Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36373 nr. L |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36373 nr. L |
Vastgesteld 1 april 2026
De vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad2 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister voor Asiel en Migratie en de Minister van Asiel en Migratie over de situatie van kinderen in de asielopvang. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 12 november 2025.
• Een rappelbrief van 28 januari 2026
• De antwoordbrief van 1 april 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-Raad, Dragstra
Aan Minister voor Asiel en Migratie
Den Haag, 12 november 2025
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel / JBZ-Raad hebben kennisgenomen van uw brief van 19 september jl. waarin ─ conform toezegging aan deze Kamer ─ de maatregelen op een rijtje worden gezet die de regering neemt ten aanzien van de verschillende onderwerpen in relatie tot kinderen in de asielopvang.3 De leden van de fracties van de VVD en het CDA leggen naar aanleiding hiervan graag gezamenlijk de navolgende vragen aan u voor. De leden van de fractie van D66 onderschrijven het belang inhoudende dat kinderen in Nederland, ongeacht hun achtergrond of verblijfsstatus, recht hebben op stabiliteit, goed onderwijs en een veilige ontwikkelomgeving. Juist bij deze kwetsbare groep kinderen vraagt dat om beleid waarin het belang van het kind daadwerkelijk centraal staat. In acht nemende het voorgaande leggen deze leden de regering eveneens graag een aantal vragen voor. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, de SP en de PvdD sluiten zich bij de door de leden van de fractie van D66 gestelde vragen aan.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van de VVD en het CDA gezamenlijk
De leden van de fracties van de VVD en het CDA lezen in de aan de orde zijnde brief dat stabiliteit, veiligheid en perspectief voor kinderen in de opvang leidende uitgangspunten zijn bij de inrichting van het opvanglandschap.4 Dit betekent volgens de regering dat de inzet onverminderd gericht blijft op het afbouwen van noodopvang en het realiseren van voldoende stabiele, reguliere opvangplekken, in samenwerking met gemeenten, schoolbesturen, jeugdhulp, zorg en andere ketenpartners. Genoemde leden vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot haar voornemen om de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet)5 in te trekken. Het is immers juist laatstgenoemde wet die ervoor zorgt dat overal in het land reguliere opvang wordt ingericht waardoor de opvangcrisis het hoofd kan worden geboden. Hierbij verdient vermelding dat de regering zelf ook aangeeft dat de afhankelijkheid van noodopvangvoorzieningen nog onverminderd groot is6, terwijl juist hier de grootste knelpunten blijken te liggen voor wat betreft de opvang van minderjarigen. Vanzelfsprekend zal de afhankelijkheid van noodopvang ook dalen als de instroom substantieel daalt, maar de wet- en regelgeving die daartoe zou kunnen leiden, is nog niet in werking. Graag ontvangen de leden van de fracties van de VVD en het CDA van de regering een nadere toelichting op dit punt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de fractie van D66 constateren dat kinderen in de asielopvang gemiddeld nog altijd meerdere malen moeten verhuizen en dat de regering aangeeft dat dit «onvermijdelijk» is binnen de huidige inrichting van de keten.7 Deze leden vragen of de regering erkent dat dit structurele probleem niet slechts een gevolg is van capaciteitstekorten, maar ook van een systeemkeuze waarin de procedure leidend is in plaats van het (belang van het) kind. Is de regering bereid om te onderzoeken op welke wijze de asielketen fundamenteel anders kan worden ingericht, zodat kinderen niet telkens hoeven te verhuizen naarmate de procedure vordert? Kan daarbij worden bekeken of processtappen naar de locatie van het kind kunnen worden gebracht in plaats van andersom?
Voorts vragen de leden van de fractie van D66 of de regering inzicht kan geven in de impact van herhaalde verhuizingen op het onderwijs, de sociale ontwikkeling en de psychologische gezondheid van kinderen en of deze effecten structureel worden meegenomen bij beleidsafwegingen. Acht de regering het wenselijk dat in de opvangketen een maximum wordt gesteld aan het aantal verhuizingen van kinderen, conform de motie-Van Meenen (D66) c.s. over een herziene inrichting van de asielprocedure en de asielketen8 waarin wordt verzocht dit te beperken tot maximaal één verhuizing? Welke maatregelen worden overwogen om de negatieve effecten van noodzakelijke verhuizingen zoveel mogelijk te beperken?
De leden van de fractie van D66 vragen de regering daarnaast op welke wijze zij de samenwerking tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), het Nidos, gemeenten en onderwijsinstellingen wil versterken om te voorkomen dat kinderen telkens van school moeten wisselen of tijdelijk buiten het onderwijs vallen. Op welke wijze wordt geborgd dat bij verplaatsingen ─ als die toch noodzakelijk blijken ─ de continuïteit van zorg en onderwijs is gegarandeerd en dat overdracht tussen instanties zorgvuldig verloopt? Wordt hierbij ook gekeken naar extra begeleiding en ondersteuning voor kinderen die door verhuizingen risico lopen op leerachterstanden of sociale achterstand?
Tot slot vragen de leden van de fractie van D66 op welke wijze de regering de voortgang van de uitvoering van de voormelde aangenomen motie op dit punt inzichtelijk zal maken. Worden inspecties of onafhankelijke toezichthouders betrokken bij het monitoren van de effecten van verhuisbewegingen op kinderen? Is de regering bereid om de Kamer periodiek te informeren over concrete stappen die worden gezet om het aantal verhuisbewegingen daadwerkelijk te beperken? En kan de regering aangeven op welke termijn zij met scenario’s kan komen om de procedure zoveel mogelijk op de behoeften van kinderen af te stemmen?
De leden van de fractie van D66 benadrukken hierbij dat het recht van kinderen op stabiliteit, onderwijs en ontwikkeling niet afhankelijk mag zijn van de inrichting van de asielprocedure.
De leden van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad zien uw beantwoording met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag binnen 4 weken na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie en Asiel/JBZ-Raad, A.W.J.A van Hattem
Aan Minister voor Asiel en Migratie
Den Haag, 28 januari 2026
Het is de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad opgevallen dat diverse brieven over asiel en migratie die zij aan de regering heeft verzonden nog niet beantwoord zijn. Het gaat om de volgende tot u gerichte brieven:
• Brief van 12 november 2025 betreffende Vragen inzake de situatie van kinderen in de asielopvang (kenmerk: 178761).
• Brief van 17 december 2025 betreffende Motie-Perin-Gopie (Volt) c.s. over het stimuleren van duurzame kleinschalige opvang (kenmerk: 179285).
De commissie verzoekt u te bewerkstelligen dat deze brieven op korte termijn worden beantwoord.
Voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel / JBZ-raad, A.W.J.A. van Hattem
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 april 2026
Op 12 november 2025 heeft u namens de vaste commissie voor Immigratie & Asiel aangegeven kennis te hebben genomen van mijn brief van 19 september 2025. In deze brief werden maatregelen toegelicht die de regering neemt m.b.t. kinderen in de asielopvang. De leden van de VVD-, CDA- en D66-fractie hebben naar aanleiding van deze brief aanvullende vragen gesteld. In deze brief beantwoord ik die vragen en doe ik tevens de toezegging T03726 gestand om een schriftelijke reactie te geven op de motie van het lid van Meenen9 over een herziene inrichting van de asielprocedure en de asielketen in verband met het maximaal reduceren van gedwongen verplaatsingen van kinderen.
De situatie in de asielopvang is momenteel kritiek. De asielketen staat onder grote druk en het COA loopt tegen de grenzen van het mogelijke aan. Op korte termijn is sprake van een aanzienlijk tekort aan opvangplekken, dat de komende periode verder oploopt. Dit leidt ertoe dat noodopvang langer moet worden ingezet en dat de mogelijkheden om asielzoekers stabiel en op één plek op te vangen beperkt zijn.
Tegen deze achtergrond ga ik hieronder in op de gestelde vragen.
1.
Volgens de regering blijft de inzet onverminderd gericht op het afbouwen van noodopvang en het realiseren van voldoende stabiele, reguliere opvangplekken. Genoemde leden vragen de regering hoe dit zich verhoudt tot haar voornemen om de Spreidingswet in te trekken?
De inzet op het afbouwen van noodopvang en het realiseren van voldoende stabiele, reguliere opvangplekken is in lijn met het huidige beleid ten aanzien van de Spreidingswet. Op verzoek van gemeenten en uitvoeringsorganisaties wordt de Spreidingswet voorlopig in stand gehouden om een rechtvaardige verdeling van opvang over gemeenten te borgen en continuïteit in de opvangketen te waarborgen.
Zodra het COA over voldoende vaste en flexibele opvangplekken beschikt, is inzet van de wet overbodig. Totdat die situatie is bereikt, blijft de Spreidingswet een proportioneel instrument ter ondersteuning van een stabiele, reguliere opvangcapaciteit.
2.
De leden van de fractie van D66 constateren dat kinderen in de asielopvang gemiddeld nog altijd meerdere malen moeten verhuizen en dat de regering aangeeft dat dit «onvermijdelijk» is binnen de huidige inrichting van de keten. Deze leden vragen of de regering erkent dat dit structurele probleem niet slechts een gevolg is van capaciteitstekorten, maar ook van een systeemkeuze waarin de procedure leidend is in plaats van het (belang van het) kind. Is de regering bereid om te onderzoeken op welke wijze de asielketen fundamenteel anders kan worden ingericht, zodat kinderen niet telkens hoeven te verhuizen naarmate de procedure vordert? Kan daarbij worden bekeken of processtappen naar de locatie van het kind kunnen worden gebracht in plaats van andersom?
Ik deel de constatering dat kinderen in de asielopvang vaak meerdere malen moeten verhuizen en dat dit problematisch kan zijn voor de onderwijs- en zorgcontinuïteit als ook het welzijn van kinderen. Deze verhuizingen zijn deels het resultaat van de grote druk op de opvang, de inzet van noodopvang, doelgroepbeperkingen en de zeer beperkte logistieke ruimte die het COA heeft om asielzoekers op één plek te laten verblijven. Het tekort aan plekken en de structurele hoge bezetting maken het onmogelijk om op dit moment de gewenste reductie van verhuisbewegingen naar maximaal één te bewerkstelligen.
Tegelijkertijd onderschrijf ik dat verhuisbewegingen niet alleen samenhangen met capaciteitstekorten, maar ook met de wijze waarop de asielprocedure en opvang momenteel zijn ingericht. De ambitie blijft dan ook om het aantal (procedurele) verhuisbewegingen structureel te verminderen.
In de geactualiseerde Uitvoeringsagenda flexibilisering asielketen is een visie van het opvanglandschap geschetst waarin het aantal procedurele verhuisbewegingen tot een minimum beperkt wordt. Het ministerie en de keten werken aan een werkwijze waarbij asielzoekers na aanmelding bij een azc met aanmeldfaciliteiten zoveel mogelijk direct een vaste opvangplek krijgen op een azc, of op een azc waar zij de versnelde procedure doorlopen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle voorzieningen die voor kinderen noodzakelijk zijn, zoals toegang tot onderwijs en zorg. De bewoners verhuizen daarna in principe niet meer maar doorlopen vanuit de vaste opvangplek de asielprocedure, o.a. door naar een IND-kantoor in de buurt te reizen. Vanuit de vaste opvangplek doorlopen ze de asielprocedure. Een vaste opvangplek biedt rust en duidelijkheid aan de asielzoekers en verschillende kansen voor hun integratie/participatie of terugkeer. Als asielzoekers in het azc een verblijfsvergunning krijgen, worden zij gekoppeld aan een gemeente waar zij zich kunnen vestigen in de buurt van dat azc. Het COA streeft ernaar deze uitplaatsing binnen de daarvoor geldende termijnen te realiseren. In de periode voorafgaand aan uitplaatsing kan het in de praktijk voorkomen dat statushouders nog van opvanglocatie wisselen, bijvoorbeeld vanwege de beschikbare opvangcapaciteit. Krijgen zij een negatief besluit op de asielaanvraag, dan wordt vanuit dat azc meteen de terugkeerbegeleiding opgestart. Kinderen die zich in deze fase van het traject bevinden behouden toegang tot alle voorzieningen, zoals onderwijs en zorg.
De implementatie van deze werkwijze vraagt echter tijd en is afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende, stabiele opvangcapaciteit. In de huidige situatie, waarin de opvangcapaciteit onder grote druk staat, is volledige realisatie van deze plannen op korte termijn nog niet haalbaar. Tegelijkertijd wordt met de toepassing van de Spreidingswet gewerkt aan het realiseren van meer duurzame, vaste COA-locaties en het afbouwen van noodopvang. Dit is een belangrijke randvoorwaarde om verhuisbewegingen in de toekomst daadwerkelijk te kunnen beperken.
De implementatie van de Uitvoeringsagenda wordt momenteel in samenwerking tussen alle ketenpartners voorbereid en loopt parallel aan de implementatie van het EU Migratiepact, wat om een integrale aanpak vraagt. De inzet blijft om opvang en procedures zodanig in te richten dat kinderen minder vaak hoeven te verhuizen en meer stabiliteit ervaren.
3.
Voorts vragen de leden van de fractie van D66 of de regering inzicht kan geven in de impact van herhaalde verhuizingen op het onderwijs, de sociale ontwikkeling en de psychologische gezondheid van kinderen en of deze effecten structureel worden meegenomen bij beleidsafwegingen. Acht de regering het wenselijk dat in de opvangketen een maximum wordt gesteld aan het aantal verhuizingen van kinderen, conform de motie-Van Meenen (D66) c.s. over een herziene inrichting van de asielprocedure en de asielketen waarin wordt verzocht dit te beperken tot maximaal één verhuizing? Welke maatregelen worden overwogen om de negatieve effecten van noodzakelijke verhuizingen zoveel mogelijk te beperken?
Ik ben het met u eens dat herhaalde verhuizingen een negatief effect kunnen hebben op de onderwijsloopbaan en de continuïteit van jeugdhulp en zorg voor kinderen, als ook op hun sociale ontwikkeling en psychische gezondheid. Het creëren van rust en voorspelbaarheid, opvang van voldoende kwaliteit en integraliteit, is dan ook van groot belang voor het welzijn van deze groep.
Echter, zoals eerder in Kamerbrieven beschreven, zijn verhuizingen momenteel zo goed als onvermijdelijk. Het COA heeft nagenoeg geen capaciteit en «schuifruimte» om alle gezinnen direct op een locatie te plaatsen die zij niet meer hoeven te verlaten. Desalniettemin wordt bij elke beslissing om een kind te verplaatsen in ogenschouw genomen hoe de verstoring die een verhuizing met zich meebrengt zich verhoudt tot de mogelijke kwaliteitsverbetering van een nieuwe locatie. Het uitgangspunt om het aantal verhuizingen zoveel mogelijk te beperken blijft daarbij leidend, maar is onder de huidige omstandigheden nog niet structureel te realiseren.
Met de toepassing van de Spreidingswet wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel reguliere, structurele locaties en het verminderen van de afhankelijkheid van noodopvang. In samenhang met de voorgenomen herinrichting van het asielsysteem in het kader van de Uitvoeringsagenda en het Pact, moet dit op de lange termijn meer stabiliteit en planbaarheid in de opvang bieden. Dit is noodzakelijk om het aantal verhuisbewegingen voor kinderen daadwerkelijk en duurzaam te kunnen beperken, in lijn met de ambitie die in de motie-Van Meenen c.s. is verwoord.
4.
De leden van de fractie van D66 vragen de regering daarnaast op welke wijze zij de samenwerking tussen het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), het Nidos, gemeenten en onderwijsinstellingen wil versterken om te voorkomen dat kinderen telkens van school moeten wisselen of tijdelijk buiten het onderwijs vallen. Op welke wijze wordt geborgd dat bij verplaatsingen ─ als die toch noodzakelijk blijken ─ de continuïteit van zorg en onderwijs is gegarandeerd en dat overdracht tussen instanties zorgvuldig verloopt? Wordt hierbij ook gekeken naar extra begeleiding en ondersteuning voor kinderen die door verhuizingen risico lopen op leerachterstanden of sociale achterstand?
Met het oog op het creëren van rust en voorspelbaarheid in de opvang, spant het COA zich elke dag in om het aantal verhuizingen binnen de zeer beperkte mogelijkheden die er momenteel zijn tot een minimum te beperken. Daarnaast spant het COA zich in om gezinnen en alleenstaande jongeren zo snel als het kan te informeren over een naderende verhuizing als dit onvermijdelijk is, om bij te dragen aan een tijdige, warme overdracht van het onderwijs. Bij verhuizingen neemt het COA maatregelen om de verhuizing zo soepel mogelijk te laten verlopen. Zo is er een Ketenrichtlijn «Continuïteit van zorg rondom verhuizingen» opgesteld door de GGD, COA en GZA om een goede zorgoverdracht te waarborgen.
Zoals in de eerdere beantwoording van vragen over de schoolgang van kinderen in de noodopvang al werd genoemd, zetten de departementen van AenM en OCW zich samen in om de verbinding tussen de asielopvang en het onderwijs te versterken en zo de onderwijscontinuïteit voor kinderen in azc’s te garanderen.
Zowel de Nationale Opvang Organisatie (NOO) als de regiocoördinatoren nieuwkomersonderwijs ondersteunen gemeenten en scholen bij vragen.
Er wordt momenteel door AenM en OCW gekeken naar mogelijkheden om de registratie en gegevensuitwisseling te verbeteren. Desondanks zal maatwerk nodig blijven, zeker voor kinderen die een complexe onderwijs- en zorgvraag hebben. Dit maatwerk wordt in de praktijk vormgegeven door samenwerking tussen het COA, gemeenten, scholen en – waar relevant – Nidos en zorgpartijen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gekeken naar een passende schoolplaatsing, aanvullende begeleiding binnen het nieuwkomersonderwijs of extra ondersteuning vanuit school of gemeente wanneer een kind door een verhuizing risico loopt op een leer- of sociale achterstand.
5.
Tot slot vragen de leden van de fractie van D66 op welke wijze de regering de voortgang van de uitvoering van de voormelde aangenomen motie op dit punt inzichtelijk zal maken. Worden inspecties of onafhankelijke toezichthouders betrokken bij het monitoren van de effecten van verhuisbewegingen op kinderen? Is de regering bereid om de Kamer periodiek te informeren over concrete stappen die worden gezet om het aantal verhuisbewegingen daadwerkelijk te beperken? En kan de regering aangeven op welke termijn zij met scenario’s kan komen om de procedure zoveel mogelijk op de behoeften van kinderen af te stemmen?
Elk jaar informeer ik u in de Staat van Migratie over het aantal verhuisbewegingen. Verder hebben ook de samenwerkende inspecties in het toezicht sociaal domein (JenV, SZW, OCW en VWS) regelmatig aandacht voor de positie van kinderen in de asielopvang, inclusief het risico van verhuisbewegingen.
Tot slot wordt bij het ontwerpen van beleid-, wet- en regelgeving het belang van het kind altijd meegewogen. Dit geldt ook voor de inrichting van het opvanglandschap. Ik blijf in gesprek met alle betrokken partijen om verhuisbewegingen tot een minimum te beperken waar mogelijk en zal de Kamer informeren wanneer zich relevante ontwikkelingen of besluiten voordoen.
De Minister van Asiel en Migratie, G. van den Brink
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kamerstukken I 2025/26, 27 062/36 373, A. Met deze brief geeft u ook antwoord op twee uitgaande brieven van deze commissie van 2 juli 2024 (Kamerstukken I 2023/24, 36 373/36 410 VIII, J) en 11 februari 2025 (Kamerstukken I 2024/25, 36 373/19 637, K) aan de toenmalige Minister van Asiel en Migratie.
Samenstelling:
Bakker-Klein (CDA), Beukering (Fractie-Beukering), Van Bijsterveld (JA21), Dittrich (D66), Van der Goot (OPNL), Griffioen (D66) (ondervoorzitter), Van Hattem (PVV) (voorzitter), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Janssen (SP), Kaljouw (VVD), Karimi (GroenLinks-PvdA), Koffeman (PvdD), Lagas (BBB), Lievense (BBB), Marquart Scholtz (BBB), Meijer (VVD), Van den Oetelaar (FVD), Perin-Gopie (Volt), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Thijssen (GroenLinks-PvdA), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kamerstukken I 2025/26, 27 062/36 373, A. Met deze brief geeft u ook antwoord op twee uitgaande brieven van deze commissie van 2 juli 2024 (Kamerstukken I 2023/24, 36 373/36 410 VIII, J) en 11 februari 2025 (Kamerstukken I 2024/25, 36 373/19 637, K) aan de toenmalige Minister van Asiel en Migratie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36373-L.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.