Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36530 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36530 nr. C |
Ontvangen 7 april 2026
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de schriftelijke inbreng bij het wetsvoorstel onderwijsondersteuning zieke leerlingen. De regering is de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66 en de PVV, alsmede Volt en ChristenUnie erkentelijk voor de belangstelling en de gestelde vragen. Hierna reageert de regering op de door de fracties gestelde vragen. Deze nota naar aanleiding van het verslag volgt zoveel mogelijk de indeling van het verslag.
Beantwoording vragen van de leden van de fractie GroenLinks-PvdA
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel, meer in het bijzonder de leden 5 en 6 van Artikel 7.1.4.1 De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA steunen de daarin genoemde uitbreiding van de toepassing van de wet naar ziekte door psychische klachten, maar hebben hierover nog enkele vragen.
De nieuwe wet biedt de mogelijkheid dat in de toekomst bij algemene maatregel van bestuur ook studenten met psychische klachten onder de wet vallen. Op welke manier, op grond van welke criteria en op wiens autoriteit wordt dit bepaald? Op welke wijze wordt er over deze uitbreiding gecommuniceerd?
Kan de regering aangeven wat dit voor de uitvoering van de wet gaat betekenen? Kan de regering hiervoor verschillende scenario’s schetsen?
Hoe gaan de landelijke stichting en de betrokken organisaties zich voorbereiden op deze uitbreiding van hun taak? Op welke manier gaan zij expertise opbouwen en betrekken? Heeft de regering een inschatting gemaakt van de menskracht die dit gaat vragen?
Wat betekent deze uitbreiding in de toekomst voor het budget van de landelijke stichting die dit voor haar rekening moet nemen? Zijn hiervoor verschillende scenario’s doorgerekend?
De regering herkent het belang van een zorgvuldige afweging over de taak en doelgroep van de stichting en eventuele uitbreiding daarvan. Daarbij is de primaire focus van de regering de komende tijd gericht op de overgang naar een nieuwe organisatiestructuur van onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen (ozl) als zodanig, indien de Eerste Kamer het wetsvoorstel aanneemt. Tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel is ook het belang van een zorgvuldige transitiefase en behoud van kennis en expertise nogmaals benadrukt. In de eerste fase van de overgang naar de nieuwe stichting blijft de doelgroep daarom sowieso beperkt tot de huidige ozl-doelgroep. Dat betekent dat het werk van de stichting alleen gericht zal zijn op de ondersteuning van scholen en instellingen met leerlingen en studenten die door een ziekte, die zich uit in lichamelijke klachten, tijdelijk niet of tijdelijk niet volledig in staat zijn deel te nemen aan het onderwijs.
Op dit moment beschikken de ozl-consulenten niet over de benodigde expertise om scholen bij het bieden van onderwijs aan de groep leerlingen en studenten met ziekte die zich uit in psychische klachten afdoende te kunnen ondersteunen. Als duidelijk wordt dat de oorzaak van een ziekte van psychische of psychiatrische aard is, wordt in de huidige praktijk daarom (buiten de ozl-systematiek om) door scholen, samenwerkingsverbanden of ouders een professional aangezocht die beschikt over de juiste expertise om de betreffende jongere te kunnen ondersteunen.
Vanuit verschillende fracties is tijdens de plenaire behandeling in de Tweede Kamer aandacht gevraagd voor het belang van psychisch zieke leerlingen, onder meer via het aangenomen amendement van de leden Westerveld en Ceder dat de mogelijkheid biedt tot uitbreiding van ozl naar deze doelgroep.2 Zoals in de toelichting op dit amendement terecht staat vermeld, kost het tijd om de expertise van de stichting uit te breiden richting andere doelgroepen. Dat heeft ook budgettaire consequenties. Feit is dat dit niet van vandaag op morgen is geregeld. Met dit amendement wordt de mogelijkheid hiertoe nadrukkelijk opengehouden. Nader onderzoek is volgens de regering nodig naar de wijze waarop psychisch zieke leerlingen en studenten, en de scholen en instellingen waar zij staan ingeschreven, het best kunnen worden ondersteund. Bovendien is het ook van belang om scherp in beeld te krijgen ten behoeve van welke groep leerlingen en studenten de door de stichting geboden ondersteuning daadwerkelijk van meerwaarde zou zijn.
De bovengenoemde vraagstukken zullen vanaf 2027 worden onderzocht – ook in samenspraak met de stichting Ziezon – en worden meegenomen in het kader van de wetsevaluatie die de regering binnen drie jaar aan de Staten-Generaal zal toezenden. De informatie die dat oplevert, zal vervolgens worden gebruikt bij het maken van een goede afweging over de wijze waarop een algemene maatregel van bestuur (AMvB) zou kunnen worden vormgegeven. Omdat de uitgangspunten op dat punt nu nog niet bekend zijn, kan de regering nog geen inzicht geven in de wijze waarop expertise zal moeten worden opgebouwd, over de capaciteit of over het bijbehorende budget dat hiervoor nodig is. De regering neemt deze terechte aandachtspunten van de leden daarbij uiteraard graag mee. Verder zullen ook afwegingen over de wijze waarop de doelgroep wordt uitgebreid en de betekenis daarvan voor het werk van de consulenten uiteraard in nauwe samenspraak met de stichting plaatsvinden, met het oog op de uitvoerbaarheid. De regering zal beide Kamers der Staten-Generaal over bovenstaande aspecten informeren, alvorens een AMvB tot stand te brengen.
Daarnaast hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA nog enkele andere vragen.
De nieuwe wet kent een uitbreiding van de reikwijdte, en beoogt flexibiliteit. Kan de regering inzichtelijk maken welke scenario’s zijn doorgerekend om te beoordelen of het beschikbare budget van € 10,4 miljoen per jaar toereikend is voor deze duurzame flexibiliteit, ook op de middellange termijn?
De leden wijzen terecht op het belang dat het beschikbare budget voor ozl toereikend is, niet alleen als het wetsvoorstel in werking treedt, maar ook daarna. Met de nieuwe stichting komen structureel extra middelen voor ozl beschikbaar – zodat de stichting haar taak naar behoren kan uitvoeren. Omdat er sinds de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer onder andere loonontwikkelingen zijn geweest, heeft de regering de begroting nader geanalyseerd, geactualiseerd en aanzienlijk verhoogd. In 2024 is € 8,2 miljoen subsidie verstrekt aan de onderwijsadviesbureaus (oab’s) en umc’s en na de aanwijzing van de stichting wordt dit € 10,4 miljoen per jaar.
De ophoging van het budget heeft niet alleen te maken met de loonontwikkeling van de cao primair onderwijs waar de consulenten onder komen te vallen, maar ook met de uitbreiding van de doelgroep met een deel van de mbo- en vavo-studenten. Daarnaast krijgt de stichting tot taak om een expertisefunctie voor het ondersteunen van het bevoegd gezag van scholen en mbo-instellingen bij het onderwijs aan zieke leerlingen en studenten te vervullen. Om deze reden maken de middelen die momenteel voor expertise- en kennisdeling op het gebied van ozl worden uitgekeerd, deel uit van het budget van de nieuwe stichting. Dat betreft de € 160.000 die nu wordt uitgekeerd aan Onderwijsontwikkeling Nederland voor ondersteuning van het het netwerk van de consulenten ozl (netwerk Ziezon). Het budget van € 10,4 miljoen is structureel beschikbaar.
Ook zal de Minister van OCW ieder jaar het gesprek voeren over wat de stichting nodig heeft om aan de wettelijke taken te voldoen. Op dat moment wordt ook gekeken of het nodig is de subsidie te verhogen. Dit wordt op dezelfde manier al toegepast bij bijvoorbeeld de subsidies aan SLO en Stichting CITO.
Wanneer de huidige taken van de stichting in de toekomst worden uitgebreid, zoals door een uitbreiding van de doelgroep met leerlingen met een psychische ziekte, wordt er op basis van scenario’s uiteraard bezien welke middelen hiervoor nodig zijn.
Welke waarborgen heeft de regering dat de afbakening met, en de overgang naar passend onderwijs voldoende duidelijk en helder omschreven is, zoals één van de zorgen van de Inspectie van het Onderwijs luidt?3
Ieder kind heeft recht op goede ondersteuning en scholen hebben daartoe een zorgplicht in het kader van passend onderwijs. De onderwijsondersteuning zieke leerling (ozl) is de ondersteuning aan de school in het geval dat een kind ziek wordt. Deze beide vormen kunnen los van elkaar, tegelijkertijd en volgtijdelijk nodig zijn.
Het betreft verschillende instrumenten van ondersteuning, die op het niveau van de leerling (passend onderwijs) en dat van de school (ozl), kunnen worden ingezet als een leerling ziek is of ziek wordt. De afbakening tussen passend onderwijs en ozl is daarmee duidelijk. Ozl heeft immers een andere adressant dan passend onderwijs, namelijk de school en niet de leerling. Het wetsvoorstel ozl verandert niets aan het stelsel passend onderwijs en de zorgplicht van scholen bij zieke leerlingen.
In het kader van passend onderwijs heeft de school een zorgplicht als een leerling ondersteuning nodig heeft bij het onderwijs. Dat betekent dat ook als een leerling langdurig ziek is of wordt, in deze ondersteuning moet worden voorzien door de school of het samenwerkingsverband vanuit de ondersteuningsmiddelen passend onderwijs. De leerling moet dan een passend ondersteuningsaanbod binnen het regulier onderwijs krijgen of worden doorverwezen naar een school voor (voortgezet) speciaal onderwijs voor langdurig zieke leerlingen.
De onderwijsondersteuning in het kader van zieke leerlingen – waar dit wetsvoorstel op ziet – is daarop een aanvulling en helpt scholen om goed te voldoen aan de bovengenoemde zorgplicht. Het is een voorziening voor scholen die plotseling te maken krijgen met een zieke leerling. Ozl richt zich op de ondersteuning van de school, doorgaans in de beginperiode dat een leerling ziek wordt, om het onderwijsproces zo goed als mogelijk te kunnen laten doorgaan.
Zoals gezegd kunnen de ondersteuning van de leerling in het kader van passend onderwijs en ozl, in de praktijk naast elkaar, gelijktijdig en volgtijdelijk worden aangeboden. Een leerling kan bijvoorbeeld al bij de start van de schoolloopbaan een chronische ziekte hebben en door de school bij het onderwijsproces moeten worden ondersteund. Mocht de school moeite hebben om in aanpassingen en ondersteuning te voorzien, bijvoorbeeld als de school geen ervaring heeft met een leerling met een bepaald ziektebeeld, dan kan ozl daarbij helpen. Ook als de leerling is hersteld, maar de behandeling een blijvend effect heeft op de leerling, kan de consulent de school ondersteunen om hiermee om te gaan.
Mocht de ondersteuning van passend onderwijs volgtijdelijk op ozl nodig zijn, dan kan een ozl-consulent dit aan de school melden. De school heeft en houdt namelijk in het kader van de zorgplicht de verantwoordelijkheid om dit aan te bieden. Als passend onderwijs volgtijdelijk op ozl wordt ingezet is een goede overdracht belangrijk. Vanwege de regionale uitvoering van ozl, die ook in de nieuwe situatie vanaf de inwerkingtreding van het wetsvoorstel (per naar verwachting 1 januari 2027) geborgd is, blijven de huidige wijze van overdracht en samenwerking behouden.
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA hebben vernomen dat er in de samenleving zorgen leven over behoud van kennis, expertise van huidige onderwijsconsulenten, met name degenen met een dubbelfunctie, en van de netwerken van laagdrempelige multidisciplinaire samenwerking. Hoe worden deze functies en deze vorm van samenwerking structureel geborgd in de nieuwe uitvoeringsstructuur?
De leden wijzen terecht op het belang van het behoud van kennis en expertise van consulenten ozl en de regering wil de zorgen hierover wegnemen. Consulenten ozl zijn zeer gemotiveerd voor dit werk en de overgrote meerderheid zal bij de stichting zijn werk voortzetten. De betrokkenheid van medewerkers blijkt ook in de maandelijkse klankbordgroep die vanuit het Ministerie van OCW wordt georganiseerd met een medewerkersvertegenwoordiging vanuit alle betrokken organisaties.
Bij het overgrote deel van de medewerkers (circa 85 procent) is er sprake van overgang van onderneming. Deze medewerkers, inclusief hun rechten en plichten, gaan van rechtswege mee naar de stichting. Dit zorgt voor continuïteit van de arbeidsrelaties. De nieuwe werkgever neemt als het ware de plaats van de oude in, en afspraken zoals salaris, vakantiedagen en dienstjaren blijven intact. Dit is geregeld in de Wet overgang van onderneming (artikel 7:662 e.v. BW) om werknemers te beschermen.
Ook de medewerkers, voor wie geen sprake is van overgang van onderneming, kunnen in dienst komen bij de stichting. Ze krijgen een aanbod voor een arbeidsovereenkomst bij de stichting op basis van de cao po. Uit de arbeidsvoorwaardenvergelijking die in opdracht van de regering door het CAOP is uitgevoerd tussen de vijf cao’s waar consulenten nu onder vallen en de cao po, blijkt dat de cao po gunstig is. Verwacht wordt dat een deel van de groep medewerkers die niet onder overgang van onderneming valt, kiest voor een arbeidsovereenkomst bij de stichting, waardoor ook hun expertise behouden blijft. Een aantal consulenten doen het ozl-werk nu als taak in een breder takenpakket (medewerkers met een «dubbelfunctie»). De stichting kan kleinere deeltijd-arbeidsovereenkomsten aanbieden, waarmee deze medewerkers zowel bij hun huidige werkgever in dienst kunnen blijven als voor de stichting kunnen gaan werken. Daarmee blijft hun expertise voor ozl behouden, net als de netwerken van laagdrempelige multidisciplinaire samenwerking. Het is ook mogelijk dat een medewerker met een dubbelfunctie volledig in dienst blijft van diens huidige organisatie en dat er een detacheringscontract wordt gesloten met de stichting (dit is btw-plichtig en daarmee kostbaar).
De leden van deze fractie vragen zich af of de centralisering van de verantwoordelijkheid mogelijk als onvoorzien en onbedoeld bijeffect zou kunnen hebben dat goed functionerende regionale netwerken door de nieuwe wet niet meer in positie zijn om laagdrempelig en toegankelijk maatwerk te bieden aan zieke kinderen. Welke instrumenten heeft de regering ter beschikking om goed functionerende netwerkstructuren en regionale initiatieven en expertise te waarborgen onder de nieuwe wet?
De regering vindt het net als de leden van groot belang dat regionale netwerken in stand blijven. De borging hiervan heeft de aandacht in de voorbereiding van de transitie naar de nieuwe stichting. De netwerken zijn primair verbonden aan de medewerkers die nu ozl uitvoeren, de contacten die zij hebben en de netwerkpartners die zij kennen. Voor iedere regio brengt de regering in kaart wat nodig is om de netwerken goed te borgen, in de voorbereiding van het implementatieplan. Dat medewerkers ozl hun werk kunnen voortzetten bij de nieuwe stichting, in de regio waarin zij nu ook werken, is daarin een belangrijk uitgangspunt. Ook de vrijwilligersnetwerken die in diverse regio’s bestaan, zullen behouden blijven en bij de implementatie geborgd worden. Uit een brief aan de Tweede Kamer namens 78 vrijwilligers d.d. 25 november 2025 blijkt dat zij een landelijke stichting voor ozl als een positieve ontwikkeling zien.
Beantwoording vragen van de leden van de fractie D66
De leden van de fractie van D66 stellen zich op het standpunt dat alle kinderen, ziek en gezond, moeten kunnen leren op een manier die bij hen past. Het belang van zieke leerlingen staat voor de leden van de fractie van D66 voorop bij de voorgestelde structuurwijziging. Zij hebben daarom nog enkele vragen.
De leden van de fractie van D66 merken op dat dit wetsvoorstel een lange aanloop kent: al in 2016 is er onderzoek gedaan naar de toekomstbestendigheid van de systematiek en sindsdien is de wijziging, in overleg met betrokken partijen, vormgegeven. De systematiek van de nieuwe stichting moet ingaan op 1 januari 2027. Welke stappen worden er op welke momenten gezet door de regering en de op te richten stichting, in aanloop naar 1 januari 2027 en in de transitieperiode daarna? In de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer schrijft de regering een aantal keer over een «kwartiermaker», tevens beoogd directeur-bestuurder van de stichting.4 Wat is de rol van deze kwartiermaker in de overgang naar de nieuwe systematiek?
De totstandkoming van de stichting is inderdaad een al lang lopend en zorgvuldig proces, waarbij veel partijen betrokken zijn. Een transitie vanuit achttien organisaties met vijf cao’s, verschillende ondersteunende systemen alsmede verschillen in rolinvulling en werkwijzen naar één nieuwe organisatie, vraagt om een tijdige en grondige voorbereiding in samenspraak met alle betrokken partijen. Reeds in 2021 zijn de eerste voorbereidingen hiervoor van start gegaan en in 2025 zijn hierin ook al veel stappen gezet. Naarmate de startdatum dichterbij komt, wordt het steeds concreter.
Mijlpalen in het oprichtingsproces zijn:
1. De benoeming van de raad van toezicht.
Status: Het proces van selectie van de voorzitter en leden van de raad van toezicht is op dit moment gaande (onder het voorbehoud van afronding van het parlementaire proces).
2. Voorhangprocedure voornemen tot oprichting van de stichting.
Op grond van artikel 4.7, eerste en tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016, zullen beide Kamers der Staten-Generaal per brief worden geïnformeerd over het voornemen om de stichting in de eerste helft van 2026 te doen oprichten. Daarbij zullen de concept-statuten worden aangehecht.
3. Het passeren van de oprichtingsakte bij de notaris.
Status: Na afronding van de voorhang zal de stichting doen worden opgericht door de Staat der Nederlanden bij de notaris.5
4. Benoeming van een directeur-bestuurder door de raad van toezicht.
Status: Het profiel van de directeur-bestuurder is opgesteld, op basis waarvan de werving en selectie van de directeur-bestuurder plaats kan gaan vinden (benoeming vindt niet eerder plaats dan na afronding van het parlementaire proces).
De directeur-bestuurder zal na benoeming (planning: juli 2026) de rol van kwartiermaker hebben; na oprichting is de stichting verantwoordelijk voor de goede ontvangst van de medewerkers en de realisatie van alle randvoorwaarden die noodzakelijk zijn voor de start van de organisatie. Maar gezien de al eerdergenoemde complexiteit en de doorlooptijden die ermee gemoeid zijn, is de kwartiermakersfase feitelijk al geruime tijd gestart, onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW en in nauw overleg met alle betrokken organisaties. Dat heeft geleid tot onder meer:
• een organisatie- en formatierapport van stichting Ziezon, waarin de structuur en functies binnen de stichting beschreven zijn, in relatie tot de wettelijke opdracht van de organisatie,
• voorbereiding van het proces van personele overgang, uiteraard met arbeidsrechtelijke waarborgen,
• arbeidsvoorwaardenvergelijkingen tussen de huidige cao’s en de cao po,
• uitgewerkte communicatie en informatie over alle arbeidsvoorwaardelijke zaken en personele transitie voor alle betrokken medewerkers,
• een opdracht aan een gespecialiseerd organisatieadviesbureau tot het opstellen van een integraal implementatieplan voor de regionale borging en de PIOFACH6, inclusief een planning gericht op de start per 1 januari 2027. Kernopgave daarin is dat de onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen per 1 januari 2027 ononderbroken doorgaat.
Na de inwerkingtreding van de Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen (ozl) zal de Stichting Ziezon per besluit door de Minister van OCW worden aangewezen als rechtspersoon met de wettelijke taak conform artikel 3c van de Wet SLOA 2013.
Er zijn tijdens de behandeling in de Tweede Kamer veel zorgen geuit over de regionale inbedding van een landelijke stichting. Met de eerste nota van wijziging kreeg de stichting de wettelijke opdracht om een landelijk dekkende, regionale ondersteuningsstructuur aan te bieden.7 De invulling van die regionale ondersteuningsstructuur wordt overgelaten aan de stichting. Wordt het lokale maatwerk voor zieke leerlingen zo voldoende gewaarborgd, zo vragen de leden van D66. Hoe is het toezicht op de regionale inbedding en dekking geregeld? En hoe kunnen de regering en het parlement interveniëren als blijkt dat zieke leerlingen in bepaalde regio’s onvoldoende worden ondersteund? Hebben regering en parlement met deze structuurwijziging meer, minder, of dezelfde sturingsmogelijkheden als met de huidige structuur?
De regering heeft via de eerste nota van wijziging expliciet gemaakt dat de op te richten stichting die tot taak heeft om te ondersteunen bij het onderwijs aan zieke leerlingen een regionale ondersteuningsstructuur moet aanbieden met landelijke dekking. De regio-indeling is inderdaad aan de stichting zelf en zal niet door de regering worden ingevuld. Dit geeft ook flexibiliteit voor een andere indeling van regio’s, indien dit nodig is voor een optimaal ondersteuningsaanbod. Tegelijkertijd wordt van de stichting gevraagd om de regio-indeling op te nemen in de statuten ten behoeve van duidelijkheid en continuïteit. Aangezien de regering de stichting zal «doen oprichten» is zij ook betrokken bij de opstelling van deze statuten. Vooralsnog wordt daarin uitgegaan van de huidige regio-indeling van het netwerk Ziezon, waarbij alle organisaties die werken aan ozl zijn aangesloten. De nieuwe landelijke stichting zal dus uitgaan van dezelfde vijf regio’s (Noord-Oost, Noord-West, Midden, Zuid-West en Zuid-Oost). Bij de voorhangprocedure voor de nieuw op te richten stichting zullen de conceptstatuten ook met beide Kamers der Staten-Generaal worden gedeeld (zie ook de beantwoording van voorgaande vraag).
Na de oprichting van de stichting hebben de regering en het parlement meer en betere sturingsmogelijkheden op ozl dan met de huidige structuur. Op dit moment wordt namelijk gewerkt met versnipperde subsidies over veel organisaties die werken aan ozl (zowel oab’s als academische ziekenhuizen). Daardoor bleek het in aanloop naar en tijdens de behandeling van het wetsvoorstel al heel lastig voor de regering om actuele feiten en cijfers bij de verschillende organisaties naar boven te krijgen. Voor de betreffende organisaties is ozl vaak een beperkt deel van de totale werkzaamheden. Dit maakt het voor de regering en het parlement op dit moment lastig om grip te krijgen op de effectiviteit en efficiëntie van deze middelen. Dat zal na de structuurwijziging veranderen, aangezien er één landelijke organisatie verantwoordelijk zal worden, met een duidelijke opdracht en één budget.
Aangezien deze stichting zal worden gefinancierd op basis van de Wet SLOA 2013 zal er ook gebruik worden gemaakt van de hiermee verbonden sturingsinstrumenten. De inhoudelijke sturing vindt in de nieuwe situatie plaats door de Minister van OCW met betrekking tot de in dit wetsvoorstel neergelegde wettelijke taken, aan de hand van de subsidiebeschikking, een tweejaarlijkse kaderbrief aan de Tweede Kamer, en een jaarlijkse startbrief8 aan de stichting. Hierin zal ook het belang van een regionale uitvoering worden opgenomen, overeenkomstig de eerste nota van wijziging. In het kader van deze brieven vinden gesprekken plaats met de stichting. Die gesprekken zullen in ieder geval periodiek plaatsvinden, maar er kan, als er aanleiding toe is, ook ad hoc overleg plaatsvinden om eventueel bij te kunnen sturen in de taakuitoefening. De kwaliteit van de uitvoering van ozl maakt onderdeel uit van het jaarverslag en de vijfjaarlijkse evaluatie, op basis van vooraf bepaalde criteria. Dat zieke leerlingen in alle regio’s voldoende moeten worden ondersteund is een belangrijk criterium voor deze beoordeling.
Verder zullen de genoemde terechte aandachtspunten van de Kamerleden voor lokaal maatwerk voor zieke leerlingen en voldoende aanbod voor zieke leerlingen in alle regio’s voor zover mogelijk meegenomen worden in de monitoringsrapportage na een jaar en in ieder geval in de wetsevaluatie binnen drie jaar.
De doelgroep van de wet is een aantal keer uitgebreid: van leerlingen jonger dan 18 jaar, naar leerlingen en studenten zonder startkwalificatie jonger dan 23 jaar, naar leerlingen en studenten zonder startkwalificatie jonger dan 28 jaar, onder wie ook studenten van het Voortgezet Algemeen Volwassenen Onderwijs (vavo). Daarnaast is er met het gewijzigd amendement van de leden Ceder en Westerveld9 een hardheidsclausule geïntroduceerd, opdat de stichting kan besluiten van de leeftijdsgrens af te wijken en oudere studenten te ondersteunen. De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat zoveel mogelijk zieke leerlingen en studenten moeten worden ondersteund om zoveel mogelijk onderwijs te blijven volgen. De stichting moet wel voldoende mensen en middelen hebben om deze jongeren te ondersteunen. Kan de regering een berekening geven van het aantal fte’s en het geld dat er extra nodig is vanwege de uitbreiding van de doelgroep en de introductie van de hardheidsclausule? Blijkt uit deze berekening dat de begroting van € 10,4 miljoen nog steeds toereikend is?
Het budget van de stichting voorziet in de uitbreiding van de doelgroep naar mbo-studenten tot 23 jaar zonder startkwalificatie. In de periode waarin de Wet van school naar duurzaam werk werd voorbereid, is berekend dat de uit deze wet voortvloeiende uitbreiding van de doelgroep naar mbo-studenten tot 27 jaar zonder startkwalificatie opgevangen kon worden binnen dit budget van de stichting. Vervolgens heeft de regering bij de tweede nota van wijziging de doelgroep verder uitgebreid met de vavo-studenten tot 27 jaar zonder startkwalificatie.10 Deze uitbreiding betekent een toename van het aantal studenten waarvoor mbo-instellingen de stichting in kunnen schakelen met 0,3% van de totale doelgroep van de stichting (waarvan uiteindelijk slechts een klein deel ozl nodig heeft). De hiervoor benodigde extra capaciteit van de stichting bedraagt 0,2 fte. Hier is in de nieuwe situatie met genoemd budget voldoende capaciteit voor.
Met het gewijzigd amendement van de leden Ceder en Westerveld om een hardheidsclausule te introduceren, opdat de stichting kan besluiten ook ondersteuning te bieden aan mbo-instellingen voor een zieke student ouder dan 27 jaar (en zonder startkwalificatie), verruimt de potentiële doelgroep van studenten waarvoor mbo-instellingen ondersteuning van de stichting kunnen vragen. De extra capaciteit die dit van de stichting vraagt zal eveneens zeer beperkt zijn. Het aantal mbo- en vavo-studenten ouder dan 27 jaar en zonder startkwalificatie is namelijk gering. Bovendien gaat het binnen deze groep ook nog eens alleen om de studenten waarvoor toepassing van de leeftijdsgrens gelet op het belang van de student zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ook voor deze mogelijke verruiming van de doelgroep is er dus voldoende capaciteit en budget.
Hoe worden studenten die ouder zijn dan 27 en/of in het bezit zijn van een startkwalificatie (zoals oudere mbo-studenten of hbo- of wo-studenten) ondersteund als ze ziek worden? Kan de regering reflecteren op het nut en de noodzaak van het onderscheid tussen studenten die wel en niet onder de wet vallen? Wat zijn de gevolgen, financieel en anderszins, van een uitbreiding van de doelgroep van onderhavige wet naar alle mbo-studenten, en wat zijn de gevolgen van een uitbreiding naar alle studenten?
Studenten jonger dan 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben, lopen risico op voortijdig schoolverlaten. Het voorkomen van voortijdig schoolverlaten is en blijft een prioriteit van de regering, (bevoegde gezagen van) scholen, mbo-instellingen en gemeenten. De afbakening van de doelgroep sluit hier goed bij aan. Hiermee krijgen instellingen een extra steuntje in de rug om deze jongeren ook tijdens hun ziekte zo goed mogelijk bij het onderwijs te blijven betrekken om te voorkomen dat zij door ziekte uitvallen en geen diploma halen. Zonder startkwalificatie is de toegang tot de arbeidsmarkt te beperkt. De regering heeft er bewust voor gekozen om niet de gehele populatie mbo- en vavo-studenten onder de reikwijdte van het wetsvoorstel te laten vallen.
Deze keuze is ook vanuit een doelmatige inzet van overheidsmiddelen te rechtvaardigen. Als mbo-instellingen voor alle mbo- en vavo-studenten ongeacht leeftijd of in het bezit van een startkwalificatie een beroep mogen doen op ondersteuning door de stichting, groeit de mbo-doelgroep met circa 74%. In dat geval zou wél een ophoging van het budget van de stichting nodig zijn, waarvoor onvoldoende overheidsmiddelen zijn. Dit terwijl de ondersteuning van zieke studenten tot de verantwoordelijkheid van de mbo-instellingen behoort, ongeacht de leeftijd of vooropleiding van de student. De middelen hiervoor zitten in de lumpsum verdisconteerd.
Ook in het hbo en wo kunnen studenten vertraging oplopen door langdurig ziek zijn en afwezigheid. Het is belangrijk dat kennis en expertise aanwezig zijn voor onderwijsinstellingen, zodat zij deze studenten goed kunnen begeleiden en ondersteunen. In het hbo en wo worden onderwijsinstellingen hiervoor al ondersteund door het Expertisecentrum Inclusief Onderwijs (ECIO). ECIO ontvangt hiervoor subsidie van OCW. Deze organisatie is welbekend in het hbo en wo en daarom is niet overwogen om de dienstverlening van de stichting door te trekken naar het hbo en wo.
De Tweede Kamer heeft een aantal amendementen aangenomen. De leden van de fractie van D66 hebben vragen over de uitvoerbaarheid en uitvoering van deze amendementen. Met het gewijzigd amendement van de leden Westerveld en Ceder11 is een delegatiegrondslag in de wet opgenomen, waardoor bij algemene maatregel van bestuur de definitie van zieke leerling/student kan worden verruimd met een nader te bepalen ziekte die zich uit in psychische klachten. De leden van D66 onderschrijven de noodzaak om ook aan jongeren met psychische ziekten onderwijsondersteuning te geven, zeker gezien de blijvende daling in mentale gezondheid van kinderen en jongeren sinds de coronapandemie.12 Zij begrijpen ook dat het tijd en geld kost om de expertise van consulenten uit te breiden. Wat gaan de regering en de stichting doen om de ondersteuning aan psychisch zieke leerlingen en studenten daadwerkelijk aan te bieden, en op welke termijn?
De regering verwijst voor dit antwoord naar het antwoord op de eerste vraag van GroenLinks-PvdA. Zoals daarin aangegeven is eerst nog nader onderzoek nodig naar mogelijke uitbreiding van de doelgroep van ozl en de stichting. Het resultaat hiervan zal worden meegenomen bij de wetsevaluatie binnen drie jaar. Daarna zouden stappen kunnen worden gezet richting uitbreiding van de doelgroep en hierover zullen beide Kamers worden geïnformeerd.
Het amendement van het lid Ergin13 legt de mogelijkheid om onderwijs op afstand te volgen vast in de wet. Dit amendement is na de behandeling in de Tweede Kamer ingediend en dus niet besproken tijdens het debat in de Tweede Kamer, en is daarna ontraden door de regering. Wat zijn de gevolgen van dit amendement?
De regering acht het ongelukkig dat tijdens het debat in de Tweede Kamer geen mogelijkheid was tot beraadslaging over het amendement van het lid Ergin met de indiener. Het amendement regelt de optie van onderwijs op afstand voor zieke leerlingen. Dit betekent dat het bevoegd gezag, na overleg met de stichting die verantwoordelijk wordt voor ozl en met de betreffende leerling of ouders, kan besluiten om onderwijs op afstand te verzorgen. Deze verankering in de wet sluit aan bij de wijze waarop nu al op veel plaatsen wordt gewerkt in de praktijk. Bovendien wordt ook al op verschillende andere manieren gewerkt aan het aanbod van digitaal afstandsonderwijs voor een grotere groep leerlingen, inclusief de zieke leerlingen.
Met het Actieprogramma Digitale School stimuleert de regering dat scholen de kansen van digitaal afstandsonderwijs benutten voor kinderen die dat nodig hebben (onder wie zieke leerlingen). In dit kader wordt nu binnen een subsidieregeling door zestien coalities gewerkt aan het stimuleren van onderwijs op afstand. Verder gaat binnenkort ook een wetsvoorstel («maatwerk in het funderend onderwijs») in internetconsultatie, dat onder meer regels bevat over de inzet van afstandsonderwijs. De regering ontraadde het amendement, omdat zij het niet noodzakelijk en niet wenselijk achtte om dit nu, vooruitlopend op dat wetsvoorstel, wettelijk te regelen voor een specifiekere groep – zieke – leerlingen.14 Niet voor iedere zieke leerling is digitaal afstandsonderwijs de beste optie. Maar als dat wel het geval is, dan helpt de ozl-consulent nu reeds om digitaal afstandsonderwijs te organiseren. De regering achtte het niet nodig én onwenselijk om de wijze waarop ze dit faciliteren wettelijk vast te leggen. Evenwel ziet de regering door aanname van (dit deel van) het wetsvoorstel geen praktische of principiële problemen ontstaan, aangezien het aansluit bij staande praktijk en ontwikkelingen, en er beleids- en inrichtingsvrijheid blijft bij het bevoegd gezag en de stichting om al dan niet gebruik te maken van onderwijs op afstand. Het amendement maakt in die zin expliciet wat al reeds mogelijk is in de praktijk. Daarmee zijn de gevolgen van dit amendement ook beperkt.
Beantwoording vragen van de leden van de fractie van de PVV
De leden van de fractie van de PVV zijn van mening dat de bestaande regionale organisatiestructuur goed functioneert. Er bestaan korte lijntjes naar scholen, consulenten en zorginstanties zoals ziekenhuizen. Het wijzigen van deze regionale structuur naar een landelijke structuur is mogelijk risicovol voor de continuïteit van de ondersteuning van zieke leerlingen, aldus de leden van de PVV-fractie. Daarnaast hebben deze leden zorgen over aanzienlijke kostentoename van een dergelijke wijziging.
Kan de regering aangeven wat de meerwaarde is van deze wijziging en waarom deze landelijke centralisatie geen nadelige gevolgen heeft voor de efficiëntie, de toenemende bureaucratie en aanzienlijke extra kosten?
De meerwaarde van dit wetsvoorstel is erin gelegen dat alle zieke leerlingen, in welke regio ze zich ook bevinden op dezelfde wijze ondersteuning gaan krijgen. Het huidige stelsel is onvoldoende toekomstbestendig, flexibel en landelijk dekkend. Verder zal ozl in de toekomst efficiënter worden ingezet, en zal de bureaucratie juist verminderen.
Hieronder schetst de regering kortweg nogmaals de aanleiding, de noodzaak en de meerwaarde van het wetsvoorstel.
Er zijn verschillende aanleidingen om de huidige ondersteuningsstructuur voor zieke leerlingen aan te passen, die door het wetsvoorstel worden opgelost. De aanleiding is vooral gelegen in knelpunten in de gescheiden, versnipperde en rigide subsidiestromen en in wettelijke beperkingen. Dit alles heeft ertoe geleid dat de plaats waar een leerling woont of in het ziekenhuis ligt van invloed is op de ondersteuning die wordt geboden. Scholen en leerlingen lopen hierdoor soms zelfs ondersteuning mis. Verder is er als gevolg van het versnipperde stelsel nu niet één duidelijk loket voor ozl voor scholen, ouders en leerlingen.
Hieronder wordt het bovenstaande nader uitgelegd.
Te veel regionale verschillen: leerlingen krijgen niet overal hetzelfde.
• Een analyse van de subsidies en formaties wijst op een hoge overhead bij enkele oab’s. In de ene regio is sprake van één consulent op ongeveer 45.000 leerlingen, terwijl dit in een andere regio één consulent op 105.000 leerlingen is.
Huidige structuur is versnipperd en er ontbreekt een landelijk en herkenbaar loket.
• Het huidige stelsel is onvoldoende toekomstbestendig, flexibel en landelijk dekkend. De uitvoering van ozl is verspreid over 18 organisaties, terwijl het gaat om minder dan 70 fte. Dit leidt tot versnippering van expertise.
• Er is geen duidelijk, herkenbaar en toegankelijk aanspreekpunt voor scholen, ouders en leerlingen.
Wettelijke beperkingen perifeer ziekenhuis.
• Op dit moment kan er wettelijk gezien in perifere ziekenhuizen zoals het landelijk oncologisch kinderziekenhuis, het Prinses Máxima Centrum (PMC), geen educatieve voorziening worden ingericht. Vanwege de noodzaak is dit momenteel tijdelijk via het UMCU geregeld, maar dit is juridisch niet houdbaar.
Verouderde bekostigingssystematiek vanwege veranderde medische omstandigheden.
• De subsidies voor umc’s en oab’s zijn los van elkaar en verschillend geregeld.
• De subsidie die umc’s voor de educatieve voorziening ontvangen ligt wettelijk vast en is gebaseerd op oude cijfers (het aantal leerlingen dat in 1994–1995 was opgenomen).
• Inmiddels verblijven er door medische vooruitgang minder leerlingen in ziekenhuizen en herstellen zij vaker thuis, waardoor de ondersteuning vaker bij de oab’s komt te liggen.
• Ook is sprake geweest van verschuivingen in het zorglandschap, zoals de centralisatie van behandelingen in umc’s, waardoor de verdeling van subsidies tussen de umc’s niet meer klopt.
• De verdeling van de ozl-middelen sluit dus niet meer aan op de huidige praktijk.
• Door de wettelijke beperking kunnen middelen echter niet worden herverdeeld wanneer de ondersteuningsbehoefte verschuift. Omdat wijzigingen in de verdeling alleen via wetswijziging mogelijk zijn, is het systeem ondoelmatig en inflexibel.
Oneerlijke concurrentie.
• Op dit moment kan wettelijk gezien slechts een deel van de oab’s een subsidie ontvangen. Uit de wet volgt namelijk dat het moet gaan om een voormalige schoolbegeleidingsdienst. Er zijn echter inmiddels veel meer oab’s en zzp’ers die deze ondersteuning kunnen bieden.
• Dit heeft geleid tot oneerlijke concurrentie tussen organisaties op een zakelijke markt, wat niet past bij een publieke taak.
Risico’s continuïteit, kwaliteit en beschikbaarheid vanwege fusies en faillissementen.
• Na 2006 vonden veel fusies en faillissementen plaats, waardoor het aantal oab’s van 21 in 2012 naar het huidige aantal van 9 in 2016–2017 daalde.
• Bij fusies of faillissementen werd de dienstverlening wel overgedragen, maar zulke overdrachten brengen altijd risico’s mee voor de kwaliteit, continuïteit en beschikbaarheid van de ondersteuning.
• Ook is er niet overal meer sprake van een logische geografische aansluiting tussen de oab’s die ozl leveren.
• Kortom: de situatie is verouderd en niet stabiel.
Onderscheid private-publieke middelen niet gegarandeerd.
• Bij verschillende oab’s vindt (in juridisch opzicht) ongewenste vermenging plaats van private en publieke middelen. Slechts twee oab’s hebben de scheiding van private en publieke middelen geborgd door ozl in zijn geheel onder te brengen in een aparte stichting voor ozl.
Rechtsongelijkheid tussen consulenten.
• De consulenten vallen op dit moment onder vijf verschillende cao’s, waardoor hun primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden onderling erg verschillen.
• Dit betekent rechtsongelijkheid tussen mensen die hetzelfde werk doen.
Met het wetsvoorstel worden bovengenoemde knelpunten opgelost, maar met behoud van de waardevolle elementen van de huidige situatie. De voorziening zelf blijft namelijk ongewijzigd, deze blijft laagdrempelig, kosteloos, kundig en snel beschikbaar voor alle scholen met zieke leerlingen, maar dan met een landelijke dekking en een regionale uitvoering. Met het meegaan van (een belangrijk deel van) de huidige consulenten blijft de kwaliteit gewaarborgd.
De ondersteuning zal verder in de toekomst herkenbaar en eenvoudiger vindbaar zijn, doordat er één organisatie verantwoordelijk is. De stichting kan – op basis van een helder beeld van wat er nodig is – sturen op het verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening en er voor zorgen dat het aanbod in iedere regio hetzelfde is. Tot slot kan er met de nieuwe bekostigingssystematiek door de Minister van OCW beter op de kwaliteit worden gestuurd.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, J.Z.C.M. Tielen
Artikel 7.1.4. lid 5. «In dit artikel wordt onder zieke student verstaan: student of vavo-student die door ziekte die zich uit in lichamelijke klachten tijdelijk niet of tijdelijk niet volledig in staat is deel te nemen aan het beroepsonderwijs of aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs».
Artikel 7.1.4. lid 6.»Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in dit artikel onder zieke student mede wordt verstaan: student of vavo-student die door een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen ziekte die zich uit in psychische klachten, tijdelijk niet of tijdelijk niet volledig in staat is deel te nemen aan het beroepsonderwijs of aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs».
PIOFACH staat voor de ondersteunende bedrijfsvoeringsprocessen binnen een organisatie (Personeel, Informatievoorziening, Organisatie, Financiën, Automatisering / Administratieve organisatie, Communicatie en Huisvesting).
Artikel 7.1.4. lid 5. «In dit artikel wordt onder zieke student verstaan: student of vavo-student die door ziekte die zich uit in lichamelijke klachten tijdelijk niet of tijdelijk niet volledig in staat is deel te nemen aan het beroepsonderwijs of aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs».
Artikel 7.1.4. lid 6.»Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in dit artikel onder zieke student mede wordt verstaan: student of vavo-student die door een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen ziekte die zich uit in psychische klachten, tijdelijk niet of tijdelijk niet volledig in staat is deel te nemen aan het beroepsonderwijs of aan een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs».
PIOFACH staat voor de ondersteunende bedrijfsvoeringsprocessen binnen een organisatie (Personeel, Informatievoorziening, Organisatie, Financiën, Automatisering / Administratieve organisatie, Communicatie en Huisvesting).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36530-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.