36 547 Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES en andere wetten in verband met de modernisering van de strafbaarstelling van mensenhandel en de introductie van de zelfstandige strafbaarstelling van ernstige benadeling en van voordeeltrekking (Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel)

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 6 mei 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid over het ontbreken van een toelichting op nieuw toegevoegde uitbuitingsvormen (waaronder gedwongen huwelijken) in artikel 273 Wetboek van Strafrecht. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 7 april 2026.

  • De antwoordbrief van 20 april 2026.

De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Minister van Justitie en Veiligheid

Den Haag, 7 april 2026

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 12 maart 2026 de nota naar aanleiding van het tweede verslag ontvangen over het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (36.547). De commissie heeft op 31 maart 2026 besloten de nadere procedure van dit wetsvoorstel aan te houden, omdat zij graag eerst de volgende zorgen over het wetsvoorstel aan u voorlegt.

De zorgen van de commissie hebben betrekking op slachtoffers van huwelijkse uitbuiting. Met het amendement van de leden Wijen-Nass en Van Dijk2 zijn drie nieuwe uitbuitingsvormen toegevoegd aan de lijst met mogelijke vormen van uitbuiting in artikel 273 Wetboek van Strafrecht. Het betreft uitbuiting bij draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie.3 Dezelfde uitbuitingsvormen zijn opgenomen in het wetsvoorstel betreffende implementatie van de herziene Europese richtlijn mensenhandel dat momenteel in behandeling is bij de Tweede Kamer.4

Nu een toelichting op deze nieuwe uitbuitingsvormen zowel bij het amendement als in de memorie van toelichting ontbreekt, maakt de commissie zich zorgen over de praktische toepassing van deze vormen van uitbuiting, meer in het bijzonder met het oog op adequate rechtsbescherming van slachtoffers van huwelijkse uitbuiting. De commissie vraagt zich af wat onder deze vormen van uitbuiting wordt verstaan en in welke gevallen aan de voorwaarden voor strafbaarheid is voldaan. De Nationaal Rapporteur Mensenhandel en Seksueel Geweld tegen Kinderen heeft vorig jaar ook haar zorgen hierover geuit en benadrukt dat het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid noodzakelijk is dat de wetgever de rechtspraktijk houvast biedt.5

De commissie verneemt graag of u voornoemde zorgen met haar deelt voordat zij het wetsvoorstel verder voorbereid, dan wel of u in dit verband reparatiemogelijkheden voor ogen heeft.

De leden van de vaste commissie voor J&V zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich

BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 20 april 2026

Inleiding

De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft op 31 maart 2026 besloten de nadere procedure van het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel (36 547) aan te houden. In de brief van 7 april 2026 heeft uw Kamer aangegeven zorgen te hebben over de praktische toepassing van drie uitbuitingsvormen – te weten de uitbuiting van een persoon bij respectievelijk draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie – die als gevolg van het amendement-Wijen-Nass/Diederik van Dijk zijn toegevoegd aan de niet-limitatieve opsomming van specifieke uitbuitingsvormen die is opgenomen in de strafbepaling van mensenhandel.6 Met het oog op de adequate bescherming van die groepen slachtoffers van mensenhandel en het bieden van voldoende houvast voor de rechtspraktijk, heeft u gevraagd wat onder deze vormen van uitbuiting wordt verstaan en in welke gevallen aan de voorwaarden voor strafbaarheid is voldaan. Daarbij wijst u erop dat de toelichting op het genoemde amendement op deze punten geen nadere inhoudelijke duiding bevat.

Met uw Kamer ben ik van oordeel dat het van belang is dat de wetgever handvatten geeft voor de uitleg van de drie genoemde specifieke vormen van uitbuiting, zodat in de rechtspraktijk ook bij deze specifieke uitbuitingsvormen op goede wijze toepassing kan worden gegeven aan de strafbaarstelling van mensenhandel. Daarom ga ik in deze brief graag nader in op de gestelde vragen.

Samenloop van twee wetsvoorstellen

Met het genoemde amendement is in het onderhavige wetsvoorstel de niet-limitatieve opsomming van specifieke uitbuitingsvormen uitgebreid met uitbuiting van een persoon bij respectievelijk draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie (voorgesteld artikel 273f, vijfde lid, onderdelen f tot en met h, Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr)). Uit de daarop gegeven toelichting blijkt dat dit amendement ertoe strekt om de niet-uitputtende opsomming van uitbuitingsvormen te laten aansluiten bij de omschrijving daarvan in de recentelijk herziene EU-richtlijn over mensenhandel (Richtlijn 2011/36/EU). Hiermee blijft de wettelijke niet-limitatieve opsomming van specifieke vormen van uitbuiting in lijn met de omschrijving daarvan in de EU-richtlijn. De drie uitbuitingsvormen worden met het afzonderlijke wetsvoorstel ter implementatie van de herziene Europese richtlijn mensenhandel (36835; hierna: het implementatiewetsvoorstel) eveneens expliciet toegevoegd aan artikel 273f Sr. Hierdoor is het onderhavige wetsvoorstel dezelfde wetswijziging komen te bevatten als het op dit moment bij de Tweede Kamer aanhangige implementatiewetsvoorstel, zoals de vaste commissie terecht signaleert in haar brief van 7 april 2026. Het implementatiewetsvoorstel bevat behalve een samenloopbepaling die de overlap van het onderhavige wetsvoorstel met het implementatiewetsvoorstel technisch regelt, ook een nadere duiding van deze drie uitbuitingsvormen. Aangezien in de toelichting op het genoemde amendement expliciet wordt verwezen naar de herziene EU-richtlijn is in het nader rapport bij het implementatiewetsvoorstel – in opvolging van het daartoe strekkende advies van de Afdeling advisering van de Raad van State – uitdrukkelijk benoemd dat voor de inhoudelijke afbakening van die drie uitbuitingvormen betekenis kan worden toegekend aan de daarop gegeven uitleg in de memorie van toelichting bij het implementatiewetsvoorstel.7 Tegen die achtergrond is voor de inhoudelijke afbakening van die specifieke uitbuitingvormen in de nota naar aanleiding van het tweede verslag bij het onderhavige wetsvoorstel8 verwezen naar de daarop gegeven toelichting in de parlementaire stukken bij het implementatiewetsvoorstel.9 De navolgende uiteenzetting sluit daarbij aan en strekt ertoe die inhoudelijke afbakening op meer zichtbare wijze te betrekken bij het onderhavige wetsvoorstel.

Mensenhandel in de vorm van uitbuiting van draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie

Gevallen van uitbuiting van draagmoederschap, uitbuiting van gedwongen huwelijken en uitbuiting van illegale adoptie kunnen ook nu al onder het bereik van de strafbaarstelling van mensenhandel vallen. Daarbij gaat het om situaties waarin draagmoederschap, een gedwongen huwelijk of illegale adoptie de context vormt waarbinnen het slachtoffer wordt uitgebuit. Het voorliggende wetsvoorstel en het implementatiewetsvoorstel strekken enkel ertoe wettelijk vast te leggen dat uitbuiting zich in de context van deze specifieke praktijken kan manifesteren en brengen geen verandering in de bestaande reikwijdte van de strafbaarstelling van mensenhandel.

Voor strafbaarheid wegens het plegen van mensenhandel is vereist dat de betrokkene de delictsbestanddelen van mensenhandel vervult (artikel 273f, eerste lid, Sr), dat wil zeggen het verrichten van een bepaalde handeling (zoals werven, vervoeren of huisvesten), het opzettelijk aanwenden van een beïnvloedingsmiddel (zoals dwang, geweld of misbruik van een kwetsbare positie) en het oogmerk van uitbuiting. Dit brengt mee dat in individuele gevallen steeds – naast of een beïnvloedingsmiddel is aangewend – ook afzonderlijk moet worden getoetst of een van de bedoelde handelingen is verricht en aan het oogmerk van uitbuiting is voldaan. Daarbij moet worden onderkend dat de wetgever slechts bij benadering antwoord kan geven op de vraag bij welke gedragingen en onder welke omstandigheden de genoemde specifieke uitbuitingsvormen aan de orde kunnen zijn, omdat zich een grote variëteit aan situaties kan voordoen. Tegen die achtergrond moet worden begrepen dat hierna enkele gezichtspunten en indicatieve voorbeelden worden gegeven, waarbij is beoogd ruimte te laten aan de rechtspraktijk om – binnen de wettelijke grenzen – de afbakening van situaties die vallen onder het bereik van deze specifieke uitbuitingsvormen aan de hand van concrete gevallen te preciseren. Daarbij wordt nog aangetekend dat onder de daarvoor geldende voorwaarden ook andere wijzen van betrokkenheid dan als pleger strafbaar kunnen zijn, zoals in geval van uitlokking van (artikel 47, eerste lid, onder 2°, Sr) of medeplichtigheid aan mensenhandel (artikelen 48 en 49 Sr).

Uitbuiting van een persoon bij draagmoederschap

Bij mensenhandel in de vorm van uitbuiting van een persoon bij draagmoederschap valt te denken aan het geval dat iemand uit winstbejag – bijvoorbeeld een persoon die het doel heeft om het kind na de geboorte aan wensouders te verkopen – misbruik maakt van de situatie dat een vrouw in armoede leeft door haar over te halen om tegen betaling draagmoeder te worden. In dat geval is opzettelijk een beïnvloedingsmiddel (misbruik van een kwetsbare positie) aangewend om het slachtoffer te bewegen tot draagmoederschap en wordt, met het doel daarvan te profiteren, op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van de betrokken vrouw. Een kwetsbare positie – en daarmee een situatie die de gelegenheid tot uitbuiting schept – mag in het algemeen worden verondersteld bij een zwakke financiële positie waarbij in het bijzonder valt te denken aan afkomst uit een land met een significant lager welvaartspeil. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden is de vrouw in een dergelijk geval immers in verminderde mate in staat tot een vrije wilsbepaling omtrent het draagmoederschap. Als iemand in zo’n situatie wordt overgehaald om draagmoeder te worden, wordt misbruik gemaakt van een kwetsbare positie. Vereist is dat de dader zich bewust is geweest van de relevante feitelijke omstandigheden van de betrokkene waaruit de kwetsbaarheid voortvloeit.10 Het voor mensenhandel vereiste oogmerk van uitbuiting is niet aanwezig in het voorbeeld dat het Openbaar Ministerie (OM) in zijn consultatieadvies bij het implementatiewetsvoorstel heeft gegeven van een man die zijn echtgenote onder druk zet om als draagmoeder te fungeren zonder dat daarvoor een vergoeding wordt ontvangen, terwijl de vrouw vanwege een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht telkens in verminderde mate in staat is om weerstand te bieden aan een dergelijk verzoek. Zo’n oogmerk van uitbuiting zou – variërend op dat voorbeeld – wel aanwezig zijn als de man zou hebben gehandeld uit winstbejag of als hij verregaande vrijheidsbeperkingen zou hebben opgelegd aan zijn zwangere echtgenote.

Hiermee ziet mensenhandel in de vorm van uitbuiting van draagmoederschap op andere en ernstiger gedragingen dan de situaties die worden bestreken door de bestaande artikelen 151b en 151c Sr onderscheidenlijk de strafbepalingen die worden voorgesteld in het wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming (36 390). Eerstgenoemde artikelen hebben betrekking op – kort gezegd – het beroeps- of bedrijfsmatig bemiddelen bij draagmoederschap of bij de overdracht van het ouderschap over een kind (artikelen 151b en 151c Sr). Het wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming strekt tot introductie van een strafrechtelijk kader voor betalingen bij de overdracht van ouderschap en draagmoederschap. Betalingen voor de overdracht van ouderschap van een kind zijn in geen geval toegestaan (voorgesteld artikel 151ca Sr). Anders dan bij mensenhandel is voor strafbaarheid wegens overtreding van die voorgestelde bepaling niet vereist dat ook een beïnvloedingsmiddel, zoals misbruik van een kwetsbare positie, is ingezet (om degene die het juridisch ouderschap heeft over een kind te bewegen dat ouderlijkgezag over te dragen) of dat het oogmerk van uitbuiting aanwezig is. Op grond van het wetsvoorstel kind, draagmoederschap en afstamming is het toegestaan bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen vergoedingen te betalen aan een draagmoeder in Nederland. De specifieke delictsvereisten voor mensenhandel brengen ook mee dat het geven van vergoedingen voor draagmoederschap die de vast te stellen maxima te boven gaan als bedoeld in het voorgestelde artikel 442b Sr, zoals opgenomen in het genoemde wetsvoorstel, niet direct van betekenis is voor de beoordeling of de persoon aan wie de betaling wordt gedaan zich in een kwetsbare positie bevindt in de hiervoor bedoelde zin of voor de beoordeling of sprake is van het oogmerk van uitbuiting. Het (ernstigere) misdrijf van mensenhandel heeft – vanwege de daarvoor geldende specifieke delictsvereisten – dan ook een eigen reikwijdte en plaats in het geheel van strafbaarstellingen.

Uitbuiting van een persoon bij gedwongen huwelijken

In het geval van huwelijksdwang wordt een persoon gedwongen om te trouwen. Slachtoffers van zo’n gedwongen huwelijk zijn vaak kinderen of jongvolwassenen. Degene die door het uitoefenen van psychische of fysieke druk een ander dwingt om te trouwen, is strafbaar op grond van artikel 284 Sr. Ook het opzettelijk een persoon buiten of naar Nederland lokken met het oogmerk die persoon tot een huwelijk te dwingen is strafbaar (artikel 285c Sr). Uit de parlementaire geschiedenis blijkt expliciet dat deze meer algemeen geformuleerde strafbepalingen – in lijn met artikel 37 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Trb. 2012, 233) – zich uitstrekken tot, kort gezegd, (voorbereiding van) gedwongen huwelijken.11 Ook het (voorbereiden van het) dwingen van een persoon tot het aangaan van een religieus huwelijk valt onder de strafbaarstelling van het misdrijf. Bij het zwaardere misdrijf van mensenhandel in de vorm van uitbuiting van een persoon bij gedwongen huwelijken gaat het om situaties waarin een gedwongen huwelijk de feitelijke context vormt waarbinnen het slachtoffer wordt uitgebuit. Niet is vereist dat de dader zelf het slachtoffer op een eerder moment tot het huwelijk – waarbinnen de uitbuiting plaatsvindt – heeft gedwongen. Deze vorm van mensenhandel kan zich bijvoorbeeld ook voordoen als het slachtoffer door derden, zoals ouders, familie of breder vanuit de gemeenschap, tot het huwelijk was gedwongen en vervolgens wordt uitgebuit door de huwelijkspartner.

Met uitbuiting in het kader van een gedwongen huwelijk valt allereerst te denken aan gevallen waarin de uitbuiting van het slachtoffer nauw verbonden is met het sluiten van het gedwongen huwelijk, bijvoorbeeld situaties waarin met gedwongen uithuwelijking omvangrijk economisch voordeel wordt behaald. Een voorbeeld daarvan is dat ouders hun kind met gebruik van bedreiging of geweld dwingen met een door hen uitgekozen partner te trouwen en zij daarvoor – van die partner of diens familie – een groot geldbedrag ontvangen. In algemene zin zullen de mate van dwang die is uitgeoefend op de uit te huwelijken persoon en de omvang van het te behalen economisch voordeel relevante factoren zijn voor de beoordeling of sprake is van het vereiste oogmerk van uitbuiting van een persoon bij gedwongen huwelijken.

Daarnaast kan worden gedacht aan gevallen waarin het slachtoffer in de periode na de sluiting van het gedwongen huwelijk wordt uitgebuit. Hierbij wordt primair gedacht aan situaties waarin de huwelijkspartner ten aanzien van het slachtoffer een beïnvloedingsmiddel aanwendt – zoals dwang of misbruik van een kwetsbare positie – teneinde, al dan niet in combinatie met opgelegde vrijheidsbeperkingen, dat slachtoffer diensten te laten verlenen waarvan de huwelijkspartner op enige wijze wil profiteren. Bij die dienstverlening kan het bijvoorbeeld gaan om het verrichten van een buitensporige hoeveelheid huishoudelijke werkzaamheden of het verlenen van seksuele diensten. Voor de beoordeling of in dergelijke gevallen het vereiste oogmerk van uitbuiting aanwezig is, kan worden aangesloten bij de beoordelingskaders die gelden ten aanzien van mensenhandel in de vorm van arbeidsuitbuiting onderscheidenlijk seksuele uitbuiting. In voorkomende gevallen wordt bij die beoordeling rekening gehouden met de minderjarige leeftijd van het slachtoffer in de zin dat minderjarigen extra worden beschermd.12 Bij de vraag of sprake is van arbeidsuitbuiting komt, aldus de Hoge Raad, onder meer betekenis toe aan (a) de aard en duur van de tewerkstelling, (b) de beperkingen die zij voor de betrokkene meebrengt – waaronder ook huisvestingsomstandigheden kunnen zijn begrepen – en (c) het economisch voordeel dat daarmee door de tewerksteller wordt behaald.13 Dit beoordelingskader brengt mee dat het oogmerk van uitbuiting ook aanwezig kan zijn als bij het laten verrichten van buitensporige huishoudelijke werkzaamheden geen vrijheidsbeperkingen zijn opgelegd aan de betrokken meerder- of minderjarige. Seksuele uitbuiting kan zich in de regel voordoen in situaties van seksueel contact tussen het slachtoffer en een derde. Niet uitgesloten is echter dat het gaat om seksuele handelingen van het slachtoffer met de mensenhandelaar – in dit geval de huwelijkspartner – bijvoorbeeld wanneer dit seksueel contact plaatsvindt in een situatie van zodanige vrijheidsbeperkingen dat het slachtoffer als een «seksslaaf» wordt behandeld door zijn of haar huwelijkspartner.14 Bij de gevallen waarin het slachtoffer in de periode na de sluiting van het gedwongen huwelijk wordt uitgebuit, wordt dus primair gedacht aan situaties waarin het slachtoffer (seksuele) diensten verleent waarvan de uitbuiter op enige wijze wil profiteren. Daarbij moet worden bedacht dat situaties waarin een huwelijkspartner zonder toestemming van zijn of haar wederhelft de woning niet mag verlaten, zich niet vrijelijk in huis mag verplaatsen, aan een avondklok wordt onderworpen of wordt beperkt in het (al dan niet digitaal) aangaan van sociale contacten, in voorkomende gevallen vallen onder het bereik van andere bestaande misdrijven, zoals wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Sr) of dwang (artikel 284 Sr).

Benadrukt wordt dat mensenhandel zich ook kan uitstrekken tot vormen van uitbuiting die niet uitdrukkelijk zijn opgenomen in de wettelijke niet-limitatieve opsomming van specifieke vormen van uitbuiting – zoals uitbuiting binnen niet-gedwongen huwelijken – namelijk wanneer is voldaan aan de genoemde voorwaarden voor strafbaarheid wegens mensenhandel. Dit brengt mee dat de hiervoor genoemde gezichtspunten ten aanzien van de aanwezigheid van het oogmerk van uitbuiting ook kunnen worden betrokken bij de beoordeling of in voorkomende gevallen in de context van niet-gedwongen huwelijken – naast of een handeling is verricht en een beïnvloedingsmiddel is aangewend als bedoeld in artikel 273f Sr – sprake is van het voor mensenhandel vereiste oogmerk van uitbuiting.

Uitbuiting van een persoon bij illegale adoptie

Met «illegale adoptie» wordt hier gedoeld op de situatie dat adoptieregelgeving – die onder andere is neergelegd in het Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van interlandelijke adoptie (Haags Adoptieverdrag) – in meer of mindere mate niet is nageleefd. Daarbij kan het gaan om gedragingen die op dit moment zelfstandig strafbaar zijn gesteld. Te denken valt aan het onzeker maken van de afstamming van een kind, doordat adoptiefouders een pasgeboren baby in strijd met de waarheid als hun eigen biologische kind aangeven (de zogeheten verduistering van staat; artikel 236 Sr).

Bij mensenhandel met het oog op uitbuiting van illegale adoptie richt het vereiste oogmerk zich op het uitbuiten van de biologische ouders of personen met ouderlijk gezag dan wel het kind. Deze vorm van mensenhandel jegens biologische ouders is bijvoorbeeld aan de orde in de situatie waarin personen die bemiddelen bij de totstandkoming van adoptie uit winstbejag misbruik maken van een kwetsbare positie waarin de biologische ouders verkeren – bijvoorbeeld vanwege hun zwakke financiële positie of de situatie dat zij illegaal in een land verblijven – om hen ertoe te brengen hun kind af te staan. Voor het bewijs van het oogmerk van uitbuiting is onvoldoende dat er in het algemeen wetenschap is van «misleidende praktijken». Het oogmerkvereiste houdt als ondergrens in dat het handelen van de dader, naar deze moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hem gewild gevolg meebracht dat een concreet persoon werd of zou kunnen worden uitgebuit.15

Tot slot

Op basis van de hiervoor gegeven toelichting – die hiermee expliciet onderdeel is geworden van de parlementaire behandeling van dit wetsvoorstel – verwacht ik dat de rechtspraktijk voldoende houvast wordt gegeven om ook bij de genoemde drie specifieke uitbuitingsvormen op een goede wijze toepassing te geven aan de strafbaarstelling van mensenhandel, zodat ook in die situaties daders kunnen worden bestraft en slachtoffers op adequate wijze kunnen worden beschermd. Daarmee hoop ik de onderliggende zorg van uw Kamer te hebben kunnen wegnemen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23.

X Noot
3

Uitbuiting bij draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie, opgenomen in artikel 273f lid 5 onder respectievelijk f, g en h.

X Noot
4

Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel (36 835)

X Noot
5

Nieuwsbericht Nationaal Rapporteur over aangenomen wetsvoorstel mensenhandel: «Een stap vooruit, maar geen vereenvoudiging» d.d. 4 juli 2025.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23.

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 4, p. 3–4 (nader rapport) in verbinding met nr. 3, p. 4–6 (memorie van toelichting).

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 547, E, p. 8.

X Noot
9

Zie in aanvulling op de hiervoor genoemde parlementaire stukken, ook de nota naar aanleiding van het verslag, die op 18 maart 2026 bij de Tweede Kamer is ingediend: Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 6, p. 13–17.

X Noot
10

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 52–53.

X Noot
11

Vgl. o.a. Kamerstukken II 2010/11, 32 840, nr. 3, p. 5–7 en Kamerstukken II 2014/15, 34 039, nr. 3, p. 3–5.

X Noot
12

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 12–17 en Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.

X Noot
13

Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI709.

X Noot
14

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 54.

X Noot
15

Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 6–7.


X Noot
1

Samenstelling:

Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (Fractie-Van Gasteren), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Lievense (BBB), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23.

X Noot
3

Uitbuiting bij draagmoederschap, gedwongen huwelijken en illegale adoptie, opgenomen in artikel 273f lid 5 onder respectievelijk f, g en h.

X Noot
4

Implementatiewet herziene Europese richtlijn mensenhandel (36 835)

X Noot
5

Nieuwsbericht Nationaal Rapporteur over aangenomen wetsvoorstel mensenhandel: «Een stap vooruit, maar geen vereenvoudiging» d.d. 4 juli 2025.

X Noot
6

Kamerstukken II 2024/25, 36 547, nr. 23.

X Noot
7

Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 4, p. 3–4 (nader rapport) in verbinding met nr. 3, p. 4–6 (memorie van toelichting).

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 547, E, p. 8.

X Noot
9

Zie in aanvulling op de hiervoor genoemde parlementaire stukken, ook de nota naar aanleiding van het verslag, die op 18 maart 2026 bij de Tweede Kamer is ingediend: Kamerstukken II 2025/26, 36 835, nr. 6, p. 13–17.

X Noot
10

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 52–53.

X Noot
11

Vgl. o.a. Kamerstukken II 2010/11, 32 840, nr. 3, p. 5–7 en Kamerstukken II 2014/15, 34 039, nr. 3, p. 3–5.

X Noot
12

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 12–17 en Hoge Raad 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.

X Noot
13

Hoge Raad 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI709.

X Noot
14

Vgl. Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 54.

X Noot
15

Kamerstukken II 2023/24, 36 547, nr. 3, p. 6–7.

Naar boven