Aan vicevoorzitter Šefčovič van de Europese Commissie
Den Haag, 12 januari 2023
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel voor
een verordening van de Raad tot vaststelling van een kader om de uitrol van hernieuwbare
energie te versnellen.1 De leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD hebben naar aanleiding hiervan in het kader van de politieke dialoog gezamenlijk
een aantal vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD
De leden van de fracties van GroenLinks, de PvdA en de PvdD danken de Europese Commissie
voor de stappen die zij wenst te zetten ten aanzien van de versnelde uitrol van duurzame
energie. Net als de Europese Commissie maken zij zich zorgen over de voortgang en
over de snelle uitrol van duurzame energie als basis voor onze energievoorziening.
Tegelijkertijd zien deze leden dat de biodiversiteit en kwaliteit van het drinkwater
reeds enorm onder druk staan. De biodiversiteitscrisis moet in haar omvang aanzienlijk
ingrijpender worden geacht dan de klimaatcrisis, waarvan de eerste kleinschalige effecten
in Nederland al vele hittedoden per jaar oplevert. Het is, naar de mening van deze
leden, dus zaak om de versnelling van duurzame energie niet ten koste te laten gaan
van de kwaliteit van de natuur, noch van de kwaliteit van het grondwater. Zij zouden
ervoor willen pleiten om de zorgvuldigheid van de procedures niet uit te hollen vanwege
de wens tot versnelling van de vergunningverlening. In dit kader stellen zij de volgende
vragen.
Op welke wijze verwacht de Europese Commissie dat Nederland kan voldoen aan zowel
de doelen als aan de juridische inhoud van de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn
Water, wanneer de vergunningverlening versneld wordt? Immers, zo stellen deze leden,
is in Nederland de zorgvuldigheid van het vergunningverleningsproces een belangrijk
onderdeel van het instrumentarium om onwenselijke ontwikkelingen tegen te houden en
zo de natuur of waterkwaliteit te kunnen beschermen.
Op dit moment is de energiecrisis een enorme maatschappelijke opgave, die in heel
Europa overheden bezighoudt. Kan de Europese Commissie aangeven op basis van welke
onderbouwing zij van mening is dat deze crisis zo veel meer impact heeft op de levens
van mensen, dat zij wil overwegen duurzame energie als imperative Overiding principles of public interest te definiëren? Blijkbaar zelfs boven gezondheid en milieuregels, die ingesteld zijn
om de meest basale bescherming aan mensen te bieden, zo constateren zij.
Is de Europese Commissie het met de leden van deze fracties eens dat het toepassen
van artikel 16D (overriding public interest)2 voor zogenaamde «go to» areas voor duurzame energie ertoe zal leiden dat juist meer mensen duurzame energie projecten
zullen willen voorleggen bij de rechter en derhalve de transitie juist zullen vertragen?
Zo niet, waarom niet?
Is de Europese Commissie het met deze leden eens dat waterstof zich als brandstof
nog moet bewijzen als het gaat om draagvlak in de samenleving en dat het daarom van
groot belang is dat deze relatief nieuwe energiedrager zorgvuldig, goed en uitgebreid
wordt geïntroduceerd in de samenleving? Het plan dat duurzame waterstof vrijgesteld
kan worden van zorgvuldige milieu impact analyses is, naar de mening van deze leden,
niet de juiste route om dat vertrouwen te wekken bij burgers. Is de commissie om die
reden bereid om voor groene waterstof dezelfde hoogwaardige eisen te laten gelden
als voor andere brandbare stoffen?
De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit zien uw reactie met belangstelling tegemoet en ontvangen deze
graag uiterlijk binnen drie maanden na dagtekening van deze brief.
Voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur
en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden