36 200 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2023

F NOTA NAAR AANELEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 16 december 2022

De leden van de fracties van GroenLinks en PvdA van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) van uw Kamer hebben nog enkele vragen gesteld naar aanleiding van de Hervormingsagenda Jeugd, waarvoor de uitspraak uit 2021 van de Commissie van Wijzen het vertrekpunt vormde. Hierbij ontvangt u de antwoorden op de gestelde vragen.

De kosten van de jeugdzorg zijn sinds 2005 hard gestegen. Dit heeft geleid tot ernstige problemen in de jeugdzorg, met onder andere sterk groeiende wachtlijsten. De Commissie van Wijzen sprak hierover onder andere uit dat per 1 januari 2022 een Hervormingsagenda vastgesteld moest worden, waaruit voor 2023 een budgettaire opbrengst van 374 miljoen verwacht kon worden bij de gemeenten. In het huidige begrotingsvoorstel VWS voor 2023 is deze budgettaire opbrengst van 374 miljoen al ingeboekt, terwijl de onderhandelingen over de Hervormingsagenda tussen het Rijk en de gemeenten nog niet afgerond zijn. De leden van de fracties van de PvdA en GroenLinks hebben hierover enkele vragen.

1. Hoe apprecieert het kabinet deze vertraging? In navolging van de uitspraak van de Commissie van Wijzen had de Hervormingsagenda oorspronkelijk in januari 2022 klaar moeten zijn. Hoe komt het dat hier van afgeweken wordt, met een vertraging van al bijna een jaar? En welke consequenties – algemeen, financieel en budgettair – verbindt het kabinet aan deze vertraging?

De afstemming over de Hervormingsagenda is in volle gang. Beide partijen hebben de intentie zo spoedig mogelijk de Hervormingsagenda te kunnen vaststellen, samen met andere partijen. De inzet is nog steeds om vòòr Kerst een principe overeenstemming te bereiken over de belangrijkste punten in de Hervormingsagenda. We willen nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze gesprekken, maar zullen Tweede en Eerste Kamer vòòr Kerst berichten over de stand van zaken.

Tegelijkertijd hebben Rijk en gemeenten ook niet stil gezeten sinds de uitspraak van de Commissie van Wijzen. Het kabinet en de VNG hebben in juni 2021 afspraken gemaakt over aanvullende middelen van Rijkswege (in totaal € 1,6 mld extra middelen voor 2022 cf. uitspraak Commissie van Wijzen) in combinatie met het invullen van een set aan maatregelen voor 2022. Dit zijn maatregelen waar gemeenten nu al stappen op kunnen zetten en in het licht van deze afspraken ook hebben gezet (bijv. standaardisatie uitvoering, tariefdifferentiatie en brede invoering POH-jeugd GGZ). De Tweede Kamer is per brief1 hierover geïnformeerd in mei 2022. Hiermee geven gemeenten zelf invulling aan de ruimte die zij hebben om zaken op te pakken, eventueel vooruitlopend op wetgeving. Deze besparingen zijn dus niet afhankelijk van de Hervormingsagenda.

Voor 2023 zijn aanvullende middelen á € 1,4 mld overgemaakt aan het gemeentefonds, waarbij het kabinet er vanuit gaat dat gemeenten inzetten op maatregelen voor een bedrag van € 374 miljoen. Deze besparing bouwt overigens voort op de afspraken van juni 2021, waarbij de basis voor deze besparing de tabel van de Commissie van Wijzen is. Het kabinet is dan ook van mening dat de vertraging van de Hervormingsagenda geen effect heeft voor de reeds gemaakte afspraken over extra Rijksbijdragen en maatregelen voor 2022 en 2023.

2. Klopt het dat de 374 miljoen euro aan budgettaire opbrengst bij de gemeenten voor 2023 is ingeboekt op basis van de verwachte afspraken in de Hervormingsagenda? Zo nee, waarop is deze 374 miljoen gebaseerd? Zo ja, klopt het dat deze budgettaire opbrengst in beginsel een logisch financieel gevolg van de maatregelen in de verwachte Hervormingsagenda behelst, en daarmee ook van de uitvoering van deze maatregelen afhankelijk is? Zo nee, waarom niet, en wat is dan de basis voor deze ingeboekte budgettaire opbrengst?

Waarop heeft de Commissie van Wijzen het bedrag van 374 miljoen gebaseerd, en is dat bedrag nog actueel gezien het tijdsverloop, en specifiek de gestegen kosten en hoge inflatie sinds de uitspraak? Heeft de Staatssecretaris in het aanhouden van dit bedrag rekening gehouden met de behaalde financiële effecten van de al genomen maatregelen i.h.k.v. de Hervormingsagenda in 2022 in vergelijking met de verwachtte budgettaire opbrengst vanuit gemeenten van 214 miljoen in 2022? Zo nee, waarom niet? Zijn deze financiële effecten goed in te schatten of bij te houden? Zo nee, op basis waarvan wordt dan vastgehouden aan het bedrag van 374 miljoen? Is het kabinet bereid dit bedrag te wijzigen aan de actuele situatie?

Het kabinet en de VNG hebben in juni 2021 afspraken gemaakt over aanvullende middelen in combinatie met het invullen van een set aan maatregelen voor 2022. Hiermee geven gemeenten zelf invulling aan de ruimte die zij hebben om zaken op te pakken, eventueel vooruitlopend op wetgeving. Deze besparingen zijn dus niet afhankelijk van de Hervormingsagenda. De besparing van € 374 miljoen bouwt voort op deze afspraken van juni 2021, waarbij de basis voor deze besparing de tabel van de Commissie van Wijzen is. De bedragen geven nog steeds het meest actuele beeld. Er is geen actualisatie mogelijk op basis van de behaalde financiële effecten van de genomen maatregelen in 2022, omdat deze (nog) niet bekend zijn. Daarbij spelen meerdere factoren mee in de uitgavenontwikkeling waardoor het lastig is het financiële effect van de maatregelen te isoleren. Ten aanzien van de gestegen kosten als gevolg van inflatie geldt dat het Gemeentefonds wordt geïndexeerd met het accres. Het accres is gebaseerd op de ontwikkeling van de rijksuitgaven en bevat daarmee ook een loon- en prijsontwikkelingscomponent.

Op 31 mei 2022 is de Tweede Kamer wel al geïnformeerd over de VNG-rapportage «Maatregelen jeugdhulp in 2022». In dit rapport geeft VNG aan hoe er door gemeenten al is ingezet op de afgesproken maatregelen. Er komt naar voren dat een meerderheid van de gemeenten die heeft gereageerd op de enquête al aan de slag is met maatregelen. Dit rapport is nog steeds de meest recente informatie over de maatregelen.

In het kader van de Hervormingsagenda wordt een structurele monitoring opgezet en zal ook aandacht worden besteed aan de inschatting van de financiële effecten. In de Hervormingsagenda worden ook afspraken gemaakt over het omgaan met uitgaven die zich anders ontwikkelen dan is afgesproken.

3. De onderhandelingen over de Hervormingsagenda zijn momenteel nog niet afgerond. Wat beoogt de Staatssecretaris te doen als deze Hervormingsagenda niet voor het Kerstreces wordt vastgesteld? Is de Staatssecretaris bereid om in dit geval het bedrag van 374 miljoen in 2023 d.m.v. suppletoire begrotingen dan wel via de Voorjaarsnota uit te stellen of aan te passen totdat de Hervormingsagenda is vastgesteld, en pas na vaststelling van deze maatregelen weer (d.m.v. suppletoire begrotingen) in te voeren? Zo nee, waarom niet? Zo ja, is de Staatssecretaris bereid dit toe te zeggen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, kan de Staatssecretaris een voorstel doen van de procedurele uitwerking hiervan?

We zijn op dit moment intensief in gesprek met VNG/gemeenten en andere betrokken partijen met nog steeds als inzet voor de Kerst een principe overeenstemming te bereiken over de belangrijkste punten in de Hervormingsagenda. We willen nu niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze gesprekken, maar zullen Tweede en Eerste Kamer vòòr Kerst berichten over de stand van zaken.

De vaststelling van de Hervormingsagenda staat los van de bedragen die voor 2022 en 2023 zijn geboekt. Daarnaast zijn aanvullende middelen ter hoogte van € 1,6 miljard voor 2022 en € 1,4 miljard voor 2023 beschikbaar gesteld. Er is daarom nu geen reden om in het ingroeipad van de Hervormingsagenda af te wijken van de vastgestelde reeks. Wel worden in de Hervormingsagenda ook afspraken gemaakt over het omgaan met uitgaven die zich anders ontwikkelen dan is afgesproken.

4. Als de 374 miljoen budgettaire opbrengst wordt doorgezet zonder dat de Hervormingsagenda is vastgesteld, wat zijn hiervan de gevolgen voor de jeugdzorg? En wat zijn de gevolgen voor de gemeentelijke financiering van de jeugdzorg? Zijn deze mogelijke gevolgen al in kaart gebracht, en zo nee, kan de Staatssecretaris dit doen? Wat voor effect heeft de 214 miljoen budgettaire opbrengst in 2022 gehad voor de jeugdzorg (inclusief de oplopende wachtlijsten), en de gemeentelijke financiering van de jeugdzorg? Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoe deze mogelijke gevolgen van de 374 miljoen budgettaire opbrengst mee worden gewogen in de beslissing om wel of niet de hierboven beschreven constructie met suppletoire begrotingen toe te passen? Vindt de Staatssecretaris het, met de leden, onwenselijk dat gemeenten gedwongen worden om bezuinigingen door te voeren als hiertoe nog geen maatregelen zijn vastgesteld, en hoe beoogt de Staatssecretaris deze situatie te voorkomen?

Gemeenten zijn vanaf 2022 al met maatregelen aan de slag gegaan, die zij zelf kunnen oppakken. Een inventarisatie van de VNG in 2022 laat dit ook zien. De maatregelen zijn bekend en kunnen ook zonder Hervormingsagenda doorgang vinden. Door het beschikbaar stellen van aanvullende middelen van Rijkswege ter hoogte van € 1,6 miljard voor 2022 en € 1,4 miljard voor 2023 en de reeds gemaakte afspraken over 2022 en 2023 maakt voor het kabinet dat er geen reden is om af te wijken van de vastgestelde reeks. Gemeenten moeten in staat zijn om met deze extra middelen de Jeugdwet uit te voeren. Zodat voor jeugdigen ook de zorg en ondersteuning die nodig is kan worden geboden. Tegelijkertijd is het dat meer structurele wijzigingen nodig zijn om tot een beter en houdbaar jeugdstelsel te komen, waaronder ook minder uitgaven en een beter bekostigingsmodel. Deze structurele wijzigingen worden zowel vorm gegeven in de Hervormingsagenda als in het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming.

De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, M. van Ooijen


X Noot
1

TK 2021–2022, 31 839, nr 853

Naar boven