36 281 Wijziging van de Woningwet (huurverlaging 2023 voor huurders met lager inkomen)

B GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET

7 februari 2023

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die dezen zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is dat huurders van toegelaten instellingen met een inkomen van ten hoogste 120% van het minimuminkomensijkpunt een huurverlaging krijgen;

Zo is het dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Artikel 54a van de Woningwet wordt als volgt gewijzigd:

A

In het eerste lid, eerste zin, wordt «1 april 2021» vervangen door «1 juni 2023», wordt na «van dat boek» ingevoegd «die op 1 maart 2023 huurder van de woning was en dat nog steeds is», wordt «het op grond van artikel 14, eerste en tweede lid» vervangen door «120% van het op grond van artikel 17, eerste lid» en wordt «het toepasselijke bedrag, genoemd in artikel 20, tweede lid, van de Wet op de huurtoeslag» vervangen door «€ 575,03 per maand».

B

In het tweede lid wordt «het in artikel 20, tweede lid, onderdeel a, van de Wet op de huurtoeslag genoemde bedrag» vervangen door «€ 575,03 per maand».

C

Het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede zin wordt «2019» vervangen door «2021», wordt «het op grond van artikel 14, eerste en tweede lid» vervangen door «120% van het op grond van artikel 17, eerste lid» en vervalt «en het aantal personen waaruit het huishouden volgens de registratie bestaat».

2. De vierde zin komt te luiden:

Het bepaalde in de ministeriële regeling, bedoeld in artikel 252a, vierde lid, vierde zin, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is van overeenkomstige toepassing.

D

Het vierde lid, eerste zin, komt te luiden:

In afwijking van het eerste lid doet de toegelaten instelling aan de huurder van een zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek of van een woonwagen als bedoeld in artikel 235 van dat boek een voorstel als bedoeld in dat lid, indien de huurder, die op 1 maart 2023 huurder van die woning of die woonwagen was en dat nog steeds is, daarom voor 31 december 2024 verzoekt en aantoont dat het bruto-inkomen van de bewoners, bedoeld in artikel 54b, in de zes maanden voorafgaand aan het verzoek lager is dan of gelijk is aan 60% van het op grond van artikel 17, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag toepasselijke bedrag.

E

Het zesde lid wordt als volgt gewijzigd:

1. In de tweede zin wordt «1 april 2021» vervangen door «1 juni 2023».

2. In de derde zin wordt «2019» vervangen door «2021» en vervalt «indien de toegelaten instelling geen voorstel heeft gedaan dan wel de in het vierde lid, tweede zin, bedoelde verklaring indien de huurder niet instemt met het voorstel».

F

In het achtste lid wordt «in 2021 niet later dan tegelijk met het jaarlijkse voorstel tot verhoging van de huurprijs» vervangen door «niet later dan 30 april 2023».

ARTIKEL IA

Onze Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt binnen twee jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de betaalbaarheid van huren voor huurders, de doorstroming in de sociale huursector, de financiële positie en investeringscapaciteit van verhuurders en de gevolgen daarvan voor investeringsopgaven van verhuurders en regionale verschillen tussen verhuurders.

ARTIKEL II

Met ingang van 1 januari 2024 worden de bedragen, genoemd in artikel 54a, eerste en tweede lid, van de Woningwet aangepast met het percentage, bedoeld in artikel 27, derde lid, van de Wet op de huurtoeslag waarmee met ingang van die datum de in dat lid genoemde bedragen zijn aangepast.

ARTIKEL III

Deze wet treedt in werking met ingang van 1 maart 2023.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,

Naar boven