36 180 Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

23 432 De situatie in het Midden-Oosten

Nr. 197 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS EN MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Met deze brief gaan wij in op het verzoek van de vaste Kamercommissie Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp van 19 februari jl. met kenmerk 2026Z03492/2026D07963. Verschillende leden van het kabinet hebben zich de afgelopen tijd jegens Israëlische gesprekspartners uitgesproken over de herregistratieplicht voor internationale ngo’s, en het daar uit volgende besluit van Israël om diverse hulporganisaties te weren. Nederland heeft, naast de bilaterale gesprekken, ook in de EU aandacht gevraagd voor de negatieve gevolgen voor de hulpverlening in de bezette Palestijnse gebieden.

In het verslag van de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. (Kamerstuk 21 501-02, nr. 3345) werd reeds toegelicht hoe uitvoering wordt gegeven aan motie-Bamenga c.s. (Kamerstuk 36 180, nr. 190). Nederland blijft consequent pleiten, zowel bilateraal en binnen de EU, voor meer en betere toegang voor de invoer en distributie van humanitaire hulp. Tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 29 januari jl. is aangegeven dat Nederland zich diplomatiek inzet Israël op te roepen humanitaire hulp ongehinderd toe te laten en af te zien van de implementatie van de herregistratieplicht voor internationale ngo’s.

Nederland zal zich ook tijdens de Raad Buitenlandse Zaken van 23 februari aanstaande hiervoor blijven inzetten, mede gelet op de naderende deadline van 28 februari, waarop de betreffende internationale ngo’s van Israël de Palestijnse gebieden moeten hebben verlaten.

De Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, A. de Vries

De Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. van Weel

Naar boven