Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36558 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36558 nr. C |
Ontvangen 26 juni 2026
In deze nota zijn de vragen en opmerkingen uit het verslag integraal opgenomen in cursieve tekst en de beantwoording van de vragen in gewone typografie. Daarbij is de volgorde van het verslag aangehouden. In deze nota naar aanleiding van het verslag wordt omwille van de leesbaarheid veelal uitsluitend over gemeenteraden, raadsleden en de Gemeentewet gesproken. Hierbij wordt tevens gedoeld op de andere decentrale volksvertegenwoordigingen en volksvertegenwoordigers en op de gelijkluidende bepalingen in de bijbehorende organieke wetten, tenzij expliciet anders wordt vermeld. Daar waar de beantwoording van de vragen uit het verslag raakvlakken heeft met het openbaar bestuur van de waterschappen werk ik samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), als verantwoordelijk Minister voor de inrichting van het waterschapsbestel.
Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt mede namens de Minister van Infrastructuur en Waterstaat uitgebracht, gelet op zijn verantwoordelijkheid voor de waterschappen en de Waterschapswet.
De leden van de fractie van de PVV lezen in de memorie van toelichting, betreffende de bijzondere omstandigheden, voorbeelden als een uitbraak van een infectieziekte, natuurverschijnselen zoals een overstroming of ernstige weersverwachtingen zoals (sneeuw)stormen. Drie categorieën zijn echter uitgesloten, te weten: besloten vergaderingen, het afleggen van de eed of verklaring en belofte en de (her)benoemingsprocedure van de burgemeester, commissaris van de Koning, gezaghebber en voorzitter van het waterschap. Een limitatieve opsomming wordt door de regering niet als wenselijk beschouwd. Er wordt echter ook geen concreet kader gesteld. De wet, zo lezen deze leden in de MvT, kiest voor een definitie als «(...) situaties die onvoorspelbaar zijn, die niet beïnvloedbaar zijn door het gemeentebestuur zelf, en die daadwerkelijk een belemmering vormen voor een vergadering in fysieke vorm». Storm Poly, die in juli 2023 over Nederland trok, wordt aangehaald als concreet voorbeeld van een situatie waarin het beter was geweest om digitaal te vergaderen. Deze leden vernemen gaarne van de regering een onderbouwing hoe zij tot een dergelijk voorbeeld is gekomen, wetende dat een (sneeuw)storm vaker gepaard gaat met stroomstoringen, zoals ook bij voornoemde storm Poly het geval was?
Het betreffende voorbeeld van een (sneeuw)storm is gekozen om duidelijk te maken dat het wat de regering betreft moet gaan om omstandigheden die buiten de invloedssfeer van het decentraal bestuur liggen en daadwerkelijk een belemmering vormen voor een fysieke raadsvergadering. Hoewel een storm ook kan leiden tot technische problemen, is deze storm als voorbeeld genoemd van een situatie waarin het daadwerkelijk niet verantwoord was om het huis te verlaten om naar een vergadering te gaan. Een storm is bovendien ook een omstandigheid die niet beïnvloedbaar is door het gemeentebestuur zelf. Uiteraard kan een situatie van een storm ook omstandigheden met zich brengen die een digitale vergadering belemmeren.
In reactie op deze vraag moet overigens wel worden aangetekend dat het kader dat volgt uit bovenstaand citaat uit de memorie van toelichting dateert van voordat het wetsvoorstel werd geamendeerd.1 Met het amendement-Bikker (CU) heeft de Tweede Kamer de mogelijkheid om digitaal te vergaderen wettelijk meer ingeperkt.2 Het gemeentebestuur kan, gelet op hoe het wetsvoorstel inmiddels luidt, digitaal vergaderen indien bijzondere omstandigheden in ernstige mate verhinderen dat fysiek kan worden bijeengekomen én de vergadering vanwege een zwaarwegend openbaar belang niet kan worden uitgesteld. Uit dit aangescherpte criterium volgt dat een situatie van een (sneeuw)storm nog steeds een bijzondere omstandigheid kan zijn die tot digitaal vergaderen noodzaakt, maar dat dit niet automatisch bij elke zware storm het geval zal zijn. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een situatie waarin een zware storm woedt, maar een fysieke raadsvergadering zonder problemen uitgesteld kan worden. In dat geval is digitaal vergaderen niet toegestaan.
Tevens vragen de leden van de PVV zich af of ondanks dat digitaal vergaderen volgens de voorgestelde wet enkel in geval van bijzondere omstandigheden toelaatbaar is, het maar de vraag is of deze bepalingen scherp genoeg zijn voor het beoogde effect. Zij vragen zich af of de regering in dit kader ook de begrippen «bijzondere omstandigheden» en «zwaarwegend openbaar belang» subjectief interpreteerbare en politiseerbare begrippen zijn? Op welke wijze is de regering voornemens om deze begrippen nader te concretiseren? Op welke wijze gaat de regering voorkomen dat subjectieve interpretatie gaat zorgen voor het ontwijken van de wet?
Ik heb er, zoals ik ook tijdens de plenaire behandeling van deze wet in de Tweede Kamer heb aangegeven, vertrouwen in dat onze decentrale volksvertegenwoordigers uitstekend in staat zijn om op basis van alle relevante omstandigheden in een concreet geval een zorgvuldige afweging te maken. De eerdere ervaringen tijdens de coronapandemie lieten ook zien dat volksvertegenwoordigingen bij voorkeur fysiek samenkomen wanneer dit mogelijk is. Ik heb dus geen aanleiding om te denken dat deze wet tot ontwijkingen van de gekozen afbakening gaat leiden. De keuze voor subjectieve begrippen sluit bovendien aan bij de onvoorspelbaarheid van de situaties waarvoor de wet bedoeld is. Juist omdat het gaat om onvoorzienbare situaties die op een bepaalde tijd en plek een fysieke raadsvergadering belemmeren, acht de regering het passend om een criterium te hanteren dat de decentrale volksvertegenwoordiging de mogelijkheid geeft een eigen afweging te maken op basis van de concrete omstandigheden. Ook hierbij geldt echter weer dat dit criterium inmiddels wel strenger is geworden in het geamendeerde wetsvoorstel. Het begrip «bijzondere omstandigheid» is door het amendement nader ingekleurd door te bepalen dat deze omstandigheden «fysiek bijeenkomen in ernstige mate moeten verhinderen» en dat «de vergadering vanwege een zwaarwegend openbaar belang niet kan worden uitgesteld».3
De leden van de fractie van de PVV zijn van mening dat de keuze om digitaal te vergaderen nooit een politieke afweging mag zijn. Deelt de regering deze opvatting? Zo nee, waarom vindt zij dat deze keuze wél een politieke afweging mag of kan zijn?
In feite is ieder raadsbesluit een politieke beslissing, in de zin dat een politiek pluriform orgaan tot een besluit komt, waarvan de afzonderlijke leden moeten beoordelen of dat besluit in het algemeen belang is. Dat geldt ook voor de bevoegdheid die in onderhavig wetsvoorstel aan de decentrale volksvertegenwoordiging wordt toegekend. Als gevolg van het amendement-Bikker (CU) geeft de wetgever wel meer richting mee aan decentrale volksvertegenwoordigingen dan aanvankelijk het geval was.4 De kans dat een besluit in deze afbakening wordt genomen om andere redenen dan een zuivere beoordeling van de omstandigheden en van de (on)mogelijkheid de vergadering uit te stellen, acht ik uitermate gering. Over de vraag of een raadsvergadering uitgesteld kan worden, zou in theorie echter verschillend gedacht kunnen worden. Helemaal uitsluiten dat hierbij weleens een keuze gemaakt wordt waarmee niet ieder individueel raadslid het eens is, kan dus niet. Dat beoordelingsruimte bestaat en dus discussie mogelijk is over de uitleg van een criterium, betekent echter nog niet dat sprake is van een politiek gemotiveerd besluit.
Deze leden lezen daarnaast in de MvT dat geopperd wordt dat een vergadering langs elektronische weg ook een eenmalige uitkomst biedt wanneer aangekondigde acties of ordeverstoringen een normale doorgang van een openbare fysieke vergadering op een gemeente- of provinciehuis bemoeilijken. De bevoegdheid voor het besluit om over te gaan op digitaal ligt bij het bestuur. Is de regering het met deze leden eens dat een dergelijke overweging het wel heel makkelijk maakt om bij moeilijke onderwerpen, zoals een besluit over de komst van een Asielzoekers Centrum (AZC), het demonstratierecht van burgers uit de weg te gaan door digitaal te vergaderen en daarmee grondrechten te verkwanselen? Gaarne ontvangen deze leden een onderbouwing van uw beantwoording.
Vooropgesteld; het demonstratierecht wordt door dit wetsvoorstel op geen enkele wijze geraakt. Het is ook nooit beoogd dat een demonstratie voor het gemeentehuis aanleiding zou kunnen zijn om digitaal te vergaderen. Het recht van inwoners om te demonstreren, bijvoorbeeld tegen een (voorgesteld) besluit van het gemeentebestuur waar zij het niet mee eens zijn, is een wezenlijk onderdeel van de democratie en is daarmee dus geen onvoorziene bijzondere omstandigheid. Wel moet worden vastgesteld dat niet is uit te sluiten dat in bepaalde omstandigheden situaties kunnen ontstaan die een rechtstreekse bedreiging kunnen vormen voor de fysieke veiligheid van bestuurders en raadsleden. Ik doel hiermee op situaties die niet worden aangemerkt als een demonstratie en die niet als zodanig beschermd worden, bijvoorbeeld wanneer vernielingen worden aangericht aan een gemeentehuis. In dergelijke situaties kan sprake zijn van een ernstige dreiging van verstoring van de openbare orde. Hoewel het amendement-Bikker (CU) de drempel om digitaal te vergaderen hoog legt – de fysieke vergadering moet werkelijk niet mogelijk zijn – kunnen er daarom situaties zijn waarin aan dat criterium wordt voldaan.5
Voorts lezen de leden van de PVV-fractie dat gesproken wordt over de digitale vaardigheden van burgers. Hoe kijkt de regering echter naar de digitale vaardigheden van leden van andere bestuursorganen waarop deze wet van toepassing wordt? Er zijn bestuursorganen die de digitale equipering van haar leden niet verzorgen en waar ieder lid over een ander soort toestel beschikt met andere software en eventuele verouderde protocollen die op hun beurt weer een veiligheidsrisico vormen. Graag vernemen deze leden hoe de regering het verschil van equipering en niveau van digitale vaardigheden heeft meegenomen in haar overwegingen om tot het huidige wetsvoorstel te komen. Deelt zij de mening van deze leden dat dit wetsvoorstel het risico in de hand werkt dat leden die digitaal minder vaardig zijn in hun volksvertegenwoordigende rol belemmerd worden en dat daarmee de democratische rechtsgang beïnvloed wordt?
Uitgangspunt is altijd, ook bij dit wetsvoorstel, dat het raadswerk zo laagdrempelig mogelijk moet zijn en dat actieve deelname aan het lokale democratische proces niet enkel voorbehouden is aan mensen met uitstekende digitale vaardigheden. De toegankelijkheid van raadsvergaderingen, voor inwoners maar zeker ook voor raadsleden zelf, is dan ook een belangrijk aandachtspunt geweest bij het maken van dit wetsvoorstel. Er is voor gekozen om de technische vereisten voor deelname aan een digitale vergadering zo beperkt mogelijk te houden. Een eigen laptop of tablet en een eigen account waarop ingelogd wordt, volstaan hiervoor. Desalniettemin moet worden erkend dat digitaal vergaderen voor sommige raadsleden lastig kan zijn en dat zij in sommige gevallen behoefte kunnen hebben aan ondersteuning. Hierbij kan de griffie een belangrijke rol vervullen, als vraagbaak voor de raadsleden. Ter uitvoering van de motie-Huizenga, zal ik in gesprek gaan met vertegenwoordigers van de decentrale overheden, om te bezien hoe de medeoverheden kunnen worden geholpen bij het bieden van adequate ondersteuning op dit punt.6 Daarbij zou bijvoorbeeld kunnen worden gedacht aan het organiseren van trainingen of bijeenkomsten vanuit de griffie waarin aandacht wordt besteed aan digitaal vergaderen en de vaardigheden die daarbij komen kijken.
Verder lezen de leden van de PVV-fractie in de derde rapportage, tevens eindrapportage van de Evaluatiecommissie van de Tijdelijke wet digitale beraadslaging en besluitvorming provincies, gemeenten, waterschappen en openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba (hierna: Tijdelijke wet), digitaal vergaderen als overwegend cyberveilig wordt aangevoerd. Deze leden lezen graag van de regering hoe de tijdens de Tijdelijke wet, dus gedurende de Corona-periode en met alle maatregelen toen, geëvalueerde conclusie, nog van toepassing is op een situatie waar «tijdelijk» wordt verruild voor «structureel». Daarnaast vragen deze leden in hoeverre die evaluatie standhoudt, gezien het toenemende aantal cyberaanvallen. Daar komt ook de opmerking in de MvT bij dat de regering ervoor heeft gekozen besloten vergaderingen volledig uit te zonderen van de mogelijkheid tot digitaal vergaderen, omdat zij de risico’s bij dit soort vergaderingen, zoals het inbreken van kwaadwillenden, dan wel het lekken van vertrouwelijke informatie, te groot acht. De vergadering zelf hoeft immers niet het doel te zijn bij een cyberaanval.
De overgang van een tijdelijke naar een structurele bevoegdheid verandert op zichzelf niet de aandachtspunten die de onderzoekers hebben gesignaleerd. De overgang van een tijdelijke naar een incidentele bevoegdheid heeft daarop wellicht meer effect. Los hiervan moet worden onderkend dat de technische ontwikkelingen dermate snel gaan, dat iedere conclusie over de stand van de techniek op een bepaald punt na een aantal jaar verouderd is. Omdat de laatste jaren geen wettelijke mogelijkheid bestond om digitaal te vergaderen, is geen recentere informatie beschikbaar over de cyberveiligheid van digitale raadsvergaderingen. Het is dan ook van belang om, als deze wettelijke mogelijkheid er komt, opnieuw te monitoren wat de ervaringen op dit punt zijn.
Naast het belang van een goede cyberveiligheid van de gemeentelijke systemen, vind ik het van belang hier te wijzen op het belang van niet-digitale bescherming tegen digitale dreiging. Het inzetten van deepfake kan alleen wanneer iemand van buiten de raad toch toegang verkrijgt tot een vergadering, en dit heeft vervolgens enkel zin wanneer het betreffende raadslid zelf zonder afmelding niet aanwezig is en de voorzitter en overige raadsleden geen moeite betrachten om te verifiëren of de inbreng van betrokkene correspondeert met diens politiek profiel. Uit de ervaringen met de Tijdelijke wet bleek dat de vergadersystemen voldeden aan de algemene wettelijke voorwaarden, zoals openbaarheid. Ook hebben zich weinig (en geen grote) cyberincidenten voorgedaan in de periode waarin gebruik werd gemaakt van de Tijdelijke wet.7 De regering vertrouwt erop dat deze lijn in de toekomst zal worden doorgezet.
De leden van de fractie van de PVV lezen dat de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) in zijn advies «Van crisis naar opgave» de ervaren vermindering van de kwaliteit van het debat tijdens een digitale vergadering en de andere wijze van communiceren tussen deelnemers als negatief beoordeeld heeft en de ROB weegt deze effecten zwaarder dan de positieve effecten die de mogelijkheid tot digitaal vergaderen kan bieden naast de fysieke vergadering. Volgens de MvT is de regering echter van mening dat dit in alle gevallen afhangt van lokale omstandigheden. Deze wet is immers toegespitst op de situatie waarin fysiek vergaderen ook op een veilige manier mogelijk is en er dus gevarieerd kan worden in de vergadermodaliteit. Wat in de ene gemeente een zwaarwegend of politiek besluit is, kan in de andere een hamerstuk zijn en omgekeerd. Dergelijke overwegingen kunnen ook tijdens een vergadering ontstaan. Wetgeving leent zich daarom niet voor zulke kaders en zou bovendien een beperking van de autonome ruimte van gemeenteraden zijn voor zover het de eigen vergaderorde betreft. De regering acht het reglement van orde van de gemeenteraad dan ook geschikter om beslisregels hieromtrent op te nemen indien daar lokaal behoefte aan is. Kan de regering meer duiding geven bij deze uitleg? Ziet de regering ook een tegenstelling in de eigen argumentatie? Ziet de regering ook dat de wet digitaal vergaderen decentrale overheden dient te waarborgen dat er geen willekeur ontstaat en dat de democratische rechtsorde hoe dan ook bij alle overheden op dezelfde wijze geborgd dient te zijn? Ziet de regering in dit kader ook dat haar stellingname «wat in de ene gemeente een zwaarwegend of politiek besluit is, kan in de andere een hamerstuk zijn en omgekeerd» geen argument is om juist het belang van de kwaliteit van het debat te laten prevaleren?
De regering hecht veel belang aan het fysiek vergaderen. Om deze reden is bij het opstellen van dit wetsvoorstel onderzocht welke eisen aan het digitaal vergaderen moeten worden gesteld om de kwaliteit van het debat te kunnen waarborgen.8 Uit de evaluatie van de wet is onder meer naar voren gekomen dat de interactie tijdens een digitale vergadering op een andere wijze wordt ervaren dan wanneer men fysiek bij elkaar komt. Dat verschil in interactie is op sommige punten negatief, bijvoorbeeld als het gaat om het ontbreken van de energie van een fysiek publiek en bepaalde non-verbale communicatie lastiger tot stand komt, maar heeft ook positieve elementen. Hoewel er minder informeel contact plaatsvindt, wordt een digitale vergadering door sommige leden als toegankelijker ervaren, bijvoorbeeld omdat zij in een digitale setting makkelijker het woord kunnen nemen. In een digitale vergadering kan de voorzitter er ook makkelijker op sturen dat raadsleden in evenwichtige mate aan het woord komen. Daarnaast hebben de ervaringen met de Tijdelijke wet uitgewezen dat de integriteit van de besluitvorming in een digitale raadsvergadering kan worden gewaarborgd.9 Daarbij benadrukt de regering dat fysiek vergaderen het uitgangspunt blijft. Digitaal vergaderen is met het aannemen van het amendement-Bikker alleen mogelijk in het geval van «bijzondere omstandigheden» die «die in ernstige mate verhinderen dat kan worden bijeengekomen in een fysieke vergadering terwijl de vergadering vanwege een zwaarwegend openbaar belang niet kan worden uitgesteld».
Waar het wetsvoorstel aanvankelijk uitging van een ruimere eigen afweging van de lokale volksvertegenwoordiging, heeft het amendement het toepassingsbereik van de wet strakker ingekaderd. Enkel wanneer een vergadering gegeven de omstandigheden echt niet fysiek kan doorgaan, terwijl uitstel van de vergadering evenmin een reële optie is, is een digitale vergadering toegestaan. Dit kader is voor alle decentrale overheden hetzelfde. Naar zijn aard kunnen omstandigheden uiteraard wel van plaats tot plaats en in de tijd verschillen. Er blijft dus wel een lokale afweging mogelijk, maar het strakkere wettelijke criterium maakt de ruimte voor grote verschillen tussen gemeenten gering.
De leden van de fractie van de PVV verzoeken de regering de agenda’s, memo’s en verslagen van de overleggen met de koepels, beroeps- en belangenverenigingen die ten grondslag liggen aan de regeling aan de Kamer te doen toekomen. De koepels zijn privaatrechtelijke organisaties, waarin decentrale dagelijks bestuurders zitting hebben en volksvertegenwoordiging nauwelijks invloed of zeggenschap heeft. Wat is de reden dat de koepels inbreng hebben geleverd? Wiens belang dienen de koepels?
Zoals ik al in mijn brief over de ROB-adviezen «Afrekenen met disbalans» en «Meters maken met medebewind» van 22 mei jl. heb aangegeven, worden de koepelorganisaties al decennialang betrokken bij wetsvoorstellen die hen raken, zo ook in dit dossier. Daarmee is recht gedaan aan een waardevolle en bestendige praktijk die aansluit bij wat het Europees Handvest inzake lokale autonomie en de Gemeentewet hierover bepalen. Ik hecht hier grote waarde aan omdat het de gelegenheid biedt aan decentrale overheden als collectief te reageren op een voorstel van de regering. Naast de koepelorganisaties zijn in dit geval ook, door middel van een traject onder externe begeleiding, raadsleden zelf betrokken. Ook de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden is gedurende het proces in de gelegenheid gesteld mee te denken. Het delen van vergaderstukken lijkt mij geen verstandig besluit. Ik draag zelf verantwoordelijkheid voor het voorstel zoals het nu voorligt en de overwegingen die aan het voorstel ten grondslag liggen en dus ook voor de wijze waarop is omgegaan met de inbreng van de koepelorganisaties. De inbreng van de koepels wordt bovendien vaak geplaatst op internetconsultatie en altijd meegezonden met een voorstel wanneer dit wordt aangeboden aan de Raad van State en aan de Tweede Kamer. Deze zijn dus altijd, en ook in dit geval, openbaar ten tijde van de wetsbehandeling in het parlement.
De leden van de fractie van de PVV lezen dat de wet toeziet op de mogelijkheid van decentrale overheden tot vergaderen langs elektronische weg indien bijzondere omstandigheden in ernstige mate verhinderen dat bijeen kan worden gekomen in een fysieke vergadering en de vergadering vanwege een zwaarwegend openbaar belang niet kan worden uitgesteld. Wat is de reden dat de wet enkel voor decentrale overheden geldt, terwijl de beide Kamers der Staten-Generaal nog wel fysieke aanwezigheid als uitgangspunt nemen? Waarom zou de werkwijze van de Staten-Generaal niet naar analogie moeten worden toegepast bij decentrale overheden? Kan de regering aangeven welke beperkingen de Grondwet de beide Kamers der Staten-Generaal oplegt om, indien zich bijzondere omstandigheden voordoen, in niet-fysieke vorm bijeen te komen?
Het is in de Nederlandse constitutionele context goed gebruik dat de formele wetgever geen regels stelt over vergaderingen van het parlement. Beide Kamers doen dat in de eerste plaats zelf, met name in de respectievelijke reglementen van orde. Dat is anders voor de decentrale volksvertegenwoordigingen. De Grondwet bepaalt immers sinds 1848 dat de wet de samenstelling, inrichting en bevoegdheden van de gemeentebesturen regelt. Daar is sinds 1851 invulling aan gegeven door in de gemeentewet ook regels te stellen over raadsvergaderingen.
Kan de regering duiden hoe het begrip «bijzondere omstandigheden» zich verhoudt tot het quorum voor de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal als bedoeld in artikel 67 Grondwet?
Artikel 67, eerste lid, Grondwet bepaalt dat in beide Kamers en in verenigde vergadering slechts beraadslaagd en gestemd mag worden indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden ter vergadering aanwezig is. Het is aan de Kamers zelf om te bepalen hoe invulling wordt gegeven aan deze eis. Art. 52, lid 2, van het Reglement van Orde bepaalt bijvoorbeeld dat de Eerste Kamer in bijzondere omstandigheden een voorziening kan treffen voor een digitaal quorum. Hiervan heeft de Afdeling Advisering eerder in een voorlichting gesteld dat een dergelijke voorziening niet in strijd is met art. 67 Grondwet, mits hiervan alleen in bijzondere omstandigheden gebruik gemaakt wordt.10
Op dinsdag 26 mei 2026 stond er een artikel in de Telegraaf waarin het A&O Fonds gemeenten meldt dat het verzuim bij gemeenten in 2025 het hoogst is in 20 jaar tijd. De leden van de PVV-fractie lezen in de MvT dat de regering het advies van het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) als volgt heeft samengevat: «Er zijn volgens het ATR geen minder belastende alternatieven om digitaal vergaderen mogelijk te maken. In het advies wordt aandacht gevraagd voor de waarborging van de toegankelijkheid tot de vergadering, in het bijzonder voor mensen die niet beschikken over de voorzieningen of vaardigheden om digitale vergaderingen te volgen of daaraan bij te dragen.» De regering heeft in haar overweging alleen gekeken naar de toehoorders en kijkers, maar niet naar de participanten. Het ATR heeft doorzien dat er werk aan de winkel is, maar de regering rept er met geen woord over. Het A&O Fonds-onderzoek toont nogmaals aan dat er sprake is van het hoogste verzuim bij gemeenten in 20 jaar tijd. Hoe kijkt de regering aan tegen de positie van álle participanten bij gemeenten in de uitvoering van deze wet en hoe is een eventuele implementatie hiervan concreet voorzien? Ziet de regering voor zichzelf daarin ook een rol weggelegd? Zo ja, wat mag concreet van de regering worden verwacht?
De vraag van de leden van de fractie van de PVV begrijp ik zo dat deze leden aandacht vragen voor de ondersteuning die door gemeenten gegeven wordt aan participanten in de vorm van het bieden van bijvoorbeeld voorzieningen om deel te kunnen nemen aan digitale vergaderingen. Het klopt dat het ATR heeft gewezen op het belang van participanten. Omdat digitaal vergaderen alleen in bijzondere omstandigheden zal plaatsvinden zal de belasting voor gemeenten beperkt zijn. Ik vertrouw erop dat ook gemeentebesturen zelf hiervoor aandacht zullen hebben, zoals zij ook verplicht zijn op grond van artikel 150 Gemeentewet. Ook dit aspect kan worden meegenomen in de gesprekken die ik zal voeren met vertegenwoordigers van de medeoverheden over hoe zij op adequate wijze ondersteuning kunnen bieden bij digitaal vergaderen.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, P.E. Heerma
Zie onder meer Bijlage bij Kamerstukken II 2021/22, 35 424, nr. 17: Digitale beraadslaging en besluitvorming: gedachten over functionele eisen, Rathenau Instituut, 28 juni 2021.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36558-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.