36 194 Wijziging van de Wet publieke gezondheid in verband met de bestrijding van een epidemie van infectieziekten behorend tot groep A1, of een directe dreiging daarvan

Nr. 11 AMENDEMENT VAN HET LID VAN DEN BERG

Ontvangen 7 december 2022

De ondergetekende stelt het volgende amendement voor:

In artikel I, onderdeel H, wordt het voorgestelde artikel 58d als volgt gewijzigd:

1. Na het eerste lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 1a. Andere collectieve maatregelen als bedoeld in het eerste lid kunnen niet inhouden dat voor deelname aan of toegang tot activiteiten of voorzieningen op een openbare, publieke of besloten plaats een bewijs nodig is of de mogelijkheid wordt gegeven een bewijs te vragen waaruit blijkt dat deze persoon op het moment van de test niet was geïnfecteerd met de ziekteverwekker dan wel een bewijs van vaccinatie tegen de betreffende ziekteverwekker, of een bewijs van herstel van de infectieziekte.

2. Aan het derde lid wordt een zin toegevoegd, luidende: Lid 1a is van overeenkomstige toepassing.

Toelichting

De indienster beoogt met dit amendement te expliciteren dat de noodbevoegdheid van artikel 58d niet gebruikt kan worden voor het instellen van een toegangsbewijs zoals dit werd gebruikt bij corona of een soortgelijk toegangsbewijs gebaseerd op vaccinatiestatus, negatieve test en/of herstelbewijs.

De indienster is niet bij voorbaat tegen het gebruik van dergelijke toegangsbewijzen als de noodzaak daartoe is, de omstandigheden maken dat een dergelijk bewijs daadwerkelijk effectief kan werken in het tegengaan van besmettingen en de inzet ervan voldoet aan eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Maar als overwogen wordt een dergelijk toegangsbewijs (weer) te gaan gebruiken, dan zal dat naar mening van de indienster volgens een zorgvuldig wetstraject moeten verlopen en niet via een noodbevoegdheid. De indienster is namelijk van mening dat een toegangsbewijs onder geen enkel beding zou kunnen voldoen aan de eis dat het om een noodmaatregel moet gaan waarin per direct moet worden gehandeld.

De indienster is overigens net als de afdeling advisering van de Raad van State wel van mening dat de noodbevoegdheid van artikel 58d voor de rest moet blijven bestaan. We weten immers nog niet wát we nog niet weten over een mogelijke volgende ziekteverwekker. Als er onverhoopt maatregelen genomen zouden moeten worden waarvoor de wet (nog) geen grondslag regelt, zou in een dergelijk geval terug moeten worden gevallen op noodbevelen of in het uiterste geval op het (ongeschreven) staatsnoodrecht.

De indienster is van mening dat daarmee de Kamer juist meer buitenspel zou komen te staan, dan wanneer er een maatregel op basis van de noodbevoegdheid op basis van het voorgestelde artikel 58d zou worden uitgevaardigd. In dat laatste geval is de regering immers verplicht om onverwijld een wetsvoorstel naar de Kamer te sturen, terwijl dat bij bijvoorbeeld een noodbevel niet het geval is.

Van den Berg

Naar boven