36 416 Voorstel van wet van de leden Paternotte en Bevers tot wijziging van de Embryowet in verband met de afschaffing van het tijdelijk verbod op het doen ontstaan van embryo’s voor wetenschappelijk onderzoek

Nr. 23 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN EN SPORT

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 mei 2026

Op 3 december 2025 heeft de Kamer gedebatteerd over het initiatiefwetsvoorstel van D66 en VVD om de Embryowet te wijzigen. Dit initiatiefwetsvoorstel is op 16 december jl. door de Tweede Kamer aangenomen. Het initiatiefwetsvoorstel zorgt dat het wordt toegestaan om embryo’s tot stand te brengen voor onderzoeksdoeleinden en voor het verkrijgen van embryonale stamcellen voor transplantatiegeneeskunde. Nu mag alleen onderzoek worden gedaan met embryo’s die overgebleven zijn na ivf en die gedoneerd zijn aan de wetenschap.

Naar aanleiding van het debat zijn op 9 december jl. drie moties aangenomen. In deze brief informeert het kabinet de Kamer over de opvolging van deze moties.

Motie van het lid Krul c.s. over onderzoek naar alternatieven van onderzoek met speciaal daarvoor gekweekte embryo's langjarig door laten gaan1

Deze motie van het lid Krul c.s. gaat over alternatieven voor onderzoek met embryo’s. Voorbeelden van dergelijke alternatieven zijn methoden waarbij stamcellen de embryonale ontwikkeling (deels) nabootsen. De motie roept de regering op ervoor te zorgen dat dergelijk onderzoek langjarig door kan gaan zodat in de toekomst onderzoek met «klassieke» embryo’s2 niet meer nodig is. Hoewel het niet aannemelijk is dat alternatieve methoden in de toekomst al het onderzoek met «klassieke» embryo’s kunnen vervangen,3 zijn deze studies heel relevant en kunnen ze er wel voor zorgen dat minder «klassieke» embryo’s nodig zijn voor onderzoek.

Kortom, het kabinet erkent het belang om daar waar het kan alternatieve onderzoeksmethodes te gebruiken. De CCMO kan hierbij een belangrijke rol spelen door te waarborgen dat ook daadwerkelijk gebruik wordt gemaakt van de ontwikkelde alternatieven. De CCMO toetst al het onderzoek met embryo’s, en zal ook al het onderzoek met speciaal daarvoor tot stand gebrachte embryo’s vooraf toetsen. Bij de toetsing zal de CCMO ook beoordelen of het onderzoek niet op andere manieren kan plaatsvinden dan door onderzoek met de betreffende embryo’s; als er alternatieven zijn die naar verwachting dezelfde resultaten opleveren, wordt het onderzoek niet goedgekeurd. Om hierover transparantie te bieden, zal de CCMO in het jaarverslag ingaan op de redenen waarom er geen alternatieve manier was om het onderzoek uit te voeren voor onderzoek dan met tot stand gebrachte embryo’s.

Het kabinet zet momenteel in op onderzoek naar alternatieven met het onderzoeksprogramma PSIDER van ZonMw. De doelstellingen van dit 8-jarige programma zijn om met behulp van (geïnduceerde) pluripotente stamcellen:

  • – alternatieve modelsystemen te ontwikkelen voor humane embryo’s;

  • – kennis te ontwikkelen voor de behandeling van ernstige erfelijke ziekten;

  • – Nederland een leidende rol te laten spelen in dit internationale wetenschappelijke veld.

Voor dit programma is geld gereserveerd tot en met 2027. Er is in de begroting van VWS geen financiële dekking voor het vervolg van dergelijk onderzoeksprogramma, maar dat betekent natuurlijk niet dat na afloop van het programma geen onderzoek zal plaatsvinden naar alternatieven voor onderzoek met embryo’s. Doordat de CCMO bij de toetsing van onderzoek met embryo’s beoordeelt of er ook alternatieve onderzoeksmethodes gebruikt kunnen worden, blijven we het belang van ontwikkelde alternatieven onderstrepen en waar mogelijk prefereren. Op deze manier geeft het kabinet uitvoering aan de motie-Krul c.s.

Motie van de leden Bikker en Diederik van Dijk over voorkomen dat Nederlandse kennis en technologie over kiembaanmodificatie worden ingezet in het buitenland4

Zoals het kabinet heeft toegelicht aan het begin van deze brief, wordt het door het initiatiefwetsvoorstel toegestaan embryo’s tot stand te brengen voor onderzoeksdoeleinden. Hierdoor wordt het ook mogelijk onderzoek te doen naar (het wijzigen van) het DNA van embryo’s of van cellen die worden gebruikt om embryo’s tot stand te brengen. Het toepassen van kiembaanmodificatie op embryo’s die voor een zwangerschap worden gebruikt, blijft verboden op grond van artikel 24g van de Embryowet.

De motie verzoekt de regering om te voorkomen dat kennis over kiembaanmodificatie kan worden toegepast buiten de eigen landsgrenzen. Zoals de indieners tijdens het debat hebben toegelicht, willen zij voorkomen dat deze technieken in het buitenland voor (onwenselijke) reproductieve toepassingen worden gebruikt. Nederland kan niet handhavend optreden tegen (klinische) toepassingen van wetenschappelijke kennis in het buitenland. De vervolgvraag is of het kabinet kan voorkomen dat kennis over kiembaanmodificatie het buitenland überhaupt bereikt. Het antwoord op deze vraag luidt dat het praktisch en juridisch niet haalbaar is verspreiding van deze kennis tegen te gaan. Toch wil het kabinet binnen de mogelijkheden die het heeft recht doen aan de zorgen van de indieners van de motie dat Nederlandse kennis en technologie over kiembaanmodificatie wordt ingezet in het buitenland voor oneigenlijke doeleinden. Ook hier ziet het kabinet een rol voor CCMO weggelegd. Hieronder wordt een en ander nader toegelicht.

Academische vrijheid is een van de belangrijke academische kernwaarden die het fundament vormen van hoger onderwijs en wetenschap in Nederland. Een belangrijk doel van wetenschappelijk onderzoek is namelijk opgedane kennis te delen, onder andere door publicatie. Wetenschappelijke vooruitgang is niet mogelijk als kennis niet gedeeld kan worden. Door een verbod of beperking op publicaties of ander vormen van kennisdeling wordt het doel van onderzoek dus voor een belangrijk deel ondergraven. Er zijn in deze context bovendien juridisch geen middelen om toegang tot opgedane kennis te beperken tot Nederlandse onderzoekscentra of instituten. Academische vrijheid is wettelijk verankerd in de Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW). De WHW biedt geen grondslag of mogelijkheden om de verspreiding van wetenschappelijk kennis tegen te gaan of te beperken tot Nederland. Op basis van de Europese dual-use verordening (EG) nr. 2021/821 is het weliswaar mogelijk om beperkingen op te leggen aan de export van kennis en technologie, maar deze verordening richt zich op risico's met betrekking tot het ontwikkelen van nucleaire, chemische of biologische wapens.

Bij onderzoek naar kiembaanmodificatie is geen sprake van dergelijke risico’s. Daarnaast zal onderzoek dat gericht is op verbeteren van de techniek op zichzelf – dus het aanpassen van het genoom van embryo’s of geslachtscellen – ook nuttig kunnen zijn voor onderzoek naar vroege embryonale ontwikkeling of het ontstaan van erfelijke aandoeningen. Dergelijk fundamenteel wetenschappelijk onderzoek valt niet onder deze verordening.

Ook de Europese regelgeving biedt dus geen grondslag om te voorkomen dat onderzoeksresultaten over kiembaanmodificatie worden verspreid. Tenzij de nationale veiligheid op het spel staat, kan en wil het kabinet niet voorkomen dat andere landen Nederlands wetenschappelijk onderzoek gebruiken voor doeleinden die wij mogelijk onwenselijk vinden.

Bovenstaande geldt overigens ook voor andere wetenschapsgebieden, niet alleen voor embryo-onderzoek. Andere landen kunnen Nederlandse kennis die is verkregen met fundamenteel onderzoek naar bijvoorbeeld genetica of medische technologie gebruiken op manieren die niet stroken met Nederlandse normen en waarden. Andersom kan Nederland ook wetenschappelijke kennis uit het buitenland gebruiken voor toepassingen die betreffende landen onwenselijk vinden. Dit is een inherent kenmerk van de internationale wetenschapsbeoefening en kennisdeling.

Het kabinet vindt het wel van belang dat transparantie bestaat over het onderzoek dat met tot stand gebrachte embryo’s plaatsvindt, en dat zicht bestaat op internationale ontwikkelingen op het gebied van kiembaanmodificatie.

Daarom zal de CCMO in haar jaarverslag ook ingaan op het doel van de onderzoeksvoorstellen met speciaal tot stand gebrachte embryo’s, uiteraard wel rekening houdend met regels over openbaarmaking voor de belanghebbenden.

Daarnaast zal het kabinet bij de volgende wetsevaluatie van de Embryowet als aandachtspunt meegeven dat ook gekeken wordt naar internationale ontwikkelingen op dit terrein, en wat dit zou kunnen betekenen voor de Nederlandse wet- en regelgeving.

Motie van de leden Bikker en Diederik van Dijk over in evaluaties van de Embryowet expliciet aandacht besteden aan de maatschappelijke opinie5

Deze motie verzoekt de regering om bij de volgende evaluatie van de Embryowet aandacht te besteden aan de maatschappelijke opinie op dit thema en aan de wijze waarop recht wordt gedaan aan de beschermwaardigheid van het embryo. Deze aspecten maakten ook onderdeel uit van de laatste wetsevaluatie. Het kabinet geeft opvolging aan deze motie door deze punten expliciet mee te geven als aandachtspunten aan ZonMw voor de volgende evaluatie.

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, S.T.M. Hermans


X Noot
1

Kamerstukken II, 2025/26, 36 416, nr. 21.

X Noot
2

Embryo’s tot stand gebracht door in het menselijk lichaam geproduceerde geslachtscellen

X Noot
3

De motie suggereert dat artikel 11 in de Embryowet onderzoek met embryo’s geheel zou verbieden zodra alternatieve methoden beschikbaar zijn. Artikel 11 bepaalt echter dat embryo’s niet voor onderzoek tot stand mogen worden gebracht als de specifieke onderzoeksvraag ook op een andere manier kan worden beantwoord. Dit artikel richt zich dus op de beoordeling per onderzoeksprotocol. Er bestaan nu al diverse methoden die een alternatief kunnen bieden voor onderzoek met embryo’s. Of een methode daadwerkelijk een alternatief biedt, hangt sterk af van de specifieke onderzoeksvraag. Het is niet aannemelijk dat alternatieve methoden in de toekomst al het onderzoek met «klassieke» embryo’s kunnen vervangen. Bij embryomodellen gemaakt van stamcellen kunnen de ruimtelijke organisatie, cel-celinteracties en timing van ontwikkelprocessen namelijk anders zijn dan bij «klassieke» embryo’s.

X Noot
4

Kamerstukken II 2025/26, 36 416, nr. 18.

X Noot
5

Kamerstukken II 2025/2026, 36 416, nr. 19.

Naar boven