Aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 15 maart 2024
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad hebben de Kamer
geadviseerd tot het instellen van een parlementair behandelvoorbehoud, zoals bedoeld
in artikel 4 van de goedkeuringswet van het Verdrag van Lissabon, bij het voorstel
voor een Richtlijn tot vaststelling van minimumvoorschriften ter voorkoming en bestrijding
van mensensmokkel COM(2023)755. Hiertoe heeft de Kamer besloten.
De Europese Commissie beoogt met het voorstel het juridische raamwerk voor het tegengaan
van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf
(ook wel mensensmokkel) te moderniseren en te versterken. De specifieke doelstellingen
zijn:
-
1) doeltreffend onderzoek, vervolging en bestraffing van georganiseerde criminele netwerken
die verantwoordelijk zijn voor mensensmokkel te bewerkstelligen middels een duidelijkere
definitie van het mensensmokkeldelict;
-
2) tot meer geharmoniseerde straffen te komen, die rekening houden met de ernst van het
delict;
-
3) de reikwijdte van wanneer rechtsmacht over een begaan delict bestaat te verbeteren;
-
4) de middelen van lidstaten te versterken om mensensmokkel aan te pakken en te voorkomen,
en
-
5) gegevensverzameling en rapportage te verbeteren.
Het voorstel beoogt dan ook de huidige richtlijn en het kaderbesluit uit 2002 in relatie
tot mensensmokkel te vervangen.
Namens de Kamer verzoek ik u een parlementair behandelvoorbehoud te maken. Verder
verzoek ik u geen onomkeerbare stappen te zetten in de onderhandelingen over het betreffende
voorstel totdat de commissie Immigratie en Asiel/JBZ-Raad een mondeling overleg met
u heeft kunnen voeren.
Ter motivering van het verzoek tot het maken van een parlementair behandelvoorbehoud
en de behoefte om in het bijzonder nader te worden geïnformeerd wordt het volgende
opgemerkt ten aanzien van het politiek belang.
In afgelopen jaren is een aantal lidstaten overgegaan tot strafrechtelijk vervolgen
van humanitaire hulporganisaties en humanitaire hulpverleners aan vluchtelingen. De
Kamer erkent het belang van het ondermijnen van het verdienmodel van mensensmokkelaars,
ook middels het strafrecht, maar benadrukt tegelijkertijd dat de bescherming van kwetsbare
vluchtelingen en slachtoffers van mensensmokkel niet in het geding mag komen. Deze
bescherming wordt immers vaak geboden door hulpverleners en organisaties die vanuit
een humanitair oogpunt handelen, vooral in situaties waarin levensgevaar dreigt voor
vluchtelingen en migranten. De huidige, ruim geformuleerde artikelen van de richtlijn
lijken onvoldoende in het bieden van rechtsbescherming aan deze hulpverleners.
Daarom verzoekt de Kamer specifiek geïnformeerd te worden over de mogelijkheid van
het vrijstellen van strafrechtelijke sancties voor humanitaire hulp op grond van humanitaire
overwegingen. Dit verzoek betreft ook informatie over de relatie tot de implementatierichtlijn
uit 2020, evenals de uiteenlopende toepassingen van de richtlijn in verschillende
lidstaten wat betreft de strafbaarstelling van hulp aan irreguliere migranten, zowel
op het land als op zee. De Kamer wenst inzicht in de gevolgen van deze verschillende
benaderingen voor humanitaire hulpverleners in de lidstaten.
Bovendien verlangt de Kamer actieve informatievoorziening over de ontwikkelingen,
onderhandelingen en reacties van lidstaten met betrekking tot de ruim gedefinieerde
criteria in artikel 3 van het voorstel, zoals het «publiekelijk aanzetten» van onderdanen
van derde landen tot het betreden, doorreizen of verblijven binnen het grondgebied
van een lidstaat in strijd met relevante Uniewetten of de wetten van de betreffende
lidstaat betreffende de toegang, doorreis en het verblijf van onderdanen van derde
landen. Dezelfde grondige en actieve informatieverstrekking verzoekt de Kamer ook
met betrekking tot artikel 9, dat spreekt over «instrumentalisering» onder «verzwarende
omstandigheden».
De Eerste Kamer der Staten-Generaal spreekt de verwachting uit dat tijdens het mondeling
overleg op 26 maart afspraken gemaakt kunnen worden over de wijze van informatieverstrekking
gedurende de looptijd van de behandeling van dit richtlijnvoorstel.
Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal, J.A. Bruijn