36 416 Voorstel van wet van de leden Paternotte en Bevers tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT1

Vastgesteld 17 februari 2026

Inleiding

De commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft met belangstelling kennisgenomen van het initiatiefvoorstel strekkende tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek.

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, D66, CDA, PVV, SP, ChristenUnie, FVD, JA21, Volt, SGP en de Fractie-Visseren-Hamakers wensen naar aanleiding van het initiatiefvoorstel een aantal opmerkingen te maken en diverse vragen voor te leggen aan de initiatiefnemers en/of de regering.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA

Met veel interesse hebben de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA kennisgenomen van het initiatiefvoorstel van de leden Paternotte en Bevers om de Embryowet te wijzigen. Dit voorstel verdient in beide Kamers een zeer zorgvuldige en uitvoerige weging, waarin naast wetstechnische ook maatschappelijke en ethische invalshoeken voldoende plaats krijgen. Voor de weging van al die invalshoeken is het plenaire debat de aangewezen plaats is, zo menen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. In het kader van de schriftelijke inbreng beperken deze leden zich tot enkele vragen omtrent de begrenzing en de waarborgen die het wetsvoorstel biedt. Zij stellen deze vragen zowel aan de initiatiefnemers als aan de regering.

In de memorie van toelichting wordt aandacht besteed aan het feit dat onderzoek op dit terrein, in landen waar het kweken van embryo’s voor onderzoeksdoeleinden al is toegestaan, vaak in commerciële onderzoekscentra en klinieken plaatsvindt.2 De initiatiefnemers achten het mede daarom wenselijk dat Nederland dit onderzoek ook mogelijk maakt, aangezien de Nederlandse infrastructuur op dit gebied (voor het overgrote deel?) publiek of semi-publiek is. Dit brengt de leden van de fractie van GroenLinks-PvdA tot de volgende vragen:

1.

Welke nadelen zijn volgens de initiatiefnemers en de regering verbonden aan het kweken van embryo’s voor onderzoeksdoeleinden in commerciële klinieken of onderzoekscentra?

2.

Is het ook in Nederland mogelijk dat commercieel gebruik gemaakt gaat worden van de mogelijkheden die de wet biedt? Zo neen, waarom niet? Zo ja, hoe zou dit kunnen worden begrensd of verboden? Is de regering dan bereid daartoe?

3.

Artikel 9 treedt met de wijziging van de wet in werking. Daarmee wordt het mogelijk dat donoren geslachtscellen afstaan ten behoeve van het kweken van embryo’s. In de praktijk zal aan zaadcellen niet snel een tekort zijn. Anders is dit met eicellen. Hoe denken de initiatiefnemers en de regering te voorkomen dat er hoe dan ook morele of financiële druk uitgeoefend wordt op vrouwen om eicellen voor dit doel ter beschikking te stellen?

De voorgestelde wijziging van de wet wordt door de initiatiefnemers als een belangrijke, maar in technische en wetstechnische zin beperkte stap gepresenteerd. Onder een aantal stevige wettelijke waarborgen wordt het mogelijk een bestaande techniek in te zetten voor specifiek omschreven onderzoeksdoelen. In de discussie over dit wetsvoorstel wordt echter door sommigen de zorg geuit dat hiermee de deur wordt opengezet naar vormen van therapeutisch klonen. Daarnaast zijn er zorgen over mogelijke toepassingen van kiembaanmodificatie. In opiniebijdragen van 4, 6 en 9 december 20253 schrijft voormalig lid van de Tweede Kamer voor het NSC, Rosanne Herzberger, dat de initiatiefnemers en de regering risico’s niet onderkennen of verkeerd voorstellen. De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA vinden het van groot belang om eenduidigheid te krijgen in hoeverre dit nu wel of niet aan de orde is.

4.

Kan de regering helder en precies aangeven of en in hoeverre therapeutisch of regeneratief klonen in Nederland is toegestaan, en kan daarbij ook worden aangegeven of het voorliggende wetsvoorstel daar enige verandering in brengt, in welke vorm of van welke omvang dan ook? Brengt het wetsvoorstel klinische toepassing van kiembaanmodificatie dichterbij?

5.

Kan voor de helderheid nogmaals klip-en-klaar worden aangeven welke beperking is gegeven aan de doelen waarvoor het kweken van embryo’s mag geschieden, en kan daarbij tevens de exacte borging hiervan worden aangegeven in de wet en in de processen op basis van die wet?

6.

Inmiddels is er internationaal (bijvoorbeeld in de Verenigde Staten) op dit terrein sprake van commerciële ontwikkelingen die de reikwijdte van de bepaalde begrenzingen ver te buiten gaan. Hoe zeker zijn de initiatiefnemers en de regering dat Nederlands onderzoek immuun kan blijven voor de invloed van deze ontwikkelingen? Een verzwaring van de straf voor onderzoekers die zich niet aan de protocollen houden, zoals de Tweede Kamer bij amendement heeft bepaald4, lijkt deze leden geenszins op te wegen tegen het grote geld dat in de commerciële wereld op dit terrein omgaat.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66

De leden van de fractie van D66 hebben met grote belangstelling kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Embryowet en de daarbij behorende memorie van toelichting. Deze leden waarderen de inzet van de initiatiefnemers om de Embryowet te actualiseren in lijn met recente wetenschappelijke inzichten, met behoud van een zorgvuldig ethisch en juridisch kader. De voorgestelde wijzigingen raken fundamentele waarden en vereisen daarom een gedegen toetsing op proportionaliteit, uitvoerbaarheid en maatschappelijke meerwaarde. Naar aanleiding van het wetsvoorstel en de memorie van toelichting hebben deze leden enkele vragen aan de initiatiefnemers en de regering.

De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang dat de initiatiefnemers hechten aan een zorgvuldige en ethisch verantwoorde afweging bij het mogelijk maken van onderzoek met embryo’s. Zij waarderen dat het wetsvoorstel expliciet voorziet in versterkte waarborgen en toetsingsmechanismen. De memorie van toelichting geeft aan dat ervoor is gekozen het onderzoek met speciaal tot stand gebrachte embryo’s te combineren met aanvullende criteria waaraan onderzoeksvoorstellen moeten voldoen.5 Deze leden vragen de initiatiefnemers toe te lichten waarom is gekozen voor een uitbreiding en aanscherping van de toetsingscriteria, en hoe deze keuze zich verhoudt tot het doel om verantwoord onderzoek juist beter mogelijk te maken.

Met betrekking tot de betekenis van het wetsvoorstel voor wensouders constateren de leden van de fractie van D66 dat de initiatiefnemers in de memorie van toelichting wijzen op het belang van betere kennis van vroege embryonale ontwikkeling.6 Deze leden vragen op welke wijze de wetswijziging concreet kan bijdragen aan betere informatievoorziening, begeleiding en handelingsperspectieven voor wensouders.

Daarnaast zien de leden van de D66-fractie bijzondere meerwaarde in de mogelijkheden die het wetsvoorstel kan bieden voor onderzoek naar (zeldzame) ziekten. Zij verzoeken de initiatiefnemers toe te lichten op welke wijze de verruiming van embryologisch onderzoek kan bijdragen aan nieuwe inzichten in het ontstaan en de vroege ontwikkeling van zeldzame genetische aandoeningen waarvoor momenteel beperkte diagnostische of preventieve opties bestaan.

Aangezien embryologisch onderzoek steeds vaker internationaal wordt uitgevoerd, vragen de leden van de fractie van D66 hoe de initiatiefnemers waarborgen dat de voorgestelde definities en regels niet alleen juridisch sluitend zijn binnen het nationale recht, maar ook goed aansluiten bij internationale samenwerkingspraktijken. Hoe wordt in dit licht gekeken naar het risico van uiteenlopende nationale regels binnen Europa op het terrein van embryologisch onderzoek, en bieden de voorgestelde wijzigingen aanknopingspunten voor verdere Europese afstemming of gezamenlijke normontwikkeling?

Tot slot vragen de leden van de D66-fractie welke gevolgen het wetsvoorstel kan hebben voor vrouwen, in het bijzonder voor degenen die een IVF-traject doorlopen. Op welke wijze kan de wijziging van de Embryowet bijdragen aan betere zorg, begeleiding en behandelopties voor vrouwen die met vruchtbaarheidsbehandelingen te maken hebben, en hoe kan de voorgestelde wijziging de kwaliteit, veiligheid en effectiviteit van IVF-zorg versterken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van het CDA

De leden van de fractie van het CDA hebben kennisgenomen van het initiatiefvoorstel van de leden Paternotte en Bevers met betrekking tot het afschaffen van het verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek. Deze leden hechten waarde aan een zorgvuldige wetsbehandeling nu het om belangrijke beginselen gaat, zoals de intrinsieke waarde en de beschermwaardigheid van menselijk leven. Daarbij vragen zij extra aandacht voor een integrale benadering van dit initiatiefvoorstel en het regeringsvoorstel naar aanleiding van de derde evaluatie van de Embryowet.7 In dit licht hebben deze leden enkele vragen aan zowel de initiatiefnemers als de regering.

De leden van de CDA-fractie stellen de volgende vragen aan de initiatiefnemers:

1.

Voor de uitvoering van deze wet zijn donoren nodig. De leden van de fractie van het CDA vragen zich af hoe de donoren geworven worden. Zijn dat alleen donoren met een niet-vervulde kinderwens? Deze leden kunnen zich voorstellen dat juist ook donoren die geen problemen hebben met het realiseren van een zwangerschap relevant zijn ter vergelijking in het medische onderzoek. In de wet staat aangegeven dat de donoren geen commerciële vergoeding krijgen. Worden ze wel op een of andere wijze gecompenseerd of is dit echt een vrijwillige handeling?

2.

Wat is de overweging van de initiatiefnemers om niet in de wet vast te leggen dat de donoren specifieke toestemming voor dit type wetenschappelijk onderzoek moeten geven? Wat is de reden dat zij dit overlaten aan de medische beroepsgroep?

3.

Dat wetenschappers met embryokweek mogelijkheden zien voor het voorkomen van lijden, is legitiem. Maar worden met dit wetsvoorstel nu wegen naar onderzoek geopend waarvan we op dit moment nog niet kunnen zien waar dit eindigt? Hoe zien de initiatiefnemers een taak voor de overheid in het begrenzen daarvan in relatie tot het voorliggende wetsvoorstel?

4.

Is het importeren van embryo’s die in het buitenland tot stand zijn gebracht voor medisch onderzoek toegestaan? Waarom wel of waarom niet?

5.

Waarom betogen de initiatiefnemers dat Nederland vanwege de niet-commerciële voorplantingsgeneeskunde geschikter is om onderzoek te doen naar potentieel riskante nieuwe technieken dan het buitenland?

6.

In hoeverre zou, vanuit de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, de inrichting van de Nederlandse geneeskunde volgens de initiatiefnemers moeten afhangen van welk onderzoek wel of niet is toegestaan in het buitenland?

7.

Waarom hebben de initiatiefnemers ervoor gekozen hun eigen voorstel in te dienen alvorens het wetsvoorstel van de regering naar aanleiding van de derde wetsevaluatie was ingediend? Welke gevolgen zien zij als beide wetten in korte tijd na elkaar in werking zouden treden?

De leden van de CDA-fractie stellen de volgende vragen aan de regering:

8.

Dat wetenschappers met embryokweek mogelijkheden zien voor het voorkomen van lijden, is legitiem. Maar worden met dit wetsvoorstel nu wegen naar onderzoek geopend waarvan we op dit moment nog niet kunnen zien waar dit eindigt? Hoe ziet de regering een taak voor de overheid in het begrenzen daarvan in relatie tot het voorliggende wetsvoorstel?

9.

In het kader van proportionaliteit is aangegeven dat het noodzakelijk is het onderzoek naar alternatieven in plaats van tot stand gebrachte embryo’s te blijven continueren. De regering heeft aangegeven dat hiervoor budget beschikbaar is tot 2027. Hoe voorziet de regering dat hieraan blijvende aandacht wordt gegeven?

10.

Op welke manier gaat de regering ervoor zorgdragen dat de Centrale Commissie Mensgebonden Onderzoek (CCMO) een duidelijk kader heeft op basis waarvan zij goedkeuring kan verlenen voor een bepaald onderzoek?

11.

Naar aanleiding van de derde evaluatie ligt er ook een uitgebreid wetsvoorstel van de regering om deze wet te wijzigen. Dit wetsvoorstel is op dit moment in behandeling bij de Tweede Kamer. In dat kader vragen de leden van de CDA-fractie de regering of zij, bij mogelijk instemming met deze wet door de Eerste Kamer, deze wet daarna onmiddellijk in werking laat treden of dat zij wacht tot haar eigen wetsvoorstel door het parlement is behandeld. En zo ja, mocht dit laatste het geval zijn, wat zijn dan de overwegingen daartoe?

12.

Wat is de impact op de uitvoeringspraktijk bij de CCMO als beide wetten in korte tijd na elkaar in werking treden?8

13.

De regering heeft het Verdrag van Oviedo ondertekend, waarin een verbod op de creatie van embryo’s voor onderzoek is vastgelegd.9 Het verdrag is nooit door het parlement geratificeerd en de regering heeft in 2015 besloten daarvan expliciet af te zien. In de behandeling in de Tweede Kamer heeft de Staatssecretaris hierover gezegd dat dit is besloten omdat het verdrag vergaande beperkingen zou opleggen aan de ontwikkeling van de medische wetenschap. De leden van de fractie van het CDA lezen echter in de memorie van toelichting van het regeringsvoorstel dat er geen redenen worden gezien om het verbod op het doen ontstaan van embryo’s op te heffen.10 Hoe verhoudt dit laatste standpunt zich tot het expliciet niet willen ratificeren van het Verdrag van Oviedo? Is de regering voorstander van het afschaffen van het verbod?

14.

De regering schrijft dat bij inwerkingtreding van dit initiatiefvoorstel en het regeringsvoorstel alle typen embryo’s speciaal tot stand mogen worden gebracht voor onderzoeksdoeleinden. Hoe verhoudt zich dat volgens de regering tot de oorspronkelijke doelstelling van het regeringsvoorstel? Welke gevolgen heeft het aannemen van beide wetten voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het gehele stelsel van regelgeving over embryokweek?

15.

Er is een motie van de leden Bikker en Diederik van Dijk aangenomen ter voorkoming van het gebruik van Nederlandse kennis en technologie van dit type onderzoek in het buitenland.11 De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe de regering deze motie ter hand neemt.

16.

In hoeverre zou, vanuit de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, de inrichting van de Nederlandse geneeskunde volgens de regering moeten afhangen van welk onderzoek wel of niet is toegestaan in het buitenland?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de fractie van de PVV hebben kennisgenomen van het initiatiefvoorstel tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek en wensen de initiatiefnemers en de regering de volgende vragen te stellen.

Afgrenzing en toezicht op doelgebonden embryokweek

1.

Hoe wordt in de praktijk gegarandeerd dat speciaal tot stand gebrachte embryo’s uitsluitend voor wetenschappelijk onderzoek worden gebruikt, en niet voor reproductieve doeleinden?

2.

Welke concrete handhavingsmiddelen en toezichtstructuren zijn voorzien om deze afbakening te bewaken?

Beoordelingskader en uitvoerbaarheid van ethische toetsing

3.

Welke toetsingskaders worden gehanteerd door de CCMO? Wordt er gewerkt met uniforme richtlijnen?

4.

Hoe wordt voorkomen dat toetsing door ethische commissies leidt tot uiteenlopende interpretaties van wat «noodzakelijk en proportioneel» onderzoek is?

5.

Zijn toetsingsorganen voldoende geëquipeerd qua deskundigheid en capaciteit voor deze nieuwe taak?

Controleerbaarheid van termijnbegrenzing (14-dagenregel)

6.

Op welke wijze wordt in de praktijk gecontroleerd dat embryo’s niet langer dan 14 dagen worden gekweekt?

7.

Bestaat er een technisch verifieerbare methode voor het vaststellen van de exacte ontwikkelingsfase van een embryo?

Registratie, rapportage en transparantie

8.

Is er een centraal register of monitoringssysteem voorzien voor het bijhouden van:

  • het aantal gekweekte embryo’s;

  • het soort onderzoek dat ermee plaatsvindt;

  • de onderzoeksresultaten?

9.

Hoe wordt transparantie richting het publiek en de wetenschap gewaarborgd?

Internationaal precedent en uitwisseling

10.

In hoeverre sluit deze wetgeving aan bij regelgeving in vergelijkbare landen?

11.

Wordt voorzien in een verbod op de export van speciaal gekweekte embryo’s of celmateriaal naar landen met minder strikte regelgeving?

Lange termijneffecten en glijdende schaal

12.

Op welke wijze wordt gewaarborgd dat het opheffen van het verbod niet leidt tot een geleidelijke normalisering van ingrijpendere vormen van embryomanipulatie, zoals kiembaanmodificatie?

13.

Is het risico op uitbreiding van de toepassing van gekweekte embryo’s – bijvoorbeeld voor commerciële of reproductieve doeleinden – juridisch afdoende ingeperkt?

Kosten en capaciteit in de uitvoering

14.

Wat zijn de verwachte effecten op de capaciteit en het budget van toezichthouders zoals de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), de CCMO en ethische toetsingscommissies?

15.

Zijn de uitvoeringsinstanties geconsulteerd over deze lasten, en is hun oordeel meegenomen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SP

De leden van de fractie van de SP onderschrijven het belang van wetenschappelijk onderzoek dat kan bijdragen aan betere en zorgvuldige voortplantingsgeneeskunde, evenals de beschermwaardigheid van embryo’s. Naast de inhoudelijke medische en ethische vragen die in eerdere fasen van de behandeling uitgebreid aan bod zijn gekomen, acht de fractie het van belang om stil te staan bij de uitvoering van deze wet, de risico’s van commercialisering, sociaaleconomische factoren en de ervaringen van wensouders in de praktijk. De onderstaande vragen zijn bedoeld om inzicht te krijgen in hoe deze aspecten door de initiatiefnemers en de regering worden gewogen.

De leden van de SP-fractie stellen de volgende vragen aan de initiatiefnemers:

1.

In de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer is meerdere keren benadrukt, ook door enkele deskundigen, dat de Nederlandse fertiliteitszorg en het embryo-onderzoek momenteel in een niet-commerciële context plaatsvinden en dat juist dit gegeven Nederland een unieke positie biedt. In hoeverre gaan de initiatiefnemers ervan uit dat het huidige niet-commerciële karakter van het onderzoeksveld ook na verruiming van de Embryowet vanzelfsprekend behouden blijft?

2.

In hoeverre beschouwen de initiatiefnemers het behoud van een niet-commerciële onderzoekscontext als een voorwaarde voor het verantwoord functioneren van dit wetsvoorstel op de langere termijn?

3.

Hoe zien de initiatiefnemers de rol van de wetgever indien zich in de toekomst ontwikkelingen voordoen waarbij het niet-commerciële karakter van het onderzoeksveld onder druk komt te staan?

4.

Indien het niet-commerciële karakter van de Nederlandse fertiliteitszorg en het embryo-onderzoek in de toekomst zou afnemen, welke mogelijkheden zien de initiatiefnemers dan om vanuit wetgeving of beleid bij te sturen?

5.

Delen de initiatiefnemers de opvatting dat dit wetsvoorstel een medische oplossing biedt, maar dat aanvullend beleid en onderzoek nodig blijven om de sociaaleconomische oorzaken van uitgestelde kinderwensen aan te pakken?

6.

Er zijn signalen dat jaarlijks duizenden Nederlandse wensouders voor vruchtbaarheidsbehandelingen naar België gaan omdat zij denken dat daar andere onderzoeken mogelijk zijn of dat de zorg beter aansluit bij hun behoeften.12 Zien de initiatiefnemers het feit dat een aanzienlijke hoeveelheid Nederlandse wensouders uitwijkt naar landen als België als een signaal dat het vertrouwen in de Nederlandse fertiliteitszorg en het onderzoekslandschap onder druk kan staan?

7.

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat het huidige verbod Nederland afhankelijk maakt van ontwikkelingen in het buitenland. Zien de initiatiefnemers in de praktijk ook dat wensouders hierdoor uitwijken naar landen als België, en in hoeverre beoogt dit wetsvoorstel dit te voorkomen?

De leden van de SP-fractie stellen de volgende vragen aan de regering:

1.

Deelt de regering de analyse dat de toename van vruchtbaarheidsproblemen niet alleen medisch is, maar ook samenhangt met sociaaleconomische factoren zoals de woningnood, toenemende kosten voor levensonderhoud en hoge kosten voor kinderopvang?

2.

Is de regering bereid om bij toekomstig beleid rond vruchtbaarheid expliciet te kijken naar de samenhang tussen medische oplossingen en sociaaleconomische oorzaken?

3.

Hoe ziet de regering erop toe dat onderzoek met speciaal tot stand gebrachte embryo’s ook in de praktijk binnen een niet-commerciële en publiek verantwoorde context blijft plaatsvinden in ons land?

4.

Acht de regering de huidige toezicht- en handhavingsinstrumenten voldoende toekomstbestendig om ook bij veranderende onderzoeks- en financieringsmodellen publieke belangen en normen te blijven beschermen?

5.

Hoe gaat de regering om met een situatie waarin het onderzoeksveld verandert, bijvoorbeeld door toegenomen private financiering of samenwerking met commerciële partijen?

6.

Is de regering bereid om in evaluaties van de Embryowet expliciet aandacht te besteden aan de vraag of het niet-commerciële karakter van het onderzoek in de praktijk behouden blijft?

7.

Er zijn signalen dat jaarlijks duizenden Nederlandse wensouders voor vruchtbaarheidsbehandelingen naar België gaan omdat zij denken dat daar andere onderzoeken mogelijk zijn of dat de zorg beter aansluit bij hun behoeften.13 Hoe beoordeelt de regering deze trend en welke rol speelt dit in haar evaluatie van de Nederlandse fertiliteitszorg en het voorliggende wetsvoorstel?

8.

In hoeverre heeft de regering inzicht in de redenen die wensouders zelf geven om naar het buitenland te gaan, en wat doet zij met die signalen?

9.

Klopt het dat fertiliteitsbehandelingen in het buitenland vaak niet of slechts gedeeltelijk worden vergoed, waardoor mensen aanzienlijke extra kosten maken? Acht de regering het wenselijk dat deze zorg in de praktijk vooral toegankelijk is voor mensen met voldoende financiële middelen?

10.

Ziet de regering het risico dat hierdoor een tweedeling ontstaat, waarbij mensen met meer financiële ruimte meer behandelopties hebben dan mensen die afhankelijk zijn van het Nederlandse zorgstelsel en de bijbehorende beperkingen?

11.

Ziet de regering een relatie tussen de beperkte ruimte voor bepaalde vormen van onderzoek in Nederland en het feit dat sommige wensouders noodgedwongen uitwijken naar het buitenland, met extra kosten als gevolg?

12.

Wat kan en wil de regering doen om te voorkomen dat wensouders het gevoel hebben dat zij voor passende fertiliteitszorg of onderzoek naar het buitenland moeten uitwijken?

13.

Ziet de regering dit wetsvoorstel mede als een manier om het vertrouwen in de Nederlandse fertiliteitszorg en het onderzoekslandschap te versterken, zodat uitwijken naar het buitenland minder nodig wordt geacht?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel en stellen de initiatiefnemers daarover graag de volgende vragen:

1.

In de memorie van toelichting merken de initiatiefnemers op dat nieuwe technieken in buitenlandse, commerciële fertiliteitsklinieken veelal op basis van trial and error worden toegepast, zonder dat de veiligheid van deze technieken vooraf experimenteel is onderzocht.14 Naar hun waarneming zou dat in Nederland, waar commerciële fertiliteitszorg verboden is, anders zijn. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de initiatiefnemers of er buiten de commerciële fertiliteitszorg in het buitenland (relatief) weinig onderzoek naar embryo’s wordt gedaan. Wordt er op buitenlandse universiteiten en onderzoekscentra geen fertiliteitsonderzoek gedaan op een schaal die vergelijkbaar is met Nederland?

2.

Kunnen de initiatiefnemers een overzicht geven van Europese landen waar commerciële fertiliteitszorg is toegestaan dan wel verboden, en daarbij ook aangeven of – en zo ja, onder welke voorwaarden – in deze landen onderzoek met embryo’s is toegestaan?

3.

Hoeveel embryo’s worden er in Nederland op dit moment op jaarbasis gebruikt voor onderzoek?

4.

Hoe verhoudt het aantal in Nederland voor onderzoek gebruikte embryo’s zich tot de aantallen in landen waar het kweken van embryo’s voor onderzoek is toegestaan, zoals het Verenigd Koninkrijk, Zweden en België?

5.

Is het mogelijk om een schatting te maken van het aantal embryo’s dat naar verwachting jaarlijks voor onderzoeksdoeleinden tot stand zal worden gebracht, mocht dit voorstel tot wet worden verheven?

6.

De initiatiefnemers merken op dat het niet mogelijk is om met restembryo’s of zogenaamde «embryoachtige structuren» onderzoek te doen naar de vroegste fase na de bevruchting. Hebben de initiatiefnemers overwogen om voor te stellen om embryokweek voor experimentele doeleinden toe te staan tot aan de grens van vijf dagen? Daarna zijn er immers restembryo’s van IVF-behandelingen beschikbaar.

7.

De initiatiefnemers hebben in de wetstekst met de formulering «redelijkerwijs aannemelijk» aansluiting gezocht bij de bestaande kaders van de Embryowet15, zo constateren de leden van de ChristenUnie-fractie. Deze leden vernemen echter graag wat de initiatiefnemers verstaan onder «redelijkerwijs aannemelijk».

8.

Vanuit ethisch oogpunt kan onderscheid gemaakt worden tussen het doel waarmee embryo’s tot stand worden gebracht: bij IVF is dat met een zwangerschap als doel, bij dit wetsvoorstel is dat puur en alleen het doel van wetenschappelijk onderzoek. Erkennen de initiatiefnemers dat het hier een significant onderscheid betreft en kunnen zij reflecteren op het mogelijk daaruit voortvloeiende verschil in weging van de toelaatbaarheid van het tot stand brengen van embryo’s?

9.

In de nota naar aanleiding van het verslag uit de Tweede Kamer schrijven de initiatiefnemers: «Pas als bekend is of een nieuwe techniek veilig en effectief is kan het zin hebben een maatschappelijk debat te voeren over de wenselijkheid van het gaan toestaan van de klinische toepassing.»16 De leden van de fractie van de ChristenUnie merken op dat de initiatiefnemers daarmee lijken te veronderstellen dat er geen technieken zouden kunnen zijn waarvan door de samenleving wordt vastgesteld dat ze, veilig of niet, onwenselijk zijn. Bovendien lijken zij daarmee aan te nemen dat het ethisch debat de technologische ontwikkelingen enkel kan volgen en niet kan sturen. Zijn deze interpretaties juist, vragen deze leden. Zo nee, waarom niet?

10.

Tijdens de behandeling in de Tweede Kamer hebben verschillende fracties gewezen op de mogelijkheid dat door dit wetsvoorstel technieken als kiembaanmodificatie legaal zouden kunnen worden toegepast. De leden van de ChristenUnie-fractie begrijpen dat deze consequentie niet sec uit de wetstekst volgt, maar vragen de initiatiefnemers desalniettemin om te reageren op de suggestie dat kiembaanmodificatie en gelijksoortige technieken mogelijk zouden kunnen worden gemaakt door experimenten met voor onderzoek gekweekte embryo’s. Is dat het geval of niet?

11.

Waarom is het volgens de initiatiefnemers belangrijk dat Nederland internationaal een voortrekkersrol vervult in het fertiliteitsonderzoek?

Daarnaast stellen de leden van de ChristenUnie-fractie graag de volgende vragen aan de regering:

12.

De Tweede Kamer heeft een motie van de leden Bikker en Diederik van Dijk aangenomen, waarin de regering wordt verzocht ervoor te zorgen dat kennis en technologie over veilige kiembaanmodificatie niet in het buitenland terechtkomen.17 Hoe is de regering voornemens in de praktijk uitvoering te geven aan deze motie?

13.

Acht de regering het mogelijk te voorkomen dat de resultaten van fertiliteitsonderzoek in het buitenland terechtkomen, gezien het internationale karakter van veel biomedisch onderzoek en de publicatiepraktijk in dit onderzoeksveld? Welke voorwaarden zijn nodig om deze kennis en technologie in Nederland te houden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van FVD

De leden van de fractie van FVD hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en wensen de initiatiefnemers de volgende vragen te stellen.

De initiatiefnemers stellen dat het opheffen van het verbod noodzakelijk is om Nederland niet langer afhankelijk te maken van buitenlands onderzoek en om – juist in een niet-commerciële context – verantwoorde wetenschap te bevorderen. Tegelijkertijd rijst de vraag in hoeverre de Nederlandse overheid moreel verantwoordelijk blijft voor de internationale toepassingen van kennis die hier wordt ontwikkeld, ook wanneer deze buiten de Nederlandse ethische en juridische kaders wordt aangewend.

1.

De leden van de fractie van FVD vragen hoe de initiatiefnemers hun morele verantwoordelijkheid wegen voor het feit dat kennis die in Nederland wordt opgedaan met speciaal gekweekte embryo’s internationaal kan worden gebruikt voor commerciële of ethisch omstreden toepassingen, en waarom zij dit risico aanvaardbaar achten.

In de memorie van toelichting wordt benadrukt dat de Embryowet een balans beoogt tussen de bescherming van beginnend menselijk leven en het belang van medisch-wetenschappelijk onderzoek.18 Daarmee wordt erkend dat embryo’s een bijzondere morele status hebben. Juist daarom roept het voorstel om embryo’s doelbewust tot stand te brengen voor onderzoek principiële vragen op over de grens tussen bescherming en instrumentaliserend gebruik.

2.

Zelfs indien het opheffen van het verbod zou leiden tot nieuwe medische kennis, hoe verantwoorden de initiatiefnemers dat het doelbewust kweken en vernietigen van menselijk leven principieel aanvaardbaar is, in plaats van vast te houden aan de grens dat menselijk leven geen onderzoeksobject mag zijn?

In de memorie van toelichting stellen de initiatiefnemers dat de «Embryowet beoogt een goede balans te bieden tussen de bescherming van beginnend menselijk leven enerzijds en het belang van medisch-wetenschappelijk onderzoek anderzijds»,19 en dat met het opheffen van het verbod recht wordt gedaan aan de waarde van beginnend menselijk leven.20

3.

Wat wordt volgens de initiatiefnemers bedoeld met «beginnend menselijk leven», en op welke manier wordt hier concreet recht aan gedaan, vragen de leden van de fractie van FVD. Is er een morele grondslag voor dit oordeel? Zo ja, wat houdt deze grondslag in? Zo nee, hoe wordt er volgens hen wél recht gedaan aan de bescherming van beginnend menselijk leven, en hoe wordt ervoor gezorgd dat deze onderbouwing consistent wordt toegepast binnen de Embryowet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van JA21

De leden van de fractie van JA21 hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en wensen de initiatiefnemers enkele vragen te stellen.

Initiatiefnemer Paternotte heeft gezegd: «De CCMO zal het onderzoek en het onderzoeksdoel nadrukkelijk moeten afwegen tegen de bezwaren die bestaan tegen wetenschappelijk onderzoek met embryo’s. Dan gaat het om de beschermwaardigheid van menselijke embryo’s en het feit dat onderzoeksembryo’s niet kunnen worden gebruikt om een zwangerschap tot stand te brengen. (...) Per concreet geval moet dan worden gekeken welke factoren een rol spelen. Dat is dus geen wiskundige formule, maar een totaalweging.»

De afweging tussen de beschermwaardigheid van het embryo en het veronderstelde onderzoeksbelang wordt dus gemaakt door het CCMO. Deze afweging wordt voorts gemaakt op basis van open normen, zoals proportionaliteit. De kern is dat niet de wetgever, maar de CCMO bepaalt wat proportioneel is, welke bezwaren zwaar wegen en wanneer de beschermwaardigheid van het embryo ondergeschikt is aan het veronderstelde onderzoeksbelang.

1.

Kunnen de initiatiefnemers toelichten hoe wordt voorkomen dat deze open normen in de praktijk geleidelijk verschuiven, bijvoorbeeld onder druk van wetenschappelijke praxis, zonder dat daar parlementaire besluitvorming aan voorafgaat? Op welke wijze houdt de wetgever structureel zicht en zeggenschap op deze normontwikkeling? Hoe wordt voorkomen dat divergentie ontstaat tussen de normen die de wetgever stelt en die wetenschap wenselijk acht?

2.

Kunnen de initiatiefnemers concreet kwantificeren welke extra onderzoekscapaciteit en welke versnelling in tijd dit wetsvoorstel beoogt te realiseren (bijvoorbeeld in aantallen onderzoeken, benodigde embryo’s of tijdswinst in ontwikkelingsfasen)? En kunnen zij daarbij onderbouwen dat deze eventuele versnelling niet binnen het huidige wettelijke kader kan worden bereikt, bijvoorbeeld omdat het beschikbare aantal restembryo’s na fertiliteitsbehandeling aantoonbaar ontoereikend is?

3.

Tot slot vragen de leden van de fractie JA21 of de initiatiefnemers inzichtelijk kunnen maken welke specifiek in Nederland gevestigde onderzoeksprogramma’s uitsluitend door dit wetsvoorstel mogelijk worden gemaakt, en welke daarvan bij verwerping structureel niet (of slechts met wezenlijke vertraging) tot uitvoering kunnen komen? En kunnen zij daarbij toelichten in hoeverre uitwijken naar internationale samenwerkingsverbanden of buitenlandse onderzoeksfaciliteiten deze lacune kan opvangen?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van Volt

De leden van de fractie van Volt hebben kennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel tot wijziging van de Embryowet, waarmee het verbod op het speciaal tot stand brengen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek wordt opgeheven. Deze leden hechten groot belang aan zorgvuldig en verantwoord wetenschappelijk onderzoek, met name onderzoek dat kan bijdragen aan betere kennis over vroege embryonale ontwikkeling, het verminderen van miskramen, het verbeteren van IVF-behandelingen en het voorkomen van erfelijke aandoeningen. Zij erkennen dat het gebruik van uitsluitend restembryo’s uit IVF-behandelingen beperkingen kent voor dergelijk onderzoek en dat deze wetswijziging beoogt die beperking weg te nemen.

Tegelijkertijd zijn de leden van de Volt-fractie van oordeel dat verruiming van de wettelijke mogelijkheden gepaard moet gaan met heldere normstelling, robuust toezicht en effectieve handhaving, juist waar het gaat om het gebruik van menselijk lichaamsmateriaal. Daarbij kan niet voorbij worden gegaan aan recente misstanden in de fertiliteitszorg, waarbij is gebleken dat een aantal artsen gedurende lange tijd hun eigen sperma heeft gebruikt bij IVF-behandelingen, en aan een aantal gevallen van spermadonors die veelvuldig doneerden aan vele vrouwen zonder dat de (wens)ouders dit wisten. Deze gebeurtenissen onderstrepen het belang van expliciete waarborgen, transparantie en controle, ook wanneer sprake is van onderzoek en niet van zwangerschapsdoeleinden.

Tegen deze achtergrond hebben de leden van de fractie Volt enkele vragen:

1.

Is het juridisch expliciet uitgesloten dat artsen, embryologen of ander personeel dat betrokken is bij wetenschappelijk embryo-onderzoek zelf donor zijn van sperma of eicellen voor het creëren van embryo’s voor onderzoek?

2.

Indien dit niet expliciet wettelijk is vastgelegd, waarop is deze uitsluiting dan precies gebaseerd (wetgeving, lagere regelgeving, professionele normen), en achten de indieners deze basis voldoende robuust en afdwingbaar?

3.

Hoe wordt in de praktijk gecontroleerd dat geen sprake is van zelfdonatie door betrokken zorgverleners of onderzoekers, mede in het licht van eerdere misstanden waarbij dergelijke praktijken jarenlang onopgemerkt zijn gebleven?

4.

Wordt bij de ethische toetsing van onderzoeksprotocollen expliciet gekeken naar de mate van genetische variatie in het gebruikte donormateriaal?

5.

Hoe wordt voorkomen dat het sperma van één donor herhaaldelijk en cumulatief wordt gebruikt in meerdere onderzoeksprojecten, zonder dat daar een duidelijke wetenschappelijke noodzaak voor bestaat?

6.

Achten de indieners het wenselijk om richtlijnen te ontwikkelen voor toetsingscommissies over genetische variatie en cumulatief donorgebruik bij onderzoeksembryo’s?

7.

Welke sancties staan er op overtreding van de regels, zoals onjuiste donorregistratie, schending van de scheiding van rollen of het gebruik van embryo’s buiten het goedgekeurde protocol?

8.

Worden overtredingen en opgelegde sancties openbaar gerapporteerd, en zo nee, waarom niet?

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

De leden van de fractie van de SGP hebben kennisgenomen van het initiatiefvoorstel tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek. Het wetsvoorstel heeft deze leden aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen aan de initiatiefnemers.

Vragen met betrekking tot de menswaardigheid van het embryo

De initiatiefnemers verwijzen naar de discussie die is gevoerd over de definitie van het embryo en wijzen erop dat uit de verschillende evaluaties blijkt dat de reikwijdte van het begrip zoals die in de Embryowet wordt gehanteerd, niet breed genoeg is. Zo wordt in de derde evaluatie een definitie voorgesteld waarmee het embryo qua waarde gelijk wordt gesteld aan die van een baby tot aan de geboorte, omdat het embryo ziet op alle stadia van de ontwikkeling van het menselijke leven tot aan de geboorte.21 Die definitie neemt, volgens de leden van de SGP-fractie, afscheid van de idee dat het embryo slechts de potentie tot menselijk leven heeft, en zet de lijn uit dat het embryo menselijk leven is.

1.

Herkennen de initiatiefnemers deze uitleg van de conclusies van de evaluaties en de voorgestelde nieuwe definitie?

2.

Onderschrijven de initiatiefnemers dat al het menselijk leven beschermwaardig is?

3.

Erkennen de initiatiefnemers dat het problematisch is om menselijk leven, dat daarmee niet heeft ingestemd, te beëindigen of daarmee te experimenteren ten behoeve van de wetenschap?

4.

Uit de evaluaties van de Embryowet vloeit voort dat de reikwijdte van het begrip embryo niet toereikend is en moet worden uitgebreid, waardoor noodzakelijkerwijs ook de bescherming wordt uitgebreid. Hoe betogen de initiatiefnemers dat hieruit ook voortvloeit dat de mogelijkheden om embryo’s te doen ontstaan en te beëindigen in het belang van wetenschappelijk onderzoek moeten worden uitgebreid?

De initiatiefnemers nemen de positie in dat de beschermwaardigheid van embryo’s fundamenteel is, maar dat er een chronologisch aspect is waarbij er sprake is van een toenemende beschermwaardigheid. Dit staat haaks op de uitgangspositie van de nieuwe definitie, die uitgaat van beschermwaardigheid in alle fasen van ontwikkeling.

5.

Op basis waarvan nemen de initiatiefnemers deze positie in?

6.

Kunnen zij ingaan op de vraag wanneer de chronologie begint en waar die ophoudt, en op welke argumenten dit is gebaseerd?

7.

Kunnen zij tevens aangeven op welk moment de mens in zijn ontwikkeling op zijn hoogste waarde is gekomen? Hoe verhoudt die waarde zich tot de waarde van andere levensfasen? Op basis van welke gegevens en/of argumenten trekken de initiatiefnemers die conclusie?

8.

Welke kaders stellen de initiatiefnemers voor om het chronologische aspect te objectiveren als kader voor de beslissing of een embryo al dan niet gebruikt mag worden voor wetenschappelijk onderzoek? Wat rechtvaardigt de keuze voor die kaders?

Onderdeel van de voorwaarden en waarborgen die worden gesteld, is de bescherming van het welzijn van het toekomstige kind.

9.

Is er bij een embryo niet per definitie al sprake van een kind dat zich ontwikkelt? Hoe wordt het welzijn van het kind in de embryonale fase met dit voorstel gewaarborgd?

Verder stellen de initiatiefnemers zich op het standpunt dat het recht op menselijk leven niet in het geding is omdat embryo’s die onderwerp zijn van wetenschappelijk onderzoek niet zullen worden gebruikt om menselijk leven tot stand te brengen.22 Dit is, volgens de leden van de fractie van de SGP, feitelijk een onjuiste afweging daar het bij een embryo per definitie gaat om al bestaand menselijk leven.

10.

Op basis van welke informatie concluderen de initiatiefnemers dat een embryo geen menselijk leven is?

De leden van de SGP-fractie lezen in de nieuwe definitie van het wijzigingswetsvoorstel juist een poging om tot betere bescherming te komen van embryo’s die nu niet voldoende worden beschermd.

11.

Ondergraaft het opheffen van het verbod niet de bedoeling van de nieuwe definitie van het embryo?

Vragen met betrekking tot de onderbouwing van het voorstel

De belangrijkste reden voor het opheffen van het verbod lijkt te zijn dat de embryo’s die nu worden gebruikt, niet jong genoeg zijn om mogelijke risico’s in kaart te brengen met betrekking tot de voortplantingsgeneeskunde. De leden van de fractie van de SGP hebben moeite met deze rechtvaardiging, omdat niet wordt gesproken over bewezen risico’s maar over mogelijke risico’s.

12.

Hoe zwaarwegend achten de initiatiefnemers het belang van mogelijke risico’s tegenover de beschermwaardigheid van menselijk leven? Op welke wijze heeft deze belangenafweging plaatsgevonden?

Eén van de argumenten van de initiatiefnemers om het verbod op te heffen is dat op dit moment in het buitenland al op commerciële basis wordt geëxperimenteerd, wat schadelijke gevolgen kan hebben, ook voor gebruikers van die schadelijke technieken in Nederland, en dat Nederland geschikt is om op een verantwoorde wijze te experimenteren.

13.

Gaan de initiatiefnemers er hiermee niet aan voorbij dat immorele praktijken in het buitenland met schadelijke gevolgen in Nederland niet een rechtvaardiging kunnen vormen voor het verrichten van immorele praktijken in Nederland om de schadelijke gevolgen te mitigeren?

  • a. Ter illustratie, omdat de leden van de SGP-fractie menen dat hiermee dezelfde argumentatiestructuur wordt gebruikt, willen zij dit middels een reductio ad absurdum voorleggen: het feit dat in het buitenland kindhuwelijken plaatsvinden waarbij kinderen geen rechten worden toegekend en waarbij zij na immigratie in Nederland ertegenaan lopen dat hun huwelijk niet wordt erkend, wat nadelige gevolgen kan hebben voor bijvoorbeeld de bijstand, betekent toch niet dat kindhuwelijken in Nederland moeten worden toegestaan omdat in Nederland wel rechten aan de kinderen zouden worden toegekend?

14.

Indien het argument van de initiatiefnemers is om wensouders in Nederland te beschermen tegen de nadelige gevolgen van schadelijke praktijken in het buitenland, waarom volstaat het dan niet om hierover meer bewustwording te bewerkstelligen en wensouders actief te informeren over de gevaren?

15.

Is het in dat kader ook niet juist en effectief om wensouders te wijzen op alternatieven zoals adoptie?

De leden van de fractie van de SGP onderkennen dat de eerste fasen van ontwikkeling uitzonderlijk moeilijk te bestuderen zijn. Tegelijk is niet bewezen dat de enige mogelijkheid om die eerste fasen te bestuderen bestaat uit het opheffen van het verbod zoals bepaald in artikel 24, sub a, van de Embryowet. Onderdeel van de wetsystematiek voor de rechtvaardiging van onderzoek met embryo’s is dat dit alleen kan indien geen alternatief bestaat.23 Daarbij gaat het er, naar de mening van deze leden, niet om dat onderzoek wordt belemmerd, zoals uit het onderzoek uit 2015 blijkt, maar dat er geen effectief alternatief bestaat voor het onderzoek dat men beoogt.24 Verder stellen de initiatiefnemers in reactie op het negatieve advies van de Raad van State dat bepaalde technieken op dit moment ver genoeg ontwikkeld zijn om het verbod op te heffen.25 Daarbij gaan zij echter niet in op de vraag of alternatieven voor die technieken bestaan.

16.

Op welke wijze is onderzocht of er geen alternatief bestaat voor de onderzoeken die de initiatiefnemers beogen mogelijk te maken?

Het is, voor zover bekend bij de leden van de fractie van de SGP, niet van belang of er belangrijk wetenschappelijk onderzoek wordt belemmerd door het verbod. Immers, in gelijke zin kan worden gesteld dat belangrijk onderzoek wordt belemmerd omdat op levende mensen niet zonder hun instemming mag worden geëxperimenteerd. Het idee achter het verbod is de beschermwaardigheid van embryo’s als zijnde feitelijk menselijk leven. Wat geldt voor de beschermwaardigheid van volwassen mensen, moet ook gelden voor mensen in een eerdere fase van hun ontwikkeling, hetzij als puber, kleuter, baby of embryo.

17.

Op basis waarvan concluderen de initiatiefnemers dat het voor het opheffen van het verbod van belang is dat belangrijk wetenschappelijk onderzoek wordt belemmerd?

Vragen met betrekking tot het onderscheid tussen het embryo en het ELS

Door de definitie van het embryo te koppelen aan de ontstaanswijze en niet aan de potentie, worden zowel embryo’s als embryo-like-structures (ELS) onder de definitie van het embryo gebracht. Volgens de leden van de SGP-fractie is dit een ongelukkige stap. De ontstaanswijze is voor deze leden juist van onderscheidend belang. In het geval van een embryo is er immers sprake van nieuw menselijk leven (lichaam en ziel) na samensmelting van een ei- en zaadcel, terwijl in het geval van een ELS sprake is van een lichaamachtige structuur zonder ziel na een medische behandeling van een stamcel. Volgens deze leden wordt hiermee de waarde van het embryo gedevalueerd, terwijl het ELS juist een alternatief zou bieden.

18.

Erkennen de initiatiefnemers het onderscheid tussen embryo’s en embryo-like-structures?

19.

Waarom kiezen zij ervoor om de bredere definitie van het embryo te hanteren?

20.

Op grond waarvan achten zij het niet voldoende om het verbod op embryokweek voor wetenschappelijke doeleinden op te heffen uitsluitend voor ELS en niet voor embryo’s?

21.

Kunnen de initiatiefnemers ingaan op de stelling van de regering in haar wetsvoorstel dat middels embryomodellen (ELS) de vroege embryonale ontwikkeling kan worden bestudeerd?26

22.

Erkennen de initiatiefnemers dat er meer maatschappelijk en politiek draagvlak zal ontstaan voor hun voorstel door dat onderscheid wel te maken?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Visseren-Hamakers

Het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers heeft begrip en waardering voor de doelstellingen van de wet. Na bestudering van de stukken en de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer heeft dit lid nog de volgende vragen aan de initiatiefnemers en de regering.

1.

In de memorie van toelichting en het schriftelijk overleg in de Tweede Kamer worden de toegestane soorten onderzoek met behulp van voor onderzoek ontwikkelde embryo’s vermeld. Wat wordt hier bedoeld met «transplantatiegeneeskunde»?

2.

In welke context worden eicellen en zaadcellen gedoneerd? Zijn de donoren patiënt, gezonde donoren of allebei?

3.

Zijn donoren patiënten bij wie zwanger worden problematisch was of is? Met andere woorden, zijn zij «neutrale» donoren, of zijn zij emotioneel betrokken bij de voortplantingsgeneeskunde? En dus: zijn deze donoren in staat om «objectief» te besluiten donor te worden?

4.

Welke medische ingrepen en handelingen zijn nodig om eicellen te doneren? Worden deze ingrepen alleen gedaan met het doel te doneren, of zijn zij onderdeel van een medische behandeling, vraagt het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers.

5.

In de memorie van toelichting wordt een overzicht gegeven van de wetgeving in internationaal perspectief.27 Ook in het schriftelijk overleg wordt gesproken over onderzoek in andere landen. Is deze informatie nog steeds actueel?

6.

Uit de memorie van toelichting blijkt niet dat Nederland achterloopt op het gebied van mogelijkheden om embryo’s te ontwikkelen voor onderzoek, maar dat verschillende landen terughoudend zijn. Kunnen de initiatiefnemers en de regering een overzicht geven van wetgeving in EU-landen en andere toonaangevende en relevante onderzoekslanden, zoals het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Australië, China, Canada en andere relevante landen? In welke landen is het ontwikkelen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek verboden, toegestaan, of toegestaan binnen randvoorwaarden? En welke randvoorwaarden betreft dit?

7.

Wetenschappelijk onderzoek wordt over het algemeen in internationaal verband ontwikkeld en uitgevoerd. Wat is in deze context de toegevoegde waarde van de Nederlandse wetswijziging?

8.

Wat is de wetenschappelijke basis voor de claim dat het ontwikkelen van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek meer geslaagde zwangerschappen oplevert? Met andere woorden, is dit een veronderstelling of een wetenschappelijk feit?

9.

Wat voor soort onderzoek heeft men voor ogen met de embryo’s: fundamenteel wetenschappelijk onderzoek, toegepast onderzoek, of beide? Indien beide, wat is de verwachte verhouding tussen fundamenteel en toegepast onderzoek?

10.

Mogen de embryo’s worden verplaatst naar het buitenland?

11.

Mogen de embryo’s worden verkocht, bijvoorbeeld van een onderzoekscentrum aan een ander?

12.

Zijn de embryo’s «eigendom» van iemand of een organisatie?

13.

Wie of welke organisatie is eigenaar van de kennis en (genetische) data verkregen uit de embryo’s?

14.

Hoe worden de embryo’s en al het (genetisch) materiaal uit de embryo’s na het onderzoek vernietigd?

15.

Wat zijn de regels met betrekking tot opslag en vernietiging van de (genetische) data verkregen uit de embryo’s?

16.

Hoe worden de donoren geïnformeerd over bovenstaande eigendomsvragen?

17.

Blijven de donoren eigenaar van de data en kennis over hun genetisch materiaal?

18.

Zal met het stopzetten van het moratorium op het ontwikkelen van menselijke embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek het aantal dierproeven toenemen of afnemen? Er wordt namelijk in de memorie van toelichting en in het schriftelijk overleg in de Tweede Kamer op verschillende momenten gerefereerd aan dierproeven, onder meer als mogelijk alternatief voor het gebruik van menselijke embryo’s.

19.

Worden er dierlijke producten gebruikt in kweekmedia voor embryo’s?

20.

Hoeveel dierproeven worden momenteel in Nederland uitgevoerd voor onderzoek in de voortplantingsgeneeskunde?

21.

Wat voor dierproeven betreft dit? Met welke categorie ongerief?

22.

De ontwikkeling van New Approach Methodologies (NAMs) als alternatief voor dierproeven gaat momenteel razend snel. In hoeverre zal het wetsvoorstel op middellange termijn worden «ingehaald» door NAMs, zoals AI en embryomodellen, of een combinatie hiervan, vraagt het lid van de Fractie-Visseren-Hamakers tot slot.

De leden van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen de nota naar aanleiding van het verslag van de initiatiefnemers graag uiterlijk 17 maart 2026.

De voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Prins

De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Wolf


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3.

X Noot
3

Rosanne Hertzberger, opiniebijdragen d.d. 4, 6 en 9 december 2025, gepubliceerd op Substack, te raadplegen via: https://rosannehertzberger.substack.com/archive.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 16.

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 13.

X Noot
6

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 2.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 2.

X Noot
8

Conform amendement van het lid Krul, Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 17.

X Noot
9

Raad van Europa, Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (Verdrag van Oviedo), ETS nr. 164, Oviedo, 4 april 1997, te raadplegen via https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list?module=treaty-detail&treatynum=164

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 32.

X Noot
11

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 18.

X Noot
12

Silvia Geurts en Lune van der Meulen, Voor een baby naar België: duizenden Nederlanders doen het, Nieuwsuur/NOS, 27 april 2023, te raadplegen via https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2473041-voor-een-baby-naar-belgie-duizenden-nederlanders-doen-het; Grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische fertiliteitsklinieken: «Ik noem België altijd het Silicon Valley van vruchtbaarheidszorg», Pointer (KRO-NCRV), 13 oktober 2025, te raadplegen via https://pointer.kro-ncrv.nl/grote-verschillen-nederlandse-belgische-vruchtbaarheidszorg-belgie-silicon-valley.

X Noot
13

Silvia Geurts en Lune van der Meulen, Voor een baby naar België: duizenden Nederlanders doen het, Nieuwsuur/NOS, 27 april 2023, te raadplegen via https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2473041-voor-een-baby-naar-belgie-duizenden-nederlanders-doen-het; Grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische fertiliteitsklinieken: «Ik noem België altijd het Silicon Valley van vruchtbaarheidszorg», Pointer (KRO-NCRV), 13 oktober 2025, te raadplegen via https://pointer.kro-ncrv.nl/grote-verschillen-nederlandse-belgische-vruchtbaarheidszorg-belgie-silicon-valley.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 11.

X Noot
15

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 2, p. 1.

X Noot
16

Kamerstukken II 2024/25, 36 416, nr. 10, p. 23.

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 18.

X Noot
18

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 1.

X Noot
19

Ibid.

X Noot
20

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 2.

X Noot
21

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 5 en de Derde evaluatie van de Embryowet, Den Haag: ZonMw, februari 2021, p. 10, 196, te raadplegen via https://www.zonmw.nl/sites/zonmw/files/typo3-migrated-files/Derde_evaluatie_Embryowet.pdf.

X Noot
22

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 21.

X Noot
23

Zoals bijvoorbeeld volgt uit artikel 10, aanhef en sub b, van de Embryowet.

X Noot
24

J. Eeuwijk, K. Kochems, e.a., Onderzoek naar speciaal kweken. Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van VWS, Rotterdam: Pallas 2015.

X Noot
25

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 10.

X Noot
26

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 2.

X Noot
27

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 13–14.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-Den Uijl (SP), Bakker-Klein (CDA), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Fiers (GroenLinks-PvdA), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Kaljouw (VVD), Kemperman (FVD), Van Knapen (BBB), Koffeman (PvdD), Van der Linden (VVD), Moonen (D66), Perin-Gopie (Volt), Prins (CDA) (voorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Roovers (GroenLinks-PvdA), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Straus (VVD), Talsma (ChristenUnie), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), De Vries (SGP), Walenkamp (Fractie-Walenkamp), Van Wijk (BBB)

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3.

X Noot
3

Rosanne Hertzberger, opiniebijdragen d.d. 4, 6 en 9 december 2025, gepubliceerd op Substack, te raadplegen via: https://rosannehertzberger.substack.com/archive.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 16.

X Noot
5

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 13.

X Noot
6

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 2.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 2.

X Noot
8

Conform amendement van het lid Krul, Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 17.

X Noot
9

Raad van Europa, Verdrag inzake de rechten van de mens en de biogeneeskunde (Verdrag van Oviedo), ETS nr. 164, Oviedo, 4 april 1997, te raadplegen via https://www.coe.int/en/web/conventions/full-list?module=treaty-detail&treatynum=164

X Noot
10

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 32.

X Noot
11

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 18.

X Noot
12

Silvia Geurts en Lune van der Meulen, Voor een baby naar België: duizenden Nederlanders doen het, Nieuwsuur/NOS, 27 april 2023, te raadplegen via https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2473041-voor-een-baby-naar-belgie-duizenden-nederlanders-doen-het; Grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische fertiliteitsklinieken: «Ik noem België altijd het Silicon Valley van vruchtbaarheidszorg», Pointer (KRO-NCRV), 13 oktober 2025, te raadplegen via https://pointer.kro-ncrv.nl/grote-verschillen-nederlandse-belgische-vruchtbaarheidszorg-belgie-silicon-valley.

X Noot
13

Silvia Geurts en Lune van der Meulen, Voor een baby naar België: duizenden Nederlanders doen het, Nieuwsuur/NOS, 27 april 2023, te raadplegen via https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2473041-voor-een-baby-naar-belgie-duizenden-nederlanders-doen-het; Grote verschillen tussen Nederlandse en Belgische fertiliteitsklinieken: «Ik noem België altijd het Silicon Valley van vruchtbaarheidszorg», Pointer (KRO-NCRV), 13 oktober 2025, te raadplegen via https://pointer.kro-ncrv.nl/grote-verschillen-nederlandse-belgische-vruchtbaarheidszorg-belgie-silicon-valley.

X Noot
14

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 11.

X Noot
15

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 2, p. 1.

X Noot
16

Kamerstukken II 2024/25, 36 416, nr. 10, p. 23.

X Noot
17

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 18.

X Noot
18

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 1.

X Noot
19

Ibid.

X Noot
20

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 2.

X Noot
21

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 5 en de Derde evaluatie van de Embryowet, Den Haag: ZonMw, februari 2021, p. 10, 196, te raadplegen via https://www.zonmw.nl/sites/zonmw/files/typo3-migrated-files/Derde_evaluatie_Embryowet.pdf.

X Noot
22

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 21.

X Noot
23

Zoals bijvoorbeeld volgt uit artikel 10, aanhef en sub b, van de Embryowet.

X Noot
24

J. Eeuwijk, K. Kochems, e.a., Onderzoek naar speciaal kweken. Een onderzoek in opdracht van het Ministerie van VWS, Rotterdam: Pallas 2015.

X Noot
25

Kamerstukken II 2024/25, 36 416 nr. 7, p. 10.

X Noot
26

Kamerstukken II 2024/25, 36 677, nr. 3, p. 2.

X Noot
27

Kamerstukken II 2022/23, 36 416, nr. 3, p. 13–14.

Naar boven