Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 23 december 2022
Naar aanleiding van de uitgestelde behandeling over de ontwerpbegroting 2023 van het
Ministerie van VWS door uw Kamer, wil ik u, mede namens de Minister voor Langdurige
Zorg en Sport en de Staatssecretaris van Volksgezondheid Welzijn en Sport, met deze
brief informeren over de gevolgen.
Uw Kamer heeft de behandeling van en de stemming over de Ontwerpbegroting 2023 van
het Ministerie van VWS uitgesteld tot na een debat over de jeugdzorg c.q. de hervormingsagenda.
Het debat hierover in combinatie met de begrotingsstaat van het Ministerie van VWS
is nu gepland op 24 januari 2023.
Artikel 2.25 van Comptabiliteitswet 2016 schrijft voor dat zolang een voorstel van
wet tot vaststelling van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking
is getreden nieuw beleid dat ten grondslag ligt aan die begrotingsstaat, niet in uitvoering
genomen kan worden. Het lopend beleid dat ten grondslag ligt aan die begrotingsstaat
kan alleen met terughoudendheid in uitvoering genomen. De uitzonderingsgrond in lid
2 waarbij uitstel van de uitvoering van nieuw beleid naar het oordeel van Onze Minister
die het aangaat niet in het belang van het Rijk is en hij de Staten-Generaal daarover
heeft geïnformeerd kan alleen worden toegepast bij uitzonderlijke situaties.
Dit betekent dat de Minister voor Langdurige Zorg en Sport en de Staatssecretaris
van Volksgezondheid Welzijn en Sport en ik nieuw beleid dat is opgenomen in de Ontwerpbegroting
2023 niet ter hand kunnen nemen. Binnen het Ministerie van VWS is hierover gecommuniceerd
zodat er totdat er door de Eerste Kamer is ingestemd geen verplichtingen aan kunnen
worden gegaan voor dit nieuwe beleid. Meer concreet betreft het de meerjarige mutaties
die bij de Voorjaarsnota 2022 zijn gemeld, de mutaties uit de Ontwerpbegroting 2023
en de nota van wijziging 2023. Er zijn geen consequenties voor de premie gefinancierde
uitgaven en de zorgtoeslag. We blijven uiteraard wel werken aan de voorbereiding van
het nieuwe beleid, maar voor het daadwerkelijk verplichten van middelen is autorisatie
van het parlement nodig. Indien ik een beroep op de uitzonderinggrond uit lid 2 van
artikel 2.25 CW noodzakelijk acht zal ik het parlement hierover separaat informeren.
De ontstane situatie kan daarom leiden tot vertraging in de uitvoering. Nu het debat
is ingepland op 24 januari 2023 is de verwachting dat deze situatie tot dat moment
zal duren. Ik hoop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
E.J. Kuipers