maken over het meest passende vervolg en om te voorkomen dat jongeren vastlopen tussen domeinen. In meerdere regio’s zijn aanvullende afspraken gemaakt over gezamenlijke inzet bij zware problematiek, zoals bij problematische schulden of onveilige thuissituaties of jongeren die wegens wachtlijsten lang moeten wachten op hulp vanuit de GGZ.

Verbetering dienstverlening aan jongeren na afwijzing Wajong

Uit de praktijk blijkt dat de groep jongeren die het UWV afwijst voor een Wajong-uitkering op dit moment weinig mogelijkheden krijgt om arbeidsvermogen te ontwikkelen. Het gaat hier om jongeren die op 18-jarige leeftijd (of tijdens de studie) geen arbeidsvermogen hebben, maar waarvan de duurzaamheid niet kan worden vastgesteld en die zijn aangewezen op inkomens- en arbeidsondersteuning door de gemeente. Een deel van deze groep meldt zich echter niet bij de gemeente en verdwijnt uit beeld.

Vanaf 2027 verbetert de dienstverlening door gemeenten aan jongeren die afgewezen zijn voor de Wajong. Deze maatregel is opgenomen in de Werkagenda VN-verdrag Handicap 2025 die in de zomer van 2025 is verzonden naar de Tweede Kamer. Het gaat jaarlijks om circa 1350 jongeren. Deze dienstverlening wordt vormgegeven door de centrumgemeente in de 35 arbeidsmarktregio’s. Voor de verbetering van de dienstverlening is in 2027 € 4,2 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten, oplopend tot een bedrag van € 29,3 miljoen structureel vanaf 2033.

Vanaf 2027 zal UWV deze jongeren na een Wajong-beoordeling «warm» overdragen aan gemeenten om aldaar ondersteuning te krijgen. Op basis van verschillende pilots met gemeenten is er bij UWV-ervaring opgedaan op basis waarvan een werkproces ontwikkeld wordt voor de overdracht. De gevraagde ondersteuning bij de gemeenten bestaat uit begeleiding op diverse levensgebieden met veel persoonlijke aandacht. En uit een veilige ontwikkelplek om uit te proberen of werk tot de mogelijkheden behoort en vaardigheden te ontwikkelen. Een handreiking wordt dit jaar nog gepubliceerd over hoe de dienstverlening vorm kan worden gegeven. Het ministerie zet samen met gemeenten een monitor op om de ondersteuning en de effecten daarvan te volgen.

Maatwerkruimte in de Participatiewet

De Participatiewet biedt veel mogelijkheden voor ondersteuning en ruimte voor maatwerk. Echter, deze ruimte wordt niet altijd (volledig) benut. Gemeenten en organisaties ervaren knelpunten om jongeren passend te ondersteunen.

In de uitvoering van de Participatiewet geven gemeenten en organisaties bijvoorbeeld aan dat de huidige regels rondom verrekening soms te complex en moeilijk te volgen zijn, wat de uitvoering voor professionals bemoeilijkt. Professionals geven aan behoefte hebben aan meer ruimte voor jongeren om bij te verdienen, omdat dit motiverend werkt en hen helpt werkervaring op te bouwen. Ook geven gemeenten aan dat het inkomen voor jongeren van 18–21 jaar nog vaak ontoereikend is om een zelfstandig bestaan op te bouwen. Daarnaast zijn er ook praktische en inhoudelijke belemmeringen die een integrale aanpak en continuïteit in de ondersteuning kunnen bemoeilijken. Zoals systemen die niet altijd naadloos op elkaar aansluiten of privacyregels die een belemmering voor gegevensdeling kunnen vormen.

Uit gesprekken met jongeren kwamen verschillende door hen ervaren knelpunten naar voren; in de ondersteuning of juist door gebrek aan stabiele, doorlopende ondersteuning. Tijdelijke initiatieven zijn daarmee niet altijd een passende oplossing.

Een relatief simpel op te lossen situatie kan het begin zijn van grote schulden en/of problematiek. Enkele voorbeelden waarmee jongeren in de praktijk te maken hebben, zijn:

  • Als een jongere (tot 21 jaar) een beroep doet op de aanvullende jongerennorm van de bijstand stuurt de gemeente soms een informatie- of onderhoudsplichtbrief naar ouders om te kunnen bepalen of de ouders wel of niet kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht. Wanneer sprake is van een voor de jongere onveilige/verstoorde relatie met de ouders is dit niet wenselijk. Uit de gesprekken met jongeren blijkt dat in enkele gevallen door beperkt of geen reactie van de ouders, geen aanvullende jongerennorm is verstrekt, waardoor de jongere onvoldoende inkomen heeft om van te leven.

  • Volgens de Wet op de identificatieplicht moet een werkgever de identiteit van een werknemer vaststellen vóórdat de werkzaamheden beginnen. Enkel het simpele feit van het niet kunnen betalen van een nieuw identiteitsbewijs wanneer deze is verlopen, kan er dus toe leiden dat een jongere niet aan het werk kan gaan en schulden worden opgebouwd en/of worden vergroot.

Met de invoering van de Participatiewet in balans is een belangrijke eerste stap gezet om de Participatiewet met ruim 20 wijzigingen te vereenvoudigen en te verbeteren. Veel van deze wijzigingen verbeteren ook de situatie van jongeren in een kwetsbare positie. Zo maakt de nieuwe wet door het uniformeren van de bijverdiengrenzen het aantrekkelijker om naast een uitkering te (gaan) werken. De bijverdiengrenzen waren eerst niet van toepassing op jongeren, dat is nu wel het geval. In 2027 gaat het formeel in en dit jaar (2026) wordt het gedoogd. Ook wordt financiële zekerheid gestimuleerd door de introductie van een bufferbudget, dat schommelingen door wisselende inkomsten uit werk opvangt. Het college krijgt bovendien de bevoegdheid om de vierwekenzoektermijn die geldt voor jongeren tot 27 jaar niet toe te passen als individuele omstandigheden daarom vragen.

Tevens is de jongerennorm geharmoniseerd. Er is een richtbedrag gekomen om grote verschillen tussen gemeenten te voorkomen. Gemeenten kunnen een bedrag aan jongeren toekennen als ze geen steun van hun ouders krijgen. Wanneer blijkt dat dit bedrag niet voldoende is voor hun bestaanskosten, kan de gemeente het bedrag verhogen en andersom – als het bedrag gezien de leefsituatie van de jongere te hoog blijkt – ook naar beneden bijstellen. Gemeenten kunnen bij dringende redenen via artikel 16 van de Participatiewet ook jongeren onder de 18 bijstand verstrekken.

Gemeenten werken hard om de wijzigingen te implementeren. Voor de ondersteuning van jongeren is maatwerk van belang, daarom brengt het kabinet de handreiking van Divosa over Maatwerk binnen de Participatiewet voor jongeren in een kwetsbare positie13 breder onder de aandacht en verrijken we die met praktijkvoorbeelden.

In dit kader organiseert Divosa in 2026 ook werkateliers met gemeenten, om aan de slag te gaan met wat nodig is om in het samenspel tussen ruimte krijgen (bestuurlijk), ruimte geven (beleidsmatig) en ruimte nemen (in de uitvoering) tot effectief maatwerk voor jongeren in een kwetsbare positie te komen. De uitkomsten daarvan worden ook onderdeel van de handreiking14.

Vervolg Participatiewet in balans

Er zijn ook specifieke knelpunten die een langere adem vereisen. In trajecten zoals de Participatiewet in balans spoor 2 – de herziening van de Participatiewet – wordt hiervoor gezocht naar oplossingen. Eind 2024 is de Tweede Kamer aan de hand van een probleemanalyse geïnformeerd over knelpunten in de wet en de vraagstukken die daaruit voortvloeien.15 Op 4 juli 2025 is een aantal uitgewerkte beleidsopties gedeeld met de Tweede en Eerste Kamer, waaronder beleidsopties die de positie van jongeren in een kwetsbare positie kunnen versterken.16 Welke van de naar uw Kamer verzonden beleidsopties ook daadwerkelijk worden uitgewerkt richting nieuwe wetgeving bespreekt het kabinet graag met uw Kamer. Hierover wordt Uw Kamer via een aparte brief geïnformeerd.

Jongeren moeten nog (te) vaak aankloppen bij verschillende loketten. En waar een jongere zich meldt bepaalt de mate van ondersteuning. Een integrale aanpak vraagt van mensen met klantcontact om met een brede blik te kijken en goed te luisteren naar de ondersteuningsbehoefte van de jongere. De Participatiewet in balans vraagt een omslag naar een dienstverlening die is gestoeld op (meer) eenvoud, vertrouwen en menselijke maat. Deze omslag wordt vanuit spoor 3 gestalte gegeven via de ontwikkeling van handreikingen en tools, toelichting op de wet en de toepassingen ervan en het delen van best practices.

De diverse beroeps- en belangenorganisaties werken hierop samen, ondersteund door het Ministerie van SZW. De komende tijd zal deze aanpak worden voortgezet, waarbij de nadruk vooral zal liggen op de implementatie van de maatregelen uit de wet Participatiewet in Balans.

Tot slot

Het kabinet vindt het belangrijk dat iedereen mee kan doen in de samenleving. Dit kan op verschillende manieren. Bij voorkeur door middel van werk, maar als dit door (tijdelijke) omstandigheden of door een permanente beperking niet mogelijk is op een andere manier. Dat geldt zeker ook voor jongeren in een kwetsbare positie. Daarom is het belangrijk dat jongeren passende ondersteuning krijgen, zodat zij kunnen bouwen aan de toekomst en uiteindelijk de weg (opnieuw) vinden naar school of duurzaam werk. Ondersteuning aan jongeren die in een levensfase zitten die veel van hen vraagt en tegelijkertijd ook kwetsbaar zijn door verschillende omstandigheden vraagt continu aandacht van het Rijk, gemeenten en alle betrokken organisaties. Dit doen we voor de jongeren zelf, maar ook omdat de samenleving iedereen nodig heeft.

Deze brieft geeft aan hoe het kabinet op verschillende maar vooral integrale wijze hiermee aan de slag is. Daarnaast om te laten zien dat gemeenten en initiatieven hard werken om binnen de kaders van de wet jongeren in een kwetsbare positie te ondersteunen en dat dit ook kan. Wij gaan verder op deze weg om de ondersteuning van jongeren in een kwetsbare positie te verbeteren.

De Minister van Werk en Participatie, mede namens de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, A.A. Aartsen

Naar boven