Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36225 nr. K |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36225 nr. K |
Vastgesteld 27 maart 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid1 heeft schriftelijk overleg gevoerd met de Minister van Justitie en Veiligheid inzake de uitvoering van de motie-Nicolaï c.s. over na gaan of er een beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht. Bijgaand brengt de commissie hiervan verslag uit. Dit verslag bestaat uit:
• De uitgaande brief van 1 oktober 2025.
• De antwoordbrief van 26 maart 2026.
De griffier van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Graag
Aan de Minister van Justitie en Veiligheid
Den Haag, 1 oktober 2025
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief van 3 september 2025 van uw ambtsvoorganger2 over de uitvoering van de motie-Nicolaï c.s.3 waarin de regering wordt verzocht om na te gaan of tegen de beslissing als bedoeld in artikel 5, derde lid van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten, beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en als dat niet het geval is, te onderzoeken of het belang van rechtsbescherming noopt om dat beroep te openen. De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, VVD, D66, SP, PvdD, Volt en SGP hebben naar aanleiding daarvan een aantal gezamenlijke vragen en opmerkingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, VVD, D66, SP, PvdD, Volt en SGP
In de brief van 3 september 2025 schrijft uw voorganger dat hij blijft bij zijn oordeel dat de beslissing van de weegploeg, om iemand aan te melden voor bespreking in het casusoverleg radicalisering, geen besluit in de zin van de Awb is. Voorts deelt hij mede dat hij het onnodig acht stappen te zetten om tegen een dergelijke beslissing beroep op grond van de Awb mogelijk te maken.
De leden van de bovengenoemde fracties hebben de motie-Nicolaï c.s.4 mede ingediend en verzoeken u met klem om alsnog te bevorderen dat tegen de beslissing van de weegploeg, om iemand aan te melden voor bespreking in het casusoverleg radicalisering, beroep op grond van de Awb open wordt gesteld.
Of bedoelde beslissing een besluit in de zin van de Awb is of niet, kan buiten beschouwing worden gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft in de zaak van de treiteraanpak niet geoordeeld dat de beslissing om iemand op te nemen in de treiteraanpak een Awb-besluit is, maar heeft die beslissing «om redenen van rechtsbescherming» gelijkgesteld met een besluit als bedoeld in de Awb.5
Deze «redenen van rechtsbescherming» betreffen blijkens de uitspraak het feit dat de opname in de treiteraanpak ertoe leidt dat persoonsgegevens worden verwerkt en dat, als pas in een later stadium op grond van artikel 17 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) verwijdering van gegevens zou kunnen worden gevraagd en niet al aan het begin de rechtmatigheid van het verzamelen en delen van informatie over de betrokkene kan worden aangevochten, het kwaad al is geschied. De persoonsgegevens zijn op het moment dat artikel 17 AVG wordt ingeroepen al verwerkt en «de gevolgen daarvan» kunnen niet meer ongedaan gemaakt worden.6
De fractieleden van GroenLinks-PvdA, BBB, VVD, D66, SP, PvdD, Volt en SGP zijn van oordeel dat de door de Afdeling geschetste «redenen van rechtsbescherming» zich bij de beslissing van de weegploeg, om iemand aan te melden voor bespreking in het casusoverleg radicalisering, eveneens voordoen.
De bestrijding op dit punt in de brief van 3 september 2025 van uw ambtsvoorganger, achten zij niet overtuigend.
Dat het aantal betrokken instanties dat bij de gegevensuitwisseling betrokken is, geringer is dan bij de treiteraanpak, is voor de eventuele gevolgen voor de betrokkene niet relevant. Vast staat immers dat persoonsgegevens buiten betrokkene om worden verwerkt en in handen komen van verschillende ambtenaren van diverse diensten en dat dit geschiedt omdat hij «verdacht» wordt van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terroristische activiteiten. In die context gaat het om een zware inbreuk op de privacy als zulke gegevens in vreemde handen komen van voor de betrokkene nog onbekende overheidsdiensten.
Het standpunt dat de gegevensverwerking bij de treiteraanpak onvergelijkbaar verdergaande gevolgen zou hebben omdat de treiteraanpak een «duidelijk repressief karakter»7 zou hebben, heeft – nog los van de vraag of die karakterisering wel klopt – geen enkele rol gespeeld in het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak. Doorslaggevend werd namelijk geoordeeld dat persoonsgegevens werden gedeeld en dat de gevolgen van de verspreiding van gegevens die aanleiding zouden kunnen vormen om de betrokkene aan een treiteraanpak te onderwerpen, niet meer ongedaan gemaakt konden worden in een (veel) later stadium. Dat geldt niet minder voor iemand over wie persoonsgegevens gedeeld worden, die zouden kunnen rechtvaardigen dat de persoon in een casusoverleg over radicalisering en mogelijk terroristische activiteiten zou worden opgenomen. Ook als later – bij toepassing van de AVG – met overheidsdiensten gedeelde informatie zou worden verwijderd, blijft het stigma dat aan zijn persoon is komen te hangen, binnen die diensten aanwezig.
Onbegrijpelijk is dan ook de constatering dat het «relatief eenvoudig (is) om de gevolgen van de gegevensuitwisseling ongedaan te maken, indien dat naderhand noodzakelijk blijkt».8 Het verwijderen van gegevens leidt immers niet tot het uitwissen van het stigma en het feit dat ambtenaren bij overheidsdiensten de naam van de persoon zullen (blijven) associëren met radicalisering en terroristische activiteiten.
Nu bij de treiteraanpak de hoogste bestuursrechter het «om redenen van rechtsbescherming» nodig achtte om Awb-bescherming in een vroeg stadium te kunnen bieden, is het onbegrijpelijk dat personen die «verdacht» worden van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terroristische activiteiten, een dergelijke rechtsbescherming zouden moeten missen.
Voornoemde leden verzoeken u met klem het standpunt van uw voorganger te herzien.
De leden van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag voor 29 oktober 2025.
Voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, B.O. Dittrich
Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 maart 2026
In het kader van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten (hierna: de Wet) heeft uw Kamer de motie Nicolaï c.s. aangenomen, die mij verzoekt te onderzoeken of tegen de beslissing van de weegploeg om een persoon aan te melden voor bespreking in het casusoverleg radicalisering beroep openstaat en, als dat niet het geval is, te onderzoeken of het belang van rechtsbescherming noopt om dat beroep te openen.9 In reactie op deze motie heb ik uw Kamer een brief gestuurd, waarin ik uiteen heb gezet waarom ik de beslissing van de weegploeg een feitelijke handeling en geen besluit in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht acht, alsmede waarom een uitspraak10 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) mij nu niet tot een ander standpunt brengt met het oog op rechtsbescherming.11
In reactie hierop hebben de fracties van GroenLinks-PvdA, BBB, VVD, D66, SP, PvdD, Volt en SGP per brief gereageerd, waarin zij mij verzoeken mijn standpunt in deze kwestie te herzien en alsnog beroep open te stellen tegen de beslissing van de weegploeg om een persoon op te nemen in het casusoverleg radicalisering.12 Hieronder zal ik reageren op de inhoud van deze brief.
Juridisch kader
De volgende overwegingen zijn voor de Afdeling doorslaggevend geweest om terug te komen op eerdere jurisprudentie en de beslissing om iemand op te nemen in de treiteraanpak om redenen van rechtsbescherming met een besluit gelijk te stellen:
− Opname in de treiteraanpak leidt ertoe dat informatie over de betrokkene wordt verzameld;
− Opname in de treiteraanpak heeft tot gevolg dat de verschillende instanties deze informatie structureel en op grote schaal delen en daarmee de persoonsgegevens van betrokkene verwerken;
− Bij het ontbreken van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel kan de betrokkene alleen via een verzoek tot verwijdering van na de opname verwerkte persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17 AVG de rechtmatigheid van die verwerking aan de orde stellen. Omdat dit betekent dat dan al persoonsgegevens mogelijk op grote schaal zijn verwerkt en de gevolgen daarvan niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt, is dat voor de betrokkene onevenredig bezwarend.
Casusoverleggen radicalisering
Vooropgesteld moeten worden dat de situatie waarop de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling betrekking heeft, naar mijn idee niet aan de orde is bij de casusoverleggen radicalisering.
Het aantal betrokken instanties is wel degelijk relevant voor beantwoording van de vraag op welke schaal persoonsgegevens zijn verwerkt en welke gevolgen dat heeft voor de betrokkene. Het casusoverleg radicalisering bestaat uit een – in vergelijking met de treiteraanpak – beperkt aantal deelnemers. In uw brief stelt uw Kamer dat er sprake is van een zware inbreuk op de privacy als gevoelige persoonsgegevens in vreemde handen komen van voor de betrokkene nog onbekende overheidsdiensten. Ik benadruk dat die situatie zich bij het casusoverleg radicalisering niet voordoet. De deelnemende partijen zijn immers limitatief in de Wet gedefinieerd.
Uw stelling dat de verregaande privacy-gevolgen van opname in de treiteraanpak geen enkele rol hebben gespeeld in het oordeel van de Afdeling, onderschrijf ik niet. De Afdeling overweegt in haar uitspraak expliciet dat het bij de treiteraanpak gaat om het structureel en op grote schaal delen en verwerken van persoonsgegevens en niet – zoals uw Kamer in uw brief stelt – dat de uitspraak betrekking heeft op élke situatie waarin persoonsgegevens worden gedeeld en verwerkt. Juist die structurele en grootschalige gegevensverwerking moet er volgens de Afdeling vanuit het oogpunt van rechtsbescherming toe leiden dat de beslissing tot opname in de treiteraanpak moet worden gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Awb.
De oordeelsvorming tijdens de weegfase en het casusoverleg is door middel van wettelijk vastgelegde, objectieve criteria afgebakend, zodat uitsluitend informatie wordt gedeeld die relevant is voor het radicaliseringsproces. Tevens bevat de Wet met het oog op de verwerking van persoonsgegevens in het casusoverleg diverse waarborgen, zoals het gebruik van een systeem met een adequaat beveiligingsniveau en het gebruik van logging, zodat de betreffende gegevens alleen te raadplegen zijn door personen die daartoe geautoriseerd zijn. De onafhankelijke en periodieke gegevensbeschermingsaudits waarborgen de kwaliteit van het systeem en houden alle betrokkenen alert en verantwoordelijk voor de wijze waarop wordt omgegaan met de verwerking van persoonsgegevens. De resultaten van deze audits worden aan de Autoriteit Persoonsgegevens gestuurd. Uiteraard ziet ook de functionaris gegevensbescherming toe op naleving van de privacyregels. Bovenal geldt er een geheimhoudingsplicht voor eenieder die betrokken is bij de werkzaamheden van het casusoverleg en daarbij de beschikking krijgt over persoonsgegevens. Uw constatering dat gegevens zouden worden gedeeld met «voor betrokkene onbekende diensten» deel ik dan ook niet.
Evenmin kan ik uw standpunt onderschrijven dat er op basis van binnen de overheid gedeelde informatie in alle gevallen een stigma rondom betrokkene zou blijven hangen omdat betrokkene «verdacht» wordt van mogelijke betrokkenheid bij radicalisering en terroristische activiteiten. De primaire insteek van de bespreking van een casus in het casusoverleg is er juist op gericht om zo vroeg mogelijk het radicaliseringsproces van betrokkene te signaleren en op die manier eventuele toekomstige strafrechtelijke feiten te voorkomen. Radicalisering is een individueel proces waarbij de interventies zich in het beginstadium vooral zullen richten op het bieden van zorg. De bij het casusoverleg radicalisering betrokken personen zijn professionals, die op basis van hun kennis en expertise signalen over een persoon in de weegploeg wegen, hetgeen in bepaalde gevallen kan leiden tot opname in het casusoverleg waarin maatregelen worden afgestemd tussen de deelnemers aan dat casusoverleg. Mocht het noodzakelijk blijken, kunnen de gevolgen van deze gegevensuitwisseling relatief eenvoudig ongedaan worden gemaakt. Uw vrees dat er daarna bij de betrokken professionals een stigma rondom de betrokkene zou blijven hangen, acht ik op basis van de reeds geruime tijd bestaande praktijk niet aannemelijk.
Tot slot
Het kan uiteraard zijn dat de Afdeling in een toekomstig geval tot een ander oordeel komt. Op het moment dat de Afdeling een dergelijke uitspraak doet, zal ik kijken wat nodig is en, zo nodig, de wet aanpassen. Ik zie geen aanleiding om de wet nu aan te passen. Wel zal ik bij de invoeringstoets nadrukkelijk aandacht vragen voor het thema rechtsbescherming. Aan de hand van de uitkomsten van de invoeringstoets zal ik mij te zijner tijd beraden over eventuele vervolgstappen. Zoals toegezegd zal ik zowel uw Kamer als de Tweede Kamer informeren over de resultaten van de invoeringstoets.
De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Samenstelling:
Beukering (Fractie-Beukering), Bezaan (PVV), Van Bijsterveld (JA21), Croll (D66), Dittrich (D66) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Gasteren (BBB), Van der Goot (OPNL), Hartog (Volt), Janssen (SP), Kluit (GroenLinks-PvdA), Van der Linden (VVD), Marquart Scholtz (BBB) (ondervoorzitter), Martens (GroenLinks-PvdA), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Van den Oetelaar (FVD), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Recourt (GroenLinks-PvdA), Van Rooijen (50PLUS), Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden), Schalk (SGP), Talsma (ChristenUnie), Van Toorenburg (CDA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA), Visseren-Hamakers (Fractie-Visseren-Hamakers), Vogels (VVD), Walenkamp (Fractie-Walenkamp)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36225-K.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.