36 501 Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (COM(2023)790)

B VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 13 mei 2024

De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken1 hebben in hun vergadering van 27 februari 2024 kennisgenomen van het gewijzigd voorstel voor een verordening betreffende een mechanisme voor de beslechting van juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context2 en het daarbij horende BNC-fiche3. De leden van de fractie van BBB en van de fracties van CDA, OPNL en Volt gezamenlijk hadden naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.

Naar aanleiding hiervan is op 19 maart 2024 een brief gestuurd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De Minister heeft op 6 mei 2024 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Europese Zaken, Van den Driessche

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR EUROPESE ZAKEN

Aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Den Haag, 19 maart 2024

De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken hebben in hun vergadering van 27 februari jl. met belangstelling kennisgenomen van het gewijzigd voorstel voor een verordening betreffende een mechanisme voor de beslechting van juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context4 en het daarbij horende BNC-fiche5. De leden van de fractie van BBB en van de fracties van CDA, OPNL en Volt gezamenlijk hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

De leden van de BBB-fractie bedanken u voor het aanleveren van de opstelling van de Nederlandse regering met betrekking tot dit Europees ontwerpplan. Deze leden zijn een groot voorstander van grensoverschrijdende samenwerking met onze Europese buren. Zij hechten veel waarde aan structurele samenwerkingen met zowel Oost-Friesland, Nedersaksen, Nordheim-Westfalen, Wallonië en Vlaanderen binnen de EU. Maar ook met het Verenigd Koninkrijk (VK) als onze goede buur buiten de EU. Niet alleen op economisch gebied, maar ook op het cultuur-historische vinden de leden van de BBB-fractie het zeer belangrijk dat bovengenoemde landen, deelstaten en provincies op goede voet blijven staan met Nederland. Met ons Koninkrijk in het geheel, maar ook met de grensprovincies in het bijzonder.

Deze leden hebben daarom met veel genoegen kennisgenomen van het voorstel van de Europese Commissie en de Nederlandse kijk op deze inbreng. De vragen van de leden van de BBB-fractie zijn niet zozeer inhoudelijk van aard, maar juist gericht op de Nederlandse zienswijze. Zij zijn vooral geïnteresseerd in de afwegingen van de Nederlandse regering die zijn meegenomen in het BNC-fiche. Voor de leden van de BBB-fractie staan zaken als minder bestuurslagen, minder administratieve lasten, minder overlegstructuren en juist meer uitvoering centraal. De vragen van deze leden zijn daarom gericht op de uitvoering en de totstandkoming van Nederlands beleid met betrekking tot dit onderwerp.

De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorstel van de Europese Commissie gericht is op het inbouwen van extra lagen en overlegorganen. Dit staat haaks op de partijpolitieke zienswijze van de BBB van minder overlegstructuren en meer slagkracht. Zij vragen u een reflectie te geven op hoe de regering denkt meer effectiviteit te behalen als het gaat om grensoverschrijdende samenwerking.

Het Europees voorstel voorziet een multilaterale aanpak als aanvulling op bestaande bilaterale samenwerking tussen EU-lidstaten. De zienswijze van de Europese Commissie is voor de leden van de BBB-fractie helder, namelijk meer samenwerkingen tussen alle EU-lidstaten. Deze leden vragen hierbij wel waarom er wordt ingezet op een multilaterale aanpak. Door een schijngelijkwaardigheid te creëren binnen de EU doen we als Nederland onszelf en onze buurlanden onrecht aan. De export van bijvoorbeeld Nederland naar Duitsland is niet hetzelfde als Malta naar ons buurland. Door het «gelijke monniken, gelijke kappen» principe toe te passen wordt de Nederlandse positie verzwakt, aldus de leden van de BBB-fractie. Zij vragen wat uw zienswijze is om de Nederlandse positie in Eu-ropa te versterken met onze buurlanden, zonder dat dit voorstel van de Europese Commissie zou zijn gekomen.

De leden van de BBB-fractie vragen u uiteen te zetten waarom Nederland meer in zou moeten zetten op multilaterale samenwerking. Wat weerhoudt Nederland ervan om in te zetten op nog sterkere bilaterale relaties met onze buurlanden, zonder mee te gaan met het opzetten van een nieuw Europees project dat mogelijk juist niet doet wat het belooft aan te pakken?

Vragen en opmerkingen van de fracties van CDA, OPNL en Volt gezamenlijk

De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt waarderen uw uitgebreide toelichting over dit voorstel. Deze leden zijn warme voorstanders van grensoverschrijdende samenwerking (GROS), omdat dit het leefklimaat in de grensregio’s positief bevordert en vele onderzoeken (zoals die in de Kansenatlassen zijn verwerkt) aantonen dat het wegnemen van grensbarrières zeer voordelig voor de economieën aan beide zijden van de grens uitpakt.

In het BNC-fiche wordt uitgebreid ingegaan op de overlegstructuren zoals die bestaan tussen Nederland (nationaal en regionaal) en Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen en Vlaanderen. Dit palet aan overleggen maakt de waarde van nieuwe instrumenten om conflicten aan de grens aan te pakken minder urgent, maar als uiterste escalatiemechanisme toch nuttig, aldus de leden van deze fracties.

Dat er zo’n grote verscheidenheid aan overlegstructuren bestaat (bij de start van de Grensagenda Nederland-NRW telde een ambtenaar in Limburg alleen al meer dan 180 overleggen tussen gemeenten, provincies, waterschappen, schoolbesturen, veiligheidsregio’s, zorgkoepels en dergelijke) heeft te maken met verschillende bevoegdheden en overheidsstructuren. Daarbij is het vinden van de juiste gesprekspartner (op de juiste «Augenhöhe») dikwijls een uitdaging, aldus de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt.

Samenhang verordening met andere EU-instrumenten

De eerste set vragen van de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt gaan over de tekst van de verordening zelf en de samenhang met andere EU-instrumenten. Hierbij geven de leden van deze fracties aan dat u deze vragen wellicht zelf kunt beantwoorden of in de discussies in de Raadswerkgroep kunt inbrengen.

Artikel 2 van de tekst van de verordening stelt dat het mechanisme niet van toepassing is op samenwerking die grensoverschrijdende problemen oplost met niet-EU landen. Daarentegen staat op pagina 4 wel dat EVA-landen en Andorra mee mogen doen. De leden van deze fracties vragen hoe deze schijnbare tegenstrijdigheid is te verklaren. Is dit voorstel aangemerkt als relevant voor de Europese Economische Ruimte? Zou het mogelijk zijn om ook een vergelijkbare samenwerking mogelijk te maken tussen een EU-lidstaat/EU-lidstaten en een derde land, bijvoorbeeld het VK? Dit zal natuurlijk op vrijwillige basis zijn.

De leden van deze fracties constateren dat in de definities de verordening wordt beperkt tot publieke/private infrastructuur en publieke diensten. Zij vragen waarom het mechanisme niet zou kunnen helpen bij grensoverschrijdende problemen bij private diensten als gevolg van divergerende nationale wetgevingsbepalingen. Hoe zit dat met grensoverschrijdend publiek en privaat vervoer?

Artikel 4 van de tekst van de verordening regelt het opzetten van een grensoverschrijdend contactpunt. Het is voor de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt niet duidelijk wat de compositie van zo’n contactpunt moet zijn. Zitten hier alleen publiekrechtelijke organisaties in? Welke rol kunnen wetenschappelijke en maatschappelijke organisaties in zo’n contactpunt spelen? Hoe zou u zelf vorm willen geven aan zo’n contactpunt? Denkt u dat kennis- en maatschappelijke organisaties in zo’n contactpunt een rol kunnen spelen?

De leden van deze fracties hadden in hoofdstuk II – Grensoverschrijdende coördinatiepunten (artikelen 4 en 5) ook een bepaling verwacht over de financiering van een contactpunt. Dat is niet het geval, maar wordt wel in de toelichting (pagina 4) genoemd. Zij vragen hoe het gebruik van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor dit doeleinde in de verordening zou kunnen worden verankerd. Waarom zou dit alleen uit de Interreg-middelen van het EFRO moeten komen en niet uit de algemene EFRO-middelen, als het betreffende land dat wenst? Zouden hiermee ook de bovengenoemde kennis- en maatschappelijke organisaties kunnen worden gefinancierd?

In de grensoverschrijdende samenwerking kent de Europese wetgeving ook de vorm van de Europese Groepering voor Territoriale Samenwerking (EGTS). In het grensgebied Nederland, Vlaanderen, Wallonië, Oost-België en Noordrijn-Westfalen kennen we bijvoorbeeld de EGTS Euregio Maas-Rijn. Een EGTS is volgens de leden van deze fracties in feite een grensoverschrijdende overheid, waar door lidstaten specifieke bevoegdheden aan kunnen worden gedelegeerd. Zij vragen of u kunt reflecteren op de mogelijkheid en wenselijkheid om meer EGTS-verbanden op te richten, bijvoorbeeld om de andere Euregio’s te versterken; dit uiteraard in het licht van mogelijke conflictoplossing.

Vragen en opmerkingen ten aanzien van de uitvoering van het voorstel

Ten aanzien van de mogelijke en eventuele uitvoering van de verordening in Nederland hebben de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt de volgende vragen.

U geeft in het BNC-fiche een positief oordeel over de verordening en daarover zijn de leden van deze fracties verheugd. Zij vragen welke wijzigingen u voornemens bent in te dienen in de lopende raadsdiscussie. Kunt u, nu of op een later tijdstip, aangeven of en welke politieke struikelblokken zich in de raad hebben opgeworpen?

U geeft aan dat het mechanisme goed past bij de al lopende samenwerking met Vlaanderen, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. U geeft ook aan dat Nederland al «grotendeels voldoet aan de verplichtingen die volgen uit het voorstel».6 De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen u aan te geven in welke mate het nieuwe mechanisme met de bestaande samenwerkingen overlapt en waar het verschilt.

De leden van deze fracties missen een overzicht of duiding van de grensrelaties met Wallonië (inclusief Oost-België). Nederland grenst immers ook aan deze deelstaat, en er zijn regelmatig thema’s waar beide partijen verschillend over denken. In de voorbije jaren betrof dat bijvoorbeeld de nachtvluchten op Bierset, de mogelijke komst van windmolens in de Voerstreek, de afvalverwerker in Oupeye, de mogelijke vergunning voor de zinkmijn in Plombières, de status van het Drielandenpark, de waterafvoer in het stroomgebied van de Maas enzovoort. De leden de fracties van CDA, OPNL en Volt snappen dat dit niet meteen onderwerpen betreft die onder de werking van het nieuwe EU-mechanisme cross-border coordination points (CBCP’s) zullen vallen, maar het zijn wel zaken waar overleg tussen overheden aan beide zijden van de grens aan de orde is, waar verschillend belangen bestaan, en waar dus ook de vraag gesteld kan worden of bestaande gremia voldoen, aldus de leden van deze fracties. Zij vragen u hier een reflectie op te geven.

Tussen Nederland en Vlaanderen bestaan vele overlegstructuren, ook op regionaal niveau. Het verschil in bevoegdheden van de regionale overheden aan beide zijden van de grens maken volgens de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt gestructureerd overleg soms gecompliceerd. Zo zorgt het feit dat Nederlandse provincies voor een aantal onderwerpen niet met Vlaamse provincies maar met de Vlaamse overheid moeten overleggen, terwijl die vaak de nationale Nederlandse regering als gesprekspartner ziet, voor onbegrip, zeker als die provincies juridische wegen bewandelen. De leden van deze fracties zijn van mening dat enige stroomlijning kan helpen. Het feit dat de figuur van de commissaris van de Koning (CdK), die zowel een Provinciale rol heeft als Rijksorgaan is, een positie in het grensoverschrijdend overleg heeft gekregen, vinden zij een goede ontwikkeling. De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen of u mogelijkheden ziet om deze positie nog verder te versterken (ambtsinstructie), mede omdat ook aan Vlaamse zijde de gouverneurs een coördinatierol hebben. En zou de CdK van Limburg een dergelijk rol ook naar de Luikse en Waalse overheden kunnen vervullen? Hoe denkt u over een mogelijk toetreden van de beide Limburgen tot de Vlaams Nederlandse Delta, waardoor er congruentie kan ontstaan met de bestuurlijke overleggen van het Interreg-programma Vlaanderen-Nederland en het meer informele GROS-overleg onder leiding van de Zeeuwse CdK?

Het mechanisme refereert ook aan samenwerking over maritieme grenzen heen. Bovenstaand hebben de leden van de fracties van CDA, Volt en OPNL al een vraag gesteld over de mogelijkheid om op vrijwillige basis met derde landen te werken. De leden van deze fracties vragen of u, onafhankelijk van de voorliggende verordening, van plan bent om ook met het VK een samenwerkingsakkoord te sluiten dat grensoverschrijdende problemen aanpakt. Zo ja, op welke termijn?

U geeft in het BNC fiche op pagina 9 aan dat er ruimte is om gemeenschappelijke CBCP’s op te zetten. De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen of u voornemens bent van deze mogelijkheid gebruik te maken.

De leden van de vaste commissie voor Europese Zaken zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk vier weken na dagtekening van deze brief.

De voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, E.B. van Apeldoorn

BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKSRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 6 mei 2024

Hierbij de beantwoording van de vragen die de fracties van BBB, CDA, OPNL en Volt mij op 19 maart jl. schriftelijk hebben gesteld naar aanleiding van het commissievoorstel COM(2023)790 en het bijbehorend BNC-fiche.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, H.M. de Jonge

Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie

Vraag 1

De leden van de BBB-fractie constateren dat het voorstel van de Europese Commissie gericht is op het inbouwen van extra lagen en overlegorganen. Dit staat haaks op de partijpolitieke zienswijze van de BBB van minder overlegstructuren en meer slagkracht. Zij vragen u een reflectie te geven op hoe de regering denkt meer effectiviteit te behalen als het gaat om grensoverschrijdende samenwerking.

Antwoord 1

Het voorstel van de Europese Commissie is gericht op het voorkomen van het opbouwen van extra lagen en overlegorganen, doordat in het voorstel ruimte wordt gelaten aan lidstaten om grensoverschrijdende coördinatiepunten (Cross-Border Coordination Points) in te passen in bestaande samenwerkingsverbanden. Op deze manier worden extra administratieve en juridische lasten beperkt ofwel geheel voorkomen. Het voorstel kan de effectiviteit van de grensoverschrijdende samenwerking vergroten, bijvoorbeeld door het bijhouden van een (centraal) register met ingediende grensbelemmeringen en het onderzoek naar en delen van oplossingen die werken met andere grensregio’s in de Europese Unie.

Vraag 2

Het Europees voorstel voorziet een multilaterale aanpak als aanvulling op bestaande bilaterale samenwerking tussen EU-lidstaten. De zienswijze van de Europese Commissie is voor de leden van de BBB-fractie helder, namelijk meer samenwerkingen tussen alle EU-lidstaten. Deze leden vragen hierbij wel waarom er wordt ingezet op een multilaterale aanpak.

Antwoord 2

De multilaterale aanpak kan waar nodig de aanpak van grensbelemmeringen versterken, vooral daar waar de samenwerking nog niet of minder intensief is. Een verordening van de Europese Unie, naast de bestaande bilaterale afspraken, kan helpen bij het meer effectief oplossen van knelpunten in onze grensregio’s.

Vraag 3

Zij vragen wat uw zienswijze is om de Nederlandse positie in Europa te versterken met onze buurlanden, zonder dat dit voorstel van de Europese Commissie zou zijn gekomen.

Antwoord 3

Vanuit het programma Regio’s aan de grens van BZK wordt gewerkt aan het bevorderen van de interbestuurlijke en grensoverschrijdende samenwerking met Vlaanderen, Nedersaksen en Noordrijn-Westfalen. Hierbij ligt de focus op het verzilveren van kansen en het aanpakken van grensbelemmeringen. Tussen Nederland en Vlaanderen werd dit jaar nog gestart met het Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen – Nederland, waarvan de taken en doelstelling goeddeels overeenkomen met die van de door de Commissie voorgestelde grensoverschrijdende coördinatiepunten. De manier waarop wij samenwerken met de buurlanden is dus al een goed voorbeeld van dat wat de Commissie voorstelt. Dus ook als het voorstel van de Commissie niet wordt aangenomen, blijven we werken aan een goede bilaterale aanpak van grensoverschrijdende vraagstukken.

Vraag 4

De leden van de BBB-fractie vragen u uiteen te zetten waarom Nederland meer in zou moeten zetten op multilaterale samenwerking.

Antwoord 4

De multilaterale samenwerking is nodig voor de aanpak van grensbelemmeringen daar waar de grensoverschrijdende samenwerking minder intensief is. Nederland voorziet zelf al in grote mate in de oproep van de Commissie tot verdere bilaterale samenwerking, door de bestaande samenwerkingsverbanden met de buurlanden.

Vraag 5

Wat weerhoudt Nederland ervan om in te zetten op nog sterkere bilaterale relaties met onze buurlanden, zonder mee te gaan met het opzetten van een nieuw Europees project dat mogelijk juist niet doet wat het belooft aan te pakken?

Antwoord 5

Zie antwoord vraag 3.

Vragen en opmerkingen van de fracties van CDA, OPNL en Volt gezamenlijk

Vraag 6

Artikel 2 van de tekst van de verordening stelt dat het mechanisme niet van toepassing is op samenwerking die grensoverschrijdende problemen oplost met niet-EU landen. Daarentegen staat op pagina 4 wel dat EVA-landen en Andorra mee mogen doen. De leden van deze fracties vragen hoe deze schijnbare tegenstrijdigheid is te verklaren.

Antwoord 6

De geschetste achtergrond van het commissievoorstel, te lezen onder «Verenigbaarheid met bestaande bepalingen op het beleidsterrein» verwijst inderdaad naar relevant bestaand beleid zoals het financieringsinstrument Interreg, welke wel toepassing heeft op EVA-landen en Andorra. Er is een optie om via Interreg-programma’s de oprichting van structuren te financieren die als grensoverschrijdende coördinatiepunten fungeren. Dit betekent echter niet dat binnen het nieuwe voorliggende voorstel de Interreg financiering tot dezelfde reikwijdte kan worden ingezet. Deze is begrenst tot grensoverschrijdende coördinatiepunten tussen EU lidstaten, zoals genoemd in artikel 2.

Vraag 7

Is dit voorstel aangemerkt als relevant voor de Europese Economische Ruimte?

Antwoord 7

Het voorstel heeft alleen betrekking tot de binnengrenzen van de Europese Unie, maar zou als voorbeeld kunnen dienen voor samenwerkingsverbanden met EER-landen.

Vraag 8

Zou het mogelijk zijn om ook een vergelijkbare samenwerking mogelijk te maken tussen een EU-lidstaat/EU-lidstaten en een derde land, bijvoorbeeld het VK?

Antwoord 8

Het Commissievoorstel in zijn huidige vorm laat in grote mate ruimte voor de invulling van grensoverschrijdende coördinatiepunten. Het staat elke lidstaat vrij om een samenwerking met een andere EU-lidstaat op te zetten. Het doel van het voorstel is immers om cohesie en grensoverschrijdende samenwerking tussen lidstaten van de Europese Unie te bevorderen. De geografische reikwijdte van de verordening wordt echter duidelijk afgebakend in artikel 2. Hierin staat dat deze niet van toepassing is op land- of begrenzingen tussen EU-lidstaten en derde landen (EVA-landen of micro-staten vormen hierop geen genoemde uitzondering).

Vraag 9

De leden van deze fracties constateren dat in de definities de verordening wordt beperkt tot publieke/private infrastructuur en publieke diensten. Zij vragen waarom het mechanisme niet zou kunnen helpen bij grensoverschrijdende problemen bij private diensten als gevolg van divergerende nationale wetgevingsbepalingen. Hoe zit dat met grensoverschrijdend publiek en privaat vervoer?

Antwoord 9

Het mechanisme ziet toe op het wegnemen van administratieve en juridische belemmeringen in grensoverschrijdende context. Het voorstel is dus gericht aan de instanties van de lidstaten (vgl. openbare diensten) en niet aan private partijen. Private diensten vallen dus niet direct onder de werkingssfeer van dit mechanisme. Wel kan een betere grensoverschrijdende samenwerking ook de toegang tot bepaalde grensoverschrijdende private diensten ten goede komen. Dit is evenwel niet het primaire doel van dit voorstel. Ten aanzien van het openbaar vervoer geldt dat dit juist een sector is waar dit voorstel een positieve uitwerking op beoogt te hebben. Het voorstel haalt het openbaar vervoer expliciet aan als voorbeeld dat zal profiteren van het voorgestelde mechanisme. Een andere dienst die op het snijvlak van privaat en publiek ligt en die zal profiteren van het mechanisme is bijvoorbeeld de gezondheidszorg.

Vraag 10

Artikel 4 van de tekst van de verordening regelt het opzetten van een grensoverschrijdend contactpunt. Het is voor de leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt niet duidelijk wat de compositie van zo’n contactpunt moet zijn. Zitten hier alleen publiekrechtelijke organisaties in?

Antwoord 10

Hoe het coördinatiepunt operationeel wordt vormgegeven, is grotendeels overgelaten aan de lidstaat zelf. Het coördinatiepunt dient uit hoofde van het voorstel een op zichzelf staande instantie te worden. In principe staat er dus niets in de weg het coördinatiepunt (operationeel) zo in te richten dat het door zowel private als publieke partijen wordt bemand. De bedoeling is echter wel dat het coördinatiepunt ofwel wordt opgericht (dit kan in de vorm van een privaatrechtelijke entiteit waarin een combinatie van publieke en private partijen gezamenlijk het coördinatiepunt handen en voeten geeft) ofwel wordt ondergebracht bij een publiekrechtelijk orgaan. Als voor die laatste optie wordt gekozen, is operationele participatie van private partijen niet direct voor de hand liggend. In dat geval – maar overigens ook in het eerste geval – is het bijvoorbeeld mogelijk dat het coördinatiepunt een gremium opzet waarin het (eventueel uit eigen beweging) in contact treedt met voor hem relevante partijen (inclusief private/maatschappelijke spelers). Privaatrechtelijke partijen die als belanghebbende in de zin van het voorstel kunnen worden aangemerkt, worden uiteraard – net als publiekrechtelijke entiteiten en natuurlijke personen – aangemoedigd juridische of administratieve belemmeringen in grensoverschrijdende context te melden bij het coördinatiepunt en participeren dus ook in die zin.

Vraag 11

Welke rol kunnen wetenschappelijke en maatschappelijke organisaties in zo’n contactpunt spelen?

Antwoord 11

Naar voorbeeld van het Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen – Nederland (zie vraag 3) kunnen wetenschappelijke en maatschappelijke organisaties als projectpartners zorgen voor een structurele link met kennis en expertise, zowel op inhoudelijk als maatschappelijk en strategisch vlak.

Vraag 12

Hoe zou u zelf vorm willen geven aan zo’n contactpunt?

Antwoord 12

Bestaande samenwerkingsstructuren zullen worden aangewezen als grensoverschrijdend coördinatiepunt. Daar waar nog verdere invulling nodig is, zal dit, toegespitst op de specifieke opgaven, zoveel mogelijk worden uitgewerkt samen met de grensregio’s en de buurlanden.

Vraag 13

Denkt u dat kennis- en maatschappelijke organisaties in zo’n contactpunt een rol kunnen spelen?

Antwoord 13

Zie antwoord vraag 11.

Vraag 14

De leden van deze fracties hadden in hoofdstuk II – Grensoverschrijdende coördinatiepunten (artikelen 4 en 5) ook een bepaling verwacht over de financiering van een contactpunt. Dat is niet het geval, maar wordt wel in de toelichting (pagina 4) genoemd. Zij vragen hoe het gebruik van het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) voor dit doeleinde in de verordening zou kunnen worden verankerd.

Antwoord 14

Volgens de verordening kan op dit moment het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) slechts via het Interreg steun verlenen aan de (specifieke) Interreg-doelstelling: «een beter op samenwerking gebaseerd bestuur». Dit om de efficiëntie van het bestuur te bevorderen in grensregio’s. Binnen deze doelstelling, kunnen sommige Interreg-programma’s middelen aanwenden voor de oprichting van structuren die als grensoverschrijdende coördinatiepunten kunnen gaan fungeren. Binnen de rest van het EFRO zijn geen doelstellingen opgenomen in de relevante wetgeving die hier ruimte voor zouden kunnen bieden. Kennis- en maatschappelijke organisaties zouden ook onder deze specifieke doelstelling kunnen worden gefinancierd.

Vraag 15

Waarom zou dit alleen uit de Interreg-middelen van het EFRO moeten komen en niet uit de algemene EFRO-middelen, als het betreffende land dat wenst?

Antwoord 15

Zie antwoord vraag 14.

Vraag 16

Zouden hiermee ook de bovengenoemde kennis- en maatschappelijke organisaties kunnen worden gefinancierd?

Antwoord 16

Zie antwoord vraag 14.

Vraag 17

Zij vragen of u kunt reflecteren op de mogelijkheid en wenselijkheid om meer EGTS-verbanden op te richten, bijvoorbeeld om de andere Euregio’s te versterken; dit uiteraard in het licht van mogelijke conflictoplossing.

Antwoord 17

In relatie tot het Commissievoorstel is geen link gelegd met de mogelijkheid en wenselijkheid meer Europese groeperingen voor territoriale samenwerking (EGTS) op te richten. Het voorstel beschrijft hierover dat hoewel het oprichten van rechtspersonen die de nationale grenzen overschrijden doeltreffend is om de grensoverschrijdende samenwerking te vergemakkelijken, zij daarmee niet beschikken over regelgevende bevoegdheden om belemmeringen in grensoverschrijdende zaken uit de weg te ruimen.

Vraag 18

Kunt u, nu of op een later tijdstip, aangeven of en welke politieke struikelblokken zich in de raad hebben opgeworpen?

Antwoord 18

Tijdens de Raadswerkgroep vergaderingen in Brussel zijn door lidstaten veel vragen gesteld over of met dit nieuwe voorstel de principiële bezwaren tegen het oude voorstel (2018) zijn weggenomen en over de praktische implementatie van het voorstel. Er is op dit moment geen sprake van politieke struikelblokken.

Vraag 19

De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen u aan te geven in welke mate het nieuwe mechanisme met de bestaande samenwerkingen overlapt en waar het verschilt.

Antwoord 19

Bestaande samenwerkingsverbanden kunnen worden aangewezen als grensoverschrijdend coördinatiepunten. In dat geval overlapt de Europese verordening geheel met de bestaande samenwerkingen met de buurlanden en hoeft er geen extra samenwerkingsverband te worden opgetuigd. Wanneer het voorstel wordt aangenomen, zal met de buurlanden en de grensregio’s worden afgestemd welke samenwerkingsverbanden in huidige vorm voldoen en op welke elementen mogelijkerwijs versterking nodig is.

Vraag 20

De leden van deze fracties missen een overzicht of duiding van de grensrelaties met Wallonië (inclusief Oost-België). Nederland grenst immers ook aan deze deelstaat, en er zijn regelmatig thema’s waar beide partijen verschillend over denken. In de voorbije jaren betrof dat bijvoorbeeld de nachtvluchten op Bierset, de mogelijke komst van windmolens in de Voerstreek, de afvalverwerker in Oupeye, de mogelijke vergunning voor de zinkmijn in Plombières, de status van het Drielandenpark, de waterafvoer in het stroomgebied van de Maas enzovoort. De leden de fracties van CDA, OPNL en Volt snappen dat dit niet meteen onderwerpen betreft die onder de werking van het nieuwe EU-mechanisme cross-border coordination points (CBCP’s) zullen vallen, maar het zijn wel zaken waar overleg tussen overheden aan beide zijden van de grens aan de orde is, waar verschillend belangen bestaan, en waar dus ook de vraag gesteld kan worden of bestaande gremia voldoen, aldus de leden van deze fracties. Zij vragen u hier een reflectie op te geven.

Antwoord 20

In 2022 is, om de onderlinge samenwerking tussen Nederland en Wallonië te versterken, de «Routekaart Wallonië-Nederland: verdieping van de relaties tussen buren en vrienden» ondertekend door Minister-Presidenten van Wallonië en Nederland. De Routekaart bevat concrete afspraken tussen Wallonië en Nederland op verschillende beleidsvelden, tevens in het kader van de Euregio Maas-Rijn, welke als basis dienen voor gezamenlijke activiteiten. In dit kader zijn bijvoorbeeld tijdens het Staatsbezoek van de Koning aan België good practices uitgewisseld op het vlak van waterbeheer en wordt periodiek een gezamenlijke handelsdag georganiseerd waarvan in het najaar 2024 een volgende editie plaatsvindt. De grensoverschrijdende samenwerking vindt daarnaast plaats binnen en door de Euregio Maas-Rijn, een Euregionaal samenwerkingsverband waarbinnen onder andere de Nederlandse provincie Limburg en de Belgische provincie Luik actief zijn.

Vraag 21

Het feit dat de figuur van de commissaris van de Koning (CdK), die zowel een Provinciale rol heeft als Rijksorgaan is, een positie in het grensoverschrijdend overleg heeft gekregen, vinden zij een goede ontwikkeling. De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen of u mogelijkheden ziet om deze positie nog verder te versterken (ambtsinstructie), mede omdat ook aan Vlaamse zijde de gouverneurs een coördinatierol hebben.

Antwoord 21

Aan Nederlandse kant vervullen drie Commissarissen van de Koning (CdK’s), in hun hoedanigheid als Rijksheer en vanuit hun respectievelijke grensregio, een coördinerende rol wat betreft grensoverschrijdende samenwerking met de buurlanden. In relatie tot Vlaanderen is de coördinatierol van de CdK van Zeeland en de gouverneur van Oost-Vlaanderen recentelijk nogmaals bevestigd in de slotverklaring van de Vlaams-Nederlandse Top van 2023. Ik zie momenteel geen reden om hier verandering in te brengen.

Vraag 22

En zou de CdK van Limburg een dergelijk rol ook naar de Luikse en Waalse overheden kunnen vervullen?

Antwoord 22

Bij het vormgeven van de grensoverschrijdende samenwerkingsstructuren met buuroverheden is gekeken naar de specifieke uitdagingen en opgaven in deze gebieden, vandaar dat gekozen is voor een aanpak die meer thematisch en regionaal gedifferentieerd is. Wat betreft de samenwerking met Wallonië is deze aanpak vastgelegd in «Routekaart Wallonië-Nederland: verdieping van de relaties tussen buren en vrienden». Ik zie geen momenteel geen aanleiding om deze aanpak te wijzigen.

Vraag 23

Hoe denkt u over een mogelijk toetreden van de beide Limburgen tot de Vlaams Nederlandse Delta, waardoor er congruentie kan ontstaan met de bestuurlijke overleggen van het Interreg-programma Vlaanderen-Nederland en het meer informele GROS-overleg onder leiding van de Zeeuwse CdK?

Antwoord 23

In 2018 (Kamerstuk 32 851, nr. 51) is de governancestructuur tussen Nederland en Vlaanderen vastgesteld. Dit is een structuur voor het geografische gebied waar tevens beide Limburgen binnen vallen. De Vlaams-Nederlandse Delta (VND) is daarentegen een netwerkorganisatie van een aantal Nederlandse en Belgische provincies. Ik kan daarom geen uitspraak doen over de wenselijkheid van een mogelijk toetreden van beide Limburgen tot de VND.

Vraag 24

De leden van deze fracties vragen of u, onafhankelijk van de voorliggende verordening, van plan bent om ook met het VK een samenwerkingsakkoord te sluiten dat grensoverschrijdende problemen aanpakt. Zo ja, op welke termijn?

Antwoord 24

Het inrichten van een samenwerkingsverband voor de maritieme grens met het Verenigd Koninkrijk valt op dit moment buiten de scope van het BZK-programma Regio’s aan de grens, dat zich richt zich op een sterke verbinding tussen het Rijk, de medeoverheden in de grensregio’s en de partners in de buurlanden Vlaanderen, Wallonië, Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen.

Vraag 25

U geeft in het BNC fiche op pagina 9 aan dat er ruimte is om gemeenschappelijke CBCP’s op te zetten. De leden van de fracties van CDA, OPNL en Volt vragen of u voornemens bent van deze mogelijkheid gebruik te maken.

Antwoord 25

Zeker, de kracht van de grensoverschrijdende samenwerkingsverbanden in onze grensregio’s schuilt juist in de nauwe samenwerking mét Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Wallonië en Vlaanderen. Als voorbeeld van een mogelijke inrichting van een grensoverschrijdend coördinatiepunt, kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het dit jaar opgerichte Schakelpunt Grensbelemmeringen Vlaanderen – Nederland.


X Noot
1

Samenstelling:

Oplaat (BBB), Lievense (BBB), Panman (BBB), Karimi (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Martens (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Van Ballekom (VVD), Van den Berg (VVD), Vogels (VVD), Van Toorenburg (CDA), Bovens (CDA), Aerdts (D66), Dittrich (D66), Van Hattem (PVV), Visseren-Hamakers (PvdD), Nanninga (JA21), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Huizinga-Heringa (CU), Dessing (FVD) (ondervoorzitter), De Vries (SGP), Hartog (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL)

X Noot
2

COM(2023)790 – Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (d.d. 12-12-2023)

X Noot
3

Kamerstukken I, 2023–2024, 36 501, A.

X Noot
4

COM(2023)790 – Gewijzigd voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een mechanisme om juridische en administratieve belemmeringen in een grensoverschrijdende context uit de weg te ruimen (d.d. 12-12-2023)

X Noot
5

Kamerstukken I, 2023–2024, 36 501, A.

X Noot
6

Kamerstukken I, 2023–2024, 36 501, A., blz. 6.

Naar boven