Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 september 2026
Hierbij bied ik u, conform de toezegging van de toenmalige Minister van Justitie en
Veiligheid uw Kamer te informeren over de uitkomsten van de pilot voor de handhaving
van de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar1, het onderzoeksrapport «Evaluatie handhaving strafbaarstelling seksuele intimidatie
in het openbaar» aan. In opdracht van het WODC heeft het onderzoeksbureau Regioplan,
in samenwerking met onderzoekers van de Open Universiteit, de handhaving van de strafbaarstelling
van seksuele intimidatie in het openbaar geëvalueerd. Bijgevoegd treft u eveneens
een samenvatting van het rapport aan. Met deze brief kom ik voormelde toezegging na.
De strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar is met de Wet seksuele
misdrijven op 1 juli 2024 opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Seksueel intimiderend
gedrag wordt binnen onze samenleving namelijk in toenemende mate als overlastgevend
en strafwaardig ervaren. Door dit gedrag strafbaar te stellen kan hiertegen strafrechtelijk
worden opgetreden. Daarnaast wil de wet bijdragen aan de versterking van de verander(en)de
maatschappelijke norm over seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dit moet bijdragen
aan het verhogen van de (online) veiligheid van burgers in de samenleving.
Tijdens de parlementaire behandeling van de Wet seksuele misdrijven heeft de Tweede
Kamer de regering verzocht in overleg met de politie, het Openbaar Ministerie en gemeenten
te monitoren in hoeverre de handhaving van seksuele intimidatie effectief is in de
praktijk, bezien in het licht van verregaande handhavingsmogelijkheden, en de Kamer
hierover te informeren twee jaar na inwerkingtreding van de wet. Dit betreft de motie
van de leden Michon-Derkzen en Eerdmans van 4 juli 2023.2
In lijn met deze motie richt het evaluatieonderzoek zich specifiek op de handhaving
van de wet. Het onderzoek bevat een kwantitatieve analyse van de handhaving van de
strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar door de politie (online
en offline) en door buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) in het kader van een
pilot waarin gemeenten ervaring hebben opgedaan met de handhaving in de openbare fysieke
ruimte. Daarnaast bevat het onderzoek aanbevelingen om de handhaving te versterken
en beschrijft het wat nodig is voor opschaling van de handhaving door boa’s. Eventuele
effecten van de beoogde normstellende werking zijn niet onderzocht.
Het WODC en de onderzoekers benadrukken dat de wet nog maar kort geleden in werking
is getreden. De onderzochte handhavingspraktijk bevindt zich daardoor nog in een ontwikkelfase,
waarin werkwijzen, interpretaties van de wet en toepassing van de strafbaarstelling
nog in beweging zijn. Het evaluatieonderzoek is daarmee een eerste inventarisatie
van ervaringen met en resultaten van de handhaving.
Het rapport geeft aan dat samenvattend gesteld kan worden dat de strafbaarstelling
van seksuele intimidatie een belangrijke stap is in de versterking van de aanpak van
seksueel intimiderend gedrag. De handhaving leidt inmiddels tot zichtbare resultaten.
Tegelijkertijd is de effectiviteit nog beperkt en afhankelijk van diverse praktische,
organisatorische en juridische factoren. Het rapport acht verdere ontwikkeling en
investeringen hierin noodzakelijk om bij te dragen aan het terugdringen van seksuele
intimidatie in het openbaar en het vergroten van de (online) veiligheid. Het onderzoek
gaat ook nader in op de rol en betekenis van deze factoren.
De uitkomsten van dit evaluatieonderzoek worden betrokken bij de verdere inrichting
van de handhaving van de strafbaarstelling van seksuele intimidatie in het openbaar,
waaronder de rol van boa's. De verdere inrichting vindt plaats in overleg met de bij
de handhaving betrokken partijen.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel