36 387 Wijziging van de Omgevingswet, de Gaswet en de Warmtewet in verband met gemeentelijke instrumenten voor de warmtetransitie in de gebouwde omgeving (Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie)

F VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 18 maart 2026

De vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over uitvoerbaarheid en haalbaarheid van voorhang Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:

  • De uitgaande brief van 19 december 2025.

  • De antwoordbrief van 16 maart 2026.

De griffier van de vaste Commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, Karthaus

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN / KLIMAAT EN GROENE GROEI

Aan de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening

Den Haag, 19 december 2025

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei hebben met belangstelling kennisgenomen van een afschrift van uw brief aan de Tweede Kamer van 4 november 2025. Deze brief betreft de beantwoording van de schriftelijke vragen inzake het ontwerpbesluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie aan de Tweede Kamer.2 Op 30 september heeft de commissie u laten weten het ontwerpbesluit te stuiten. De leden van de fractie van de BBB hebben naar aanleiding daarvan een aantal vragen en opmerkingen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie BBB

De fractieleden van de BBB vragen op welke concrete wijze de evaluatie van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (hierna: Wgiw) expliciet zal kijken naar de uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de specifieke situatie van plattelandsgemeenten en hun bewoners voldoende terugkomt in deze evaluatie?

Welke concrete middelen en instrumenten stelt u beschikbaar om de onrendabele kosten van warmtenetten te dekken, zodat deze, waar passend, haalbaar worden zonder dat bewoners of gemeenten onevenredig worden belast?

Hoe zorgt u ervoor dat kleinere plattelandsgemeenten, die onvoldoende middelen en personeel hebben voor de complexe berekeningen en planningen, structureel en specifiek ondersteund worden met middelen en expertise voor de warmtetransitie?

Hoe wordt voorkomen dat de aanwijsbevoegdheid en de bijbehorende verplichtingen de spanning tussen de nieuwbouwopgave en de verduurzaming vergroot?3 Welke aanvullende maatregelen worden overwogen om ervoor te zorgen dat corporaties ook blijven bouwen én verduurzamen?

Gemeenten moeten waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte baten.4 Waarom is er gekozen voor deze ondergrens in plaats van 100%? Hoe wordt de financiële haalbaarheid en bescherming van de resterende 30% van de huishoudens, in het bijzonder de kwetsbare groepen, gewaarborgd?

Veel financiële instrumenten en subsidies voor de warmtetransitie lopen tot uiterlijk 2030.5 Welk structureel flankerend beleid zal het nieuwe kabinet ontwikkelen om de betaalbaarheid van verduurzamingsmaatregelen na 2030 te garanderen, vooral voor de groep kwetsbare afnemers?

De fractieleden van de BBB vragen hoe u het risico dat het aanmoedigen van het financieren van verduurzamingsmaatregelen, bijvoorbeeld via een hypothecaire lening, schuldenproblematiek creëert, beoordeelt. Hoe wordt dit deel van de financiële haalbaarheid gemonitord om sociaaleconomische gevolgen te beheersen?

Wordt het aardgasnetwerk met de inzet van de aanwijsbevoegdheid compleet onbruikbaar voor toekomstige generaties en andere energiekeuzes (zoals duurzaam gas of waterstof)? Wat is de inschatting van de maatschappelijke kosten om de infrastructuur in stand te houden voor enkele achterblijvers in wijken waar reeds een redelijk alternatief beschikbaar is?

Waarom is de energieprestatie-eis voor een eigen alternatief (opt-out) in een warmtetransitiegebied aangescherpt naar een waarde van ≤ 0,7? Bent u bereid deze aanscherping te heroverwegen, omdat dit technieken als elektrische cv-ketels en biomassa gestookte ketels in de meeste gevallen uitsluit en daarmee de keuzevrijheid van gebouweigenaren beperkt?6

Wat zijn de verwachte gevolgen van het aanpassen van de deadline voor de vaststelling van het eerste warmteprogramma naar 31 december 2027 (in plaats van 31 december 2026) voor de snelheid en haalbaarheid van de warmtetransitie? Gezien de zorgen over de duur van het wetstraject en de ingewikkeldheid van het proces dat gemeenten moeten doorlopen. Hoe hoog acht u de kans dat, ook gezien de gemeenteraadsverkiezingen en de vele opgaven van gemeenten, verder uitstel noodzakelijk is? Wat doet u om dit te voorkomen?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk binnen vier weken.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken / Klimaat en Groene Groei, S.M. Kluit

BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 16 maart 2026

Hierbij bied ik u aan de beantwoording van de schriftelijke vragen inzake het ontwerp-Besluit gemeentelijke instrumenten warmtetransitie.

De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, E. Boekholt-O'Sullivan

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie BBB

1.

De fractieleden van de BBB vragen op welke concrete wijze de evaluatie van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (hierna: Wgiw) expliciet zal kijken naar de uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de specifieke situatie van plattelandsgemeenten en hun bewoners voldoende terugkomt in deze evaluatie?

Bij de behandeling van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) in de Eerste Kamer heeft het kabinet naar aanleiding van vragen van de fractieleden van de BBB toegezegd dat de uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten onderdeel zal zijn van de evaluatie van de Wgiw.

In de Wgiw is erin voorzien dat de Minister vijf jaar na inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal verslag doet over de doeltreffendheid en de effecten van de wet in de praktijk. In de memorie van toelichting is daarbij aangegeven dat in ieder geval aandacht wordt besteed aan de doeltreffendheid van de wet in relatie tot de landelijke doelstellingen, beschikbaarheid van groen gas en de betaalbaarheid.7 De concrete uitwerking van de evaluatie zal ook op lessen uit de praktijk en inzichten uit de monitoring, zoals hieronder nader wordt toegelicht, worden gebaseerd. De uitvoerbaarheid voor landelijk gelegen gemeenten zal hier conform de toezegging een belangrijk onderdeel van zijn. De evaluatie kan zich richten op de doeltreffendheid, doelmatigheid en uitvoerbaarheid van de wet. Bijvoorbeeld op welke wijze verschillende type gemeenten (groot en klein, stedelijk en landelijk, verschillen in sociaaleconomische status) uitvoering geven aan de wet. Onderwerpen die aan bod kunnen komen zijn in welke mate verschillende type gemeenten de aanwijsbevoegdheid inzetten, welk duurzaam alternatief zij hierbij voorstellen, de mate waarin gemeenten voldoende capaciteit en uitvoeringskracht hebben, en de mate waarin bewoners ondersteund worden in de lokale warmtetransitie.

De voortgang van de wijkaanpak wordt vooruitlopend op de evaluatie op verschillende manieren gemonitord. Het Nationaal Programma Lokale Warmtetransitie (NPLW) brengt jaarlijks een monitor uit over de voortgang van de lokale warmtetransitie bij gemeenten. Daar wordt ook de ontwikkeling in landelijk gelegen gemeenten meegenomen. Zo wordt vroegtijdig inzicht verkregen in de voortgang van de lokale warmtetransitie, mogelijke knelpunten die zich voordoen en bijvoorbeeld ook in de specifieke uitdagingen van verschillende gemeenten. Voor de verdere uitwerking van de evaluatie zal gebruik gemaakt worden van deze inzichten. Ten slotte zal invulling worden gegeven aan de motie Vermeer over het inzichtelijk maken wat de gevolgen van de aanwijsbevoegdheid zijn voor plattelandsgemeenten en hun inwoners.8

2.

Welke concrete middelen en instrumenten stelt u beschikbaar om de onrendabele kosten van warmtenetten te dekken, zodat deze, waar passend, haalbaar worden zonder dat bewoners of gemeenten onevenredig worden belast?

Allereerst wordt gewezen op de bestaande middelen en instrumenten rondom warmtenetten. Met subsidies zoals de Warmtenetten Investeringssubsidie (WIS), Stimulering Duurzame Energieproductie en Klimaattransitie (SDE++) en de Subsidie Warmte-infrastructuur Glastuinbouw (SWiG) worden de onrendabele kosten voor de productie en distributie van warmte zoveel mogelijk gedrukt. Met regelingen en subsidies zoals de Investeringssubsidie duurzame energie en energiebesparing (ISDE) worden aansluitkosten verlaagd. Hierdoor komt dit deel van de kosten niet terecht bij de inwoner en/of de verantwoordelijke gemeente(n). Consumenten zullen verder worden beschermd door tariefregulering in de Wet collectieve warmte (Wcw) die voorkomt dat gebruikers meer betalen dan nodig op basis van efficiënte kosten.

Daarnaast kent het Bgiw ook instructieregels die toezien op de betaalbaarheid voor de eindgebruiker, waaronder eigenaar-bewoners en huurders. Daartoe mogen voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied de verwachte kosten niet hoger zijn dan de verwachte baten, en moeten gemeenten rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten.

3.

Hoe zorgt u ervoor dat kleinere plattelandsgemeenten, die onvoldoende middelen en personeel hebben voor de complexe berekeningen en planningen, structureel en specifiek ondersteund worden met middelen en expertise voor de warmtetransitie?

Gemeenten krijgen met de Tijdelijke regeling capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid (CDOKE, tot en met 2025) en via het gemeentefonds (tot en met 2030) middelen voor de uitvoering van het decentrale klimaat- en energiebeleid. Dit geldt ook voor kleinere plattelandsgemeenten. In het regeerakkoord zijn middelen opgenomen voor de continuering van de uitvoering van het klimaatbeleid medeoverheden voor de periode van 2031 tot en met 2040.

Daarnaast worden alle gemeenten door het NPLW ondersteund, bijvoorbeeld met het ondersteuningsaanbod bij het opstellen van een warmteprogramma. Ook geeft het NPLW met praktijkvoorbeelden inzicht in de voortgang van de warmtetransitie en aanpakken van verschillende gemeenten en kunnen andere specifieke uitkeringen aan gemeenten, zoals de Specifieke Uitkering (SPUK) Lokale Aanpak Isolatie, deels gebruikt worden voor gemeentelijke uitvoeringskosten en het ondersteunen van bewoners bij het verduurzamen. Zoals in het antwoord op vraag 1 aangegeven zal daarnaast invulling worden gegeven aan de motie Vermeer9 over het inzichtelijk maken wat de gevolgen van de aanwijsbevoegdheid zijn voor plattelandsgemeenten en hun inwoners.

4.

Hoe wordt voorkomen dat de aanwijsbevoegdheid en de bijbehorende verplichtingen de spanning tussen de nieuwbouwopgave en de verduurzaming vergroot? Welke aanvullende maatregelen worden overwogen om ervoor te zorgen dat corporaties ook blijven bouwen én verduurzamen?

In de Nationale Prestatieafspraken (NPA) zijn afspraken gemaakt tussen Aedes, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over zowel nieuwbouw, betaalbaarheid, leefbaarheid als duurzaamheid. De NPA bevat één geheel pakket. De NPA zijn zo opgesteld dat corporaties landelijke voldoende financiële middelen hebben om te investeren in de doelstellingen op nieuwbouw, verduurzaming, onderhoud en leefbaarheid.

Zowel de bestaande voorraad op orde houden (leefbaarheid, kwaliteit, comfort) als het bijbouwen van woningen is essentieel voor een gezonde sociale huursector.

Zoals in de brief aan de Tweede Kamer over de Voortgang Nationale Prestatieafspraken10 is aangegeven boeken woningcorporaties goede voortgang met nieuwbouw en verduurzaming. In het coalitieakkoord is afgesproken om de financiële slagkracht van corporaties te verbeteren. Ik zal de Tweede Kamer binnenkort nader informeren over de precieze uitwerking, zodat corporaties kunnen doorgaan met woningen bouwen en verduurzamen.

Gemeenten hebben daarnaast vaak nauw contact met woningcorporaties over de plannen voor de lokale warmtetransitie, bijvoorbeeld over de mogelijke inzet van de aanwijsbevoegdheid en het onderling afstemmen van duurzame warmteplannen.

5.

Gemeenten moeten waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte baten. Waarom is er gekozen voor deze ondergrens in plaats van 100%? Hoe wordt de financiële haalbaarheid en bescherming van de resterende 30% van de huishoudens, in het bijzonder de kwetsbare groepen, gewaarborgd?

De wijkaanpak is bij uitstek een manier om ook kwetsbare groepen, en bijvoorbeeld huishoudens met een lager inkomen, mee te laten doen aan de verduurzaming. Zo kunnen gemeenten deze groepen via de wijkaanpak ondersteunen en bijvoorbeeld helpen met het aanvragen van subsidies en financiering. Daarmee kunnen deze huishoudens eveneens een comfortabelere woning realiseren, die zij kunnen verwarmen tegen acceptabele energielasten. Het ontwerpbesluit draagt hieraan bij, onder meer door de instructieregel dat gemeenten rekening moeten houden met de financierbaarheid van de maatregelen en de ontwikkeling van de maandelijkse lasten, voor en na de overstap naar de duurzame energievoorziening, in het bijzonder voor de meest kwetsbare huishoudens.

Met het ontwerpbesluit Bgiw is namelijk het amendement Erkens c.s.11 verder uitgewerkt en zijn er instructieregels opgenomen om de betaalbaarheid voor eigenaar-bewoners en huurders in een warmtetransitiegebied te waarborgen. Daartoe moeten gemeenten 1) waarborgen dat de verwachte kosten voor ten minste 70% van de woningen binnen het warmtetransitiegebied niet mogen uitstijgen boven de verwachte baten en 2) rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten.

Met het percentage van 70% wordt invulling gegeven aan de strekking van het amendement dat de aanpak van de gemeente betaalbaar moet zijn voor het overgrote deel van de wijk. Het moet vanuit financieel-economisch perspectief dus een verstandige en redelijke aanpak zijn. Het is een bewuste keuze om de ondergrens niet op 100% te zetten. Dit zou er namelijk toe kunnen leiden dat aanpakken die voor het overgrote deel van de wijk verstandig en redelijk zijn geen doorgang kunnen vinden als de maatregelen niet voor alle bewoners precies uitkomen. In het bijzonder als het slechts voor één of enkele woningen binnen het gebied niet uit kan terwijl het voor alle andere woningen een positieve business case oplevert en daarbij de bewoners van deze woningen die lasten wel kunnen dragen, omdat ze voldoende draagkracht hebben. Of ingeval dat de aanpak ook voordelen oplevert die niet direct worden meegenomen in de berekening, zoals meer comfort, een beter binnenklimaat en een hogere woningwaarde.

Dat wil niet zeggen dat de gemeente geen aandacht dient te besteden aan huishoudens die de verduurzamingsmaatregelen niet terugverdienen. De inzet is namelijk dat iedereen mee kan doen. Gemeenten moeten daarom rekening houden met de financiële haalbaarheid, waaronder de gevolgen voor de maandlasten en met oog voor kwetsbare afnemers. Bijvoorbeeld door goed in kaart te brengen in welke mate er sprake is van energiearme huishoudens in de desbetreffende wijk of buurt. Gemeenten kunnen hierbij gebruik maken van de energiearmoedekaart12 en gegevens over de sociaaleconomische status van een wijk of buurt.13 In lijn met het amendement Erkens c.s. wordt zo ook invulling gegeven aan de motie Flach.14

6.

Veel financiële instrumenten en subsidies voor de warmtetransitie lopen tot uiterlijk 2030. Welk structureel flankerend beleid zal het nieuwe kabinet ontwikkelen om de betaalbaarheid van verduurzamingsmaatregelen na 2030 te garanderen, vooral voor de groep kwetsbare afnemers?

Het Bgiw geeft kaders waarbinnen de aanwijsbevoegdheid kan worden ingezet. Zo mag een gemeente alleen een wijk aanwijzen in het omgevingsplan als dat voornemen al in het warmteprogramma kenbaar is gemaakt en moeten de maatregelen uit de wijziging van het omgevingsplan voor ten minste 70% van de woningen zich terugverdienen over de levensduur van de investering. Dat betekent dat de aanwijsbevoegdheid alleen kan worden ingezet als er aan alle waarborgen, waaronder de betaalbaarheid voor eindgebruikers als eigenaar-bewoners, huurders en in het bijzonder kwetsbare afnemers, kan worden voldaan.

Subsidies helpen om de kosten van verduurzamingsmaatregelen voor gebouweigenaren te drukken en maken daarmee de overstap naar een duurzame energievoorziening betaalbaarder voor eindgebruikers. De beschikbaarheid van subsidies en financiële instrumenten heeft daarmee invloed op de mate waarin gemeenten aan die kaders kunnen voldoen. De huidige subsidies lopen veelal tot uiterlijk 2030. Op het moment dat subsidies aflopen zal het voor gemeenten moeilijker worden om aan de waarborgen te voldoen en een wijk te kunnen aanwijzen. Hierbij is het van belang om te noemen dat er een verkenning wordt uitgevoerd naar opties voor aanvullend flankerend beleid voor de betaalbaarheid van verduurzamingsmaatregelen voor eindgebruikers in een warmtetransitiegebied. Bijvoorbeeld voor de groep kwetsbare afnemers en om eventuele schrijnende situaties te voorkomen.

Het kabinet zal de komende periode, mede op basis van de inzichten van het IBO energietransitie van de woningvoorraad15, bezien in welke mate er aanvullend beleid nodig is voor de betaalbaarheid van verduurzamingsmaatregelen na 2030.

7.

De fractieleden van de BBB vragen hoe u het risico dat het aanmoedigen van het financieren van verduurzamingsmaatregelen, bijvoorbeeld via een hypothecaire lening, schuldenproblematiek creëert, beoordeelt. Hoe wordt dit deel van de financiële haalbaarheid gemonitord om sociaaleconomische gevolgen te beheersen?

De instructieregels betaalbaarheid voor eindgebruikers hebben tot doel om te waarborgen dat de aanpak van een gemeente betaalbaar is voor eindgebruikers, zoals eigenaar-bewoners en huurders. Gemeenten moeten daartoe rekening houden met de financiële haalbaarheid. Onderdeel daarvan is de vraag of, en op welke manier, bewoners de maatregelen, zoals isolatie van de woning en de warmte-installatie, kunnen financieren (artikel 5.131f, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Naar verwachting zal een deel van de eigenaar-bewoners hierbij gebruik maken van een hypothecaire lening.

Om te voorkomen dat huishoudens bij het aangaan van een hypotheek onverantwoorde financiële risico’s nemen zijn in de Tijdelijke Regeling Hypothecaire Krediet leennormen vastgesteld. In deze regeling is 1) de maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van het inkomen en 2) de maximale hoogte van het hypothecair krediet ten opzichte van de waarde van de woning opgenomen, zodat overkreditering wordt voorkomen. Voor energiebesparende maatregelen kan een extra bedrag geleend worden. Dit bedrag wordt jaarlijks berekend door het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Het Nibud). Onderliggende reden hiervoor is dat door die maatregelen de waarde van het onderpand, de woning, toeneemt en huishoudens beter grip krijgen op hun energierekening. Daarmee neemt hun kredietwaardigheid toe.

Daarnaast kunnen gemeenten bewoners wijzen op andere manieren om verduurzamingsmaatregelen te financieren. Bijvoorbeeld via het Warmtefonds of het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten (SVn). Via het Warmtefonds kan een 0% lening worden verkregen voor mensen met een bruto verzamelinkomen tot 60.000 euro. Voor huishoudens zonder leenruimte bestaat de mogelijkheid van een lening zonder aflosverplichting. De bepalingen in het ontwerpbesluit ten aanzien van de monitoring richten zich niet specifiek op dit element, maar dit kan wel onderdeel zijn van de monitoring van gemeenten. Met het ontwerpbesluit wordt van gemeenten gevraagd om de voortgang van de warmtetransitie te monitoren (artikel 11.66a van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Gemeenten doen daarnaast verslag van de voortgang en resultaten van de lokale warmtetransitie (artikel 11.66c van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Zo kan vroegtijdig inzicht worden verkregen in de voortgang van de lokale warmtetransitie en de knelpunten die zich voordoen. Op dit moment wordt door het NPLW gewerkt aan een kennisproduct voor gemeenten over de monitoring van de warmtetransitie. Daarnaast zullen gemeenten bij de voorbereiding en uitvoering van de wijkaanpak over het algemeen veel contact hebben met bewoners over de warmtetransitie, waaronder over de financiële haalbaarheid en de mogelijkheden om de verduurzamingsmaatregelen te financieren.

8.

Wordt het aardgasnetwerk met de inzet van de aanwijsbevoegdheid compleet onbruikbaar voor toekomstige generaties en andere energiekeuzes (zoals duurzaam gas of waterstof)? Wat is de inschatting van de maatschappelijke kosten om de infrastructuur in stand te houden voor enkele achterblijvers in wijken waar reeds een redelijk alternatief beschikbaar is?

Met de inzet van de aanwijsbevoegdheid kan het gebruik van aardgas voor de warmtevoorziening voor gebouwen in een bepaald gebied worden uitgesloten. In dat geval mag de netbeheerder geen transport meer verrichten naar aansluitingen in dit gebied. Netbeheerders hebben de keuze om gasnetten te laten liggen met oog op toekomstig hergebruik (bijvoorbeeld voor waterstof) of ze te verwijderen. De netbeheerder kan gasleidingen tijdelijk te blijven beheren en onderhouden tot er een geschikt moment komt om de leidingen te verwijderen. Het kan bijvoorbeeld gewenst zijn om de opruimwerkzaamheden te combineren met andere werkzaamheden in de wijk. Netbeheerders dienen bij het verwijderen van leidingen wel rekening te houden met eventuele neveneffecten van de verwijdering. Hiermee wordt bedoeld dat de netbeheerder geen leidingen in een aangewezen wijk verwijdert die nog nodig zijn voor het transporteren van gas naar een andere wijk die nog wel gas gebruikt. De netbeheerder kan het beste inschatten wat economisch en praktisch wenselijk is. Het in gebruik houden van het gasnet voor enkele gebruikers wanneer er een alternatief beschikbaar is, brengt kosten met zich mee die ook invloed hebben op de betaalbaarheid van de energievoorziening: een eerdere inschatting is dat dit kan leiden tot extra kosten van mogelijk 1 tot ruim 5 miljard euro tot 2050.16

9.

Waarom is de energieprestatie-eis voor een eigen alternatief (opt-out) in een warmtetransitiegebied aangescherpt naar een waarde van ≤ 0,7? Bent u bereid deze aanscherping te heroverwegen, omdat dit technieken als elektrische cv-ketels en biomassa gestookte ketels in de meeste gevallen uitsluit en daarmee de keuzevrijheid van gebouweigenaren beperkt?

Met de aanpassing van het ontwerpbesluit hoeft een alternatief dat als invulling van de opt-out wordt gekozen niet langer een met het gemeentelijk alternatief gelijkwaardige maatregel te zijn, maar moet die minimaal voldoen aan de te hanteren landelijke grenswaarde voor de energieprestatie.

Op deze manier is er altijd een alternatief voorhanden, is deze grenswaarde in alle wijken hetzelfde en hoeft de eigenaar geen ingewikkelde berekening te laten uitvoeren om na te gaan of het alternatief gelijkwaardig is aan het gemeentelijke alternatief. Met de grens wordt niet zo zeer beoogd te komen tot een aanscherping van de regels, maar juist tot een vereenvoudiging.

In het kader van efficiënt energiegebruik is in 2023 door W/E Adviseurs onderzocht17 wat een te hanteren grenswaarde van de energieprestatie zou kunnen zijn. Daarbij is een afweging gemaakt tussen energie-efficiënte en een grenswaarde waaraan de meeste gangbare technische bouwsystemen voor ruimteverwarming kunnen voldoen. De waarde die nu met het ontwerpbesluit in het Besluit bouwwerken leefomgeving is opgenomen, een maximale waarde van 0,7, is het resultaat van dit onderzoek. De meeste gangbare all-electric systemen, zoals warmtepompen, voldoen ruimschoots aan deze eis. Dit geldt ook voor systemen die gebruik maken van zonnewarmte in combinatie met een warmtepomp. Elektrische cv-ketels en biomassa gestookte ketels voldoen in de meeste gevallen niet.

Het is uiteindelijk aan de eindgebruiker om binnen de gestelde eis te komen tot een passend alternatief. Het feit dat bepaalde, minder energie-efficiënte systemen hiervan worden uitgesloten acht het kabinet mede in het licht van de netbelasting, de betaalbaarheid van de voorgestelde collectieve oplossing en fijnstofproblematiek acceptabel. Wel zal – mede in het licht van de gemoderniseerde bepalingsmethode voor de energieprestatie in het kader van de EPBD IV (voorzien voor 2030) – de vinger aan de pols gehouden worden en zo nodig de grenswaarde worden bijgesteld. Tegen deze achtergrond is het kabinet nu niet bereid om de gestelde waarde van ≤ 0,7 te heroverwegen.

10.

Wat zijn de verwachte gevolgen van het aanpassen van de deadline voor de vaststelling van het eerste warmteprogramma naar 31 december 2027 (in plaats van 31 december 2026) voor de snelheid en haalbaarheid van de warmtetransitie? Gezien de zorgen over de duur van het wetstraject en de ingewikkeldheid van het proces dat gemeenten moeten doorlopen. Hoe hoog acht u de kans dat, ook gezien de gemeenteraadsverkiezingen en de vele opgaven van gemeenten, verder uitstel noodzakelijk is? Wat doet u om dit te voorkomen?

Met het oog op duidelijk handelingsperspectief is het van belang dat bewoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere betrokkenen duidelijkheid hebben over de verduurzamingsplannen van een gemeente voor een wijk, buurt of dorpskern. De Wgiw en het Bgiw dragen hieraan bij. Gemeenten zijn al volop aan de slag met de warmteprogramma’s en de voorbereiding daarvan, ook met ondersteuning vanuit het ondersteuningsprogramma van het NPLW.

In de beantwoording van de vragen van de Tweede Kamer over het ontwerpbesluit Bgiw is aangegeven dat de deadline voor deze warmteprogramma’s wordt verschoven naar 31 december 2027. Dit volgt op de latere verwachte inwerkingtreding van de wet (1 juli 2026). De uiterste datum van 31 december 2027 borgt dat gemeenten voldoende tijd hebben om zorgvuldig te werken en bewoners te betrekken.

Daarnaast kan de verschuiving van de deadline bepaalde gemeenten juist ook de tijd geven om samen met het warmteprogramma direct een milieueffectrapportage (MER) op te stellen. Deze MER is vaak nodig voor de aanleg van warmtenetten, bijvoorbeeld omdat er buisleidingen in de ondergrond worden geplaatst.

Dat neemt niet weg dat het van belang is dat gemeenten zo snel mogelijk duidelijkheid geven en niet wachten tot de einddatum zodat bewoners tijdig een beeld van de toekomstige ontwikkelingen hebben en daarmee handelingsperspectief krijgen. Daarnaast is het voornemen een extra overgangsbepaling op te nemen die het voor koplopergemeenten mogelijk maakt om al vóór de inwerkingtreding van de Wgiw een warmteprogramma vast te stellen. Zo kunnen gemeenten die vooroplopen juist al sneller duidelijkheid geven. De aanpassing van de deadline en het voornemen van een extra overgangsbepaling worden verwerkt in de versie van het ontwerpbesluit die voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad van State wordt aangeboden.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E, p. 4.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E, p. 21.

X Noot
7

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 97.

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 56.

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 56.

X Noot
10

Kamerstukken II 2025/2026, 27 026, nr. 582.

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.

X Noot
14

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 51.

X Noot
16

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 14.

X Noot
17

Kamerstukken II 2022/23, 32 813, nr. 1225.


X Noot
1

Samenstelling:

Van Aelst-den Uijl (SP), Van Ballekom (VVD), Baumgarten (JA21), Beukering (Fractie-Beukering), Bovens (CDA), Crone (GroenLinks-PvdA), Dessing (FVD), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Van Gurp (GroenLinks-PvdA), Holterhues (ChristenUnie), Karaaslan-Kilic (D66), Kluit (GroenLinks-PvdA) (voorzitter), Kroon (BBB), Van Langen-Visbeek (BBB) (ondervoorzitter), Van Meenen (D66), Panman (BBB), Perin-Gopie (Volt), Petersen (VVD), Prins (CDA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Straus (VVD), Van Strien (PVV), Thijsssen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)

X Noot
2

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E.

X Noot
3

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3.

X Noot
4

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E, p. 4.

X Noot
5

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E.

X Noot
6

Kamerstukken I 2025/26, 36 387, E, p. 21.

X Noot
7

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 97.

X Noot
8

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 56.

X Noot
9

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 56.

X Noot
10

Kamerstukken II 2025/2026, 27 026, nr. 582.

X Noot
11

Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.

X Noot
14

Kamerstukken II 2025/26, 36 387, nr. 51.

X Noot
16

Kamerstukken II 2022/23, 36 387, nr. 3, p. 14.

X Noot
17

Kamerstukken II 2022/23, 32 813, nr. 1225.

Naar boven