Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36364 nr. G |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36364 nr. G |
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2026
Op 10 maart 2026 heeft in uw Kamer de plenaire behandeling van het wetsvoorstel Drempelverlaging omgang grootouders plaatsgevonden. Dit voorstel van wet strekte ter uitvoering van een motie van de Tweede Kamer van het toenmalige Tweede Kamerlid Van Toorenburg (CDA) om de positie van grootouders in omgangszaken met kleinkinderen te versterken.1
Naar aan leiding van de tijdens de plenaire behandeling geuite bezwaren tegen het wetsvoorstel heeft de ministerraad op 20 maart 2026 besloten het wetsvoorstel in te willen trekken.2 Daartoe gemachtigd door de Koning heb ik met de brief aan uw Kamer van 13 mei jl. (EK 36 364, F) het voorstel van wet ingetrokken.
Ik heb uw Kamer toegezegd om daarnaast in een afzonderlijke brief nader in te gaan op de manier waarop alsnog uitvoering kan worden gegeven aan de bovengenoemde motie. Daarnaast heb ik toegezegd nog in te gaan op een aantal inhoudelijke punten die tijdens de plenaire behandeling naar voren zijn gebracht.
Met onderhavige brief doe ik deze toezeggingen gestand.
Uitvoering motie
In de bovengenoemde motie werd geconstateerd dat het WODC-onderzoek «omgang tussen grootouders en kleinkinderen»3 aantoonde dat de drempel voor grootouders om tot omgang te verzoeken relatief hoog ligt in Nederland vergeleken met omringende landen en dat de onderzoekers hebben aanbevolen om deze drempel te verlagen door een andere uitleg in de rechtspraktijk te geven van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» en de wens van het kind leidend te laten zijn. Met de motie is de regering verzocht deze aanbeveling op te volgen en de drempel voor grootouders om tot omgang te verzoeken te verlagen en een wetsvoorstel daartoe voor te bereiden.
Ik vind het allereerst belangrijk dat de toegang tot het recht, in dit geval voor de grootouders, is gewaarborgd. Ook na intrekking van het wetsvoorstel kan iedereen met een nauwe persoonlijke betrekking een verzoek indienen bij de rechter voor omgang met het kind. Indien de grootouders kunnen aantonen dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking zal de rechter het omgangsverzoek inhoudelijk behandelen. In de rechtspraktijk zoals die bleek uit het WODC-onderzoek moeten grootouders aantonen dat een nauwe persoonlijke betrekking bestaat, in de vorm van meer dan gebruikelijk grootouder-kleinkind contact. De rechtspraktijk bleek het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» daarbij ook niet in alle gevallen op een gelijke manier in te vullen.
Ik constateer dat de Raad voor de rechtspraak (RvdR) tijdens de consultatie in zijn advies over het wetsvoorstel heeft erkend dat er spanning bestaat tussen de rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) en de rechtspraak in Nederland over de invulling van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking». In zijn advies gaf de RvdR het volgende aan: «Wellicht is er aanleiding om vanuit de rechtspraak gezien zaken anders te beoordelen, en dan met name ten aanzien van de ontvankelijkheidstoets. Mogelijk is er aanleiding om als rechtspraak minder hoge eisen te stellen aan de invulling van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking».
Ik heb de Raad voor de rechtspraak gevraagd het parlementaire traject van dit wetsvoorstel onder de aandacht te brengen bij de rechtbanken, bijvoorbeeld via het Landelijk Overleg Vakinhoud Familie- en Jeugdrecht (LOVF). De nadere toepassing en invulling van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» zal zich in de rechtspraktijk in concrete zaken verder moeten uitkristalliseren. De huidige wet biedt hiervoor ook de ruimte.
Ik vertrouw erop dat er binnen de rechtspraak, ook naar aanleiding van de intrekking van dit wetsvoorstel, aandacht zal zijn voor de positie van grootouders die omgang willen met hun kleinkind.
Reflectie internationale kader en de versterking van de positie van grootouders
Het lid Dittrich (D66) heeft tijdens de plenaire behandeling gewezen op internationale kaders, waaronder het Verdrag van Istanbul. Daarbij heeft hij terecht opgemerkt dat er internationaal vanuit verschillende perspectieven wordt gekeken naar de positie van grootouders bij omgangsverzoeken en er in die zin twee kanten op geredeneerd kan worden. In dat kader wil ik het volgende opmerken.
Het kader voor de rechtspositie van grootouders wordt gegeven door het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Op grond van het IVRK staat bij het bepalen van omgang met grootouders het belang van het kind voorop. Daarnaast is in het EVRM het recht op bescherming van het familie- en privéleven (family life) neergelegd. Het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» is de vertaling in de Nederlandse wet van het begrip «family life», dat een centrale rol speelt in de rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) over artikel 8 EVRM. Volgens het EHRM is een voldoende hechte (normale) familieband tussen grootouders en kind voldoende om «family life» aan te nemen. In Nederland wordt de lat in de praktijk blijkens het eerder aangehaalde WODC-onderzoek relatief hoog gelegd doordat voor het aannemen van «family life» meer dan gebruikelijk grootouder-kleinkind contact aangetoond moet worden. Dit kan tot gevolg hebben dat grootouders niet in alle gevallen toegang krijgen tot de rechter voor een inhoudelijke behandeling van hun omgangsverzoek. Tegen die achtergrond is het wenselijk om de invulling van de nauwe persoonlijke betrekking meer te laten aansluiten bij de invulling zoals die in het internationale kader wordt gegeven.
Tegelijkertijd is dit nadrukkelijk geen zwart-wit vraagstuk. Het Verdrag van Istanbul wijst ons er immers op dat we alert moeten zijn op situaties van huiselijk geweld, intieme terreur en dwingende controle. In dergelijke gevallen kan een ruimere toegang voor grootouders ook worden ingezet als verlengstuk van een conflict tussen ouders. Dat raakt aan de veiligheid van zowel het kind als de ouder die slachtoffer is.
Dit betekent dat we hier meerdere internationale normen met elkaar in balans moeten brengen: enerzijds het beschermen van familiebanden, het belang van het kind bij contact en de positie van grootouders en anderzijds het waarborgen van veiligheid en het voorkomen van voortdurende druk en misbruik van procesrecht. Het is van groot belang dat hierin steeds een zorgvuldige afweging wordt gemaakt. Een ruimere uitleg van het begrip «nauwe persoonlijke betrekking» is wenselijk waar dit in het belang van het kind is, maar moet bij de inhoudelijke behandeling door de rechter altijd gepaard gaan met waarborgen bij signalen van onveiligheid. De veiligheid van het kind en van de ouder die slachtoffer is, moet daarbij vooropstaan.
Dat aandacht voor veiligheid in de praktijk niet vanzelfsprekend is, blijkt ook uit het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het Verwey-Jonker Instituut.4 Hieruit volgt dat huiselijk geweld en onveiligheid niet altijd worden meegenomen in rechterlijke beslissingen over zorgregelingen, gezag en omgang. Om die reden is eind 2025 door de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verbetertraject gestart. Dit traject heeft tot doel te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd wordt meegewogen in de familierechtelijke procedure.
Dit verbetertraject richt zich onder meer op een betere verbinding tussen het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening aan de familierechter en het versterken van deskundigheid. Hieraan werken de rechtspraak en organisaties zoals de Raad voor de Kinderbescherming en Slachtofferhulp Nederland actief mee. Ook de expertise van de advocatuur, ervaringsdeskundigen en nabestaanden wordt in dit traject betrokken. Zoals eerder toegezegd zal de Minister van Justitie en Veiligheid voor de zomer van 2026 de Tweede Kamer en de Eerste Kamer informeren over de voortgang van dit verbetertraject.
WODC-onderzoek naar de gevolgen voor kinderen
Het lid Nicolai (PvdD) heeft tijdens de plenaire behandeling aangegeven dat hij nader onderzoek nodig acht naar wat in het belang is van het kind en niet naar wat in het belang is van de grootouders. Hij doelt daarmee op onderzoek naar positieve of negatieve gevolgen die het niet hebben van omgang kan hebben in situaties waarin geen sprake is van opvoedproblemen.
Ik deel de conclusie dat het van groot belang is om steeds scherp te blijven kijken naar wat het hebben van wel of geen omgang met grootouders betekent voor het kind. In het WODC-onderzoek «omgang tussen grootouders en kleinkinderen», dat ten grondslag lag aan het wetsvoorstel, komt tot uitdrukking dat situaties sterk kunnen verschillen en de context bepalend is voor wat betreft de gevolgen die het hebben van wel of geen contact kan hebben op het kind. Dit sluit aan bij de uitgangspunten binnen het familierecht. Het is een wettelijk uitgangspunt dat bij de vaststelling en vormgeving van een omgangsregeling het belang van het kind altijd de eerste overweging vormt. Daarbij weegt de rechter altijd alle omstandigheden mee, zoals ook of de omgang bijdraagt aan positieve effecten zoals stabiliteit, verbondenheid en ondersteuning, of mogelijke negatieve effecten als bijvoorbeeld de veiligheid van het kind in gevaar is als omgang wordt vastgesteld. Het kind wordt daartoe ook altijd uitgenodigd voor een kindgesprek met de rechter.
De vraag of en op welke wijze invulling kan worden gegeven aan omgang is sterk afhankelijk van de specifieke omstandigheden in het gezin, de onderlinge verhoudingen binnen de familie, maar ook de persoon van het kleinkind zelf speelt een rol. Dit blijft maatwerk, waarbij de rechter altijd kijkt naar wat in de specifieke situatie in het belang van het kind is. Ik vertrouw hierbij op de deskundigheid en kennis van de rechtspraak om hierin zorgvuldige afwegingen te maken.
Tegen deze achtergrond zie ik, zoals ik tijdens de plenaire behandeling ook reeds heb aangegeven, geen directe noodzaak voor een nieuw onderzoek naar dit onderwerp.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, K.T. van Bruggen
M. Jonker, e.a., Omgang tussen grootouders en kleinkinderen, een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut 2020.
K. Lünnemann e.a., Waar geweld uit beeld raak; een verkennend onderzoek naar de zichtbaarheid van huiselijk geweld in het familierecht, Utrecht, april 2025, via: Stramienversie Verwey-Jonker publicatie
M. Jonker, e.a., Omgang tussen grootouders en kleinkinderen, een sociaalwetenschappelijke en rechtsvergelijkende studie, Utrecht: Verwey-Jonker Instituut 2020.
K. Lünnemann e.a., Waar geweld uit beeld raak; een verkennend onderzoek naar de zichtbaarheid van huiselijk geweld in het familierecht, Utrecht, april 2025, via: Stramienversie Verwey-Jonker publicatie
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36364-G.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.