36 178 Voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Dobbe en Kostic tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen)

H BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID EN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS EN EMANCIPATIE

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 14 april 2026

Inleiding

In het tweede verslag over het voorstel van wet van de leden Paulusma, Becker, Westerveld, Dobbe en Kostić tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met het strafbaar stellen van handelingen gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit (36 178) zijn door de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 (gezamenlijk), BBB, PVV en SGP over voormeld wetsvoorstel aanvullende vragen gesteld die (mede) aan het kabinet zijn gericht. Graag zijn wij bereid deze namens het kabinet te beantwoorden. Bij de beantwoording is grotendeels de indeling van het verslag gevolgd. Waar dit de duidelijkheid ten goede komt, is een aantal vragen samen beantwoord.

Het wetsvoorstel strekt tot strafbaarstelling van conversiehandelingen zowel in het Europese deel van Nederland (artikel 285ba van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) als in Caribisch Nederland (artikel 297b van het Wetboek van Strafrecht BES). Omwille van de leesbaarheid wordt in het navolgende steeds alleen verwezen naar de Europees Nederlandse strafbepaling. Dat neemt niet weg dat de hierna genoemde overwegingen eveneens gelden ten aanzien van de Caribisch Nederlandse bepaling.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 gezamenlijk

De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 wijzen erop dat de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa op 29 januari 2026 met overgrote meerderheid een resolutie heeft aangenomen, waarin alle lidstaten van de Raad van Europa wordt gevraagd een wettelijk verbod op conversiehandelingen te introduceren.1 Naast een dergelijk wettelijk verbod vraagt de Parlementaire Assemblee ook om flankerend beleid. Deze leden vragen hoe en op welke termijn het kabinet voornemens is om de in de resolutie vermelde punten te implementeren.

Het kabinet is ervan doordrongen dat er meer nodig is dan alleen een wettelijk verbod om conversiehandelingen definitief te stoppen. Conversiehandelingen vinden in verschillende lidstaten op verschillende manieren plaats, en zijn schadelijk voor de lhbtiq+ personen die hieraan worden onderworpen. De bewustwording over de schadelijkheid van dergelijke handelingen moet worden bevorderd, er moet hard worden opgetreden tegen discriminatie en de acceptatie van lhbtiq+ personen moet worden vergroot. Het kabinet is dan ook blij met de concrete aanbevelingen van de Raad van Europa om hier verdere stappen te zetten.

Naast de aanbevelingen van de Raad van Europa kijkt het kabinet ook met interesse uit naar het voorgenomen onderzoek van de Europese Commissie naar de aard, prevalentie en impact van conversiepraktijken.

Het kabinet werkt momenteel al op diverse manieren aan het bevorderen van de maatschappelijke acceptatie van lhbtiq+ personen. Bijvoorbeeld door hieraan meer aandacht te geven in het onderwijs, door extra inzet op discriminatiebestrijding en door intensieve samenwerking met het maatschappelijk middenveld. Hierbij is ook aandacht voor gemeenschappen waar de acceptatie van lhbtiq+ personen minder vanzelfsprekend is en conversiebehandelingen vaker voorkomen. De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie zal later dit jaar de Emancipatienota presenteren met daarin concreet hoe het kabinet het emancipatiebeleid verder vormgeeft en aanscherpt.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB

De leden van de BBB-fractie zijn van oordeel dat met de tweede nota van wijziging het initiatiefvoorstel ingrijpend is gewijzigd.2 Naar aanleiding hiervan vernemen deze leden graag op basis waarvan in het voorliggende wetsvoorstel voldoende duidelijk is welke handelingen onder de strafbaarstelling van conversiehandelingen vallen, wat de gevolgen hiervan zijn voor de uitvoerings- en handhavingspraktijk en wat de betekenis hiervan is voor de rechtszekerheid van betrokkenen.

Met de genoemde nota van wijziging hebben de initiatiefnemers twee begrenzingen die al in de memorie van toelichting waren opgenomen in de wet vastgelegd. De toevoeging van het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» drukt uit dat de beoogde strafbaarstelling zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben. De formulering «met het oogmerk om» vervangt het aanvankelijk opgenomen bestanddeel «die ertoe strekken», zodat preciezer tot uitdrukking komt dat voor strafbaarheid is vereist dat de dader het specifieke oogmerk moet hebben om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken. Met deze gewijzigde formuleringen geeft het wetsvoorstel nog helderder weer waar het om gaat, zonder dat de voorgestelde strafbaarstelling inhoudelijk is gewijzigd. Naar het oordeel van het kabinet is dan ook geen sprake van een ingrijpende wijziging. Dat doet zeker niet af aan de betekenis van deze nota van wijziging, die er juist aan bijdraagt dat er zoveel mogelijk duidelijkheid wordt verschaft over de gedragingen die wel of niet onder de strafbaarstelling vallen.

In de brief van 26 januari 2026 waarin de vragen die in het eerste verslag aan de regering zijn gesteld van een antwoord zijn voorzien, is uiteengezet waarom zij van oordeel is dat het voorgestelde strafrechtelijk verbod op het verrichten van conversiehandelingen helder is afgebakend en voor burgers en justitiële autoriteiten voorzienbaar is welk gedrag onder de strafbepaling valt, alsmede wat de gevolgen voor de handhavingspraktijk zijn.3 Kortheidshalve worden de aan het woord zijnde leden daarnaar verwezen.

De aan het woord zijnde leden memoreren dat in de al aangehaalde brief van 26 januari 2026 het eenmalig toedienen van elektroshocks is genoemd als een situatie die kan vallen onder het bereik van de beoogde strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen. Zij vragen waarom voor dit voorbeeld is gekozen en of daarbij kan worden aangegeven hoe vaak per jaar gedurende de laatste tien jaar het toedienen van elektroshocks in het kader van conversie aantoonbaar heeft plaatsgevonden in Nederland.

Voor zover bekend heeft zich in Nederland geen strafzaak voorgedaan waarin is bewezen dat conversiehandelingen zijn verricht waarbij elektroshocks zijn toegediend. Het verrichten van conversiehandelingen wordt in wetenschappelijk onderzoek evenwel in verband gebracht met het toedienen van elektroshocks.4 Dat verband wordt ook gelegd in de resolutie van de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa over een verbod op conversiehandelingen die dit jaar is aangenomen, waarop hiervoor in deze brief – naar aanleiding van een vraag van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 daarover – is ingegaan. Tegen die achtergrond begrijpt het kabinet de keuze van de initiatiefnemers om het toedienen van elektroshocks als een voorbeeld te noemen van een situatie die kan vallen onder het bereik van de voorgestelde strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen.

Naar aanleiding van de beantwoording van vraag 12 in de eerdergenoemde brief van 26 januari 2026 willen de leden van de fractie van de BBB weten waar de grens ligt tussen de beoogde strafbaarstelling enerzijds en besnijdenis, genitale verminking en het wegnemen van lichaamsdelen anderzijds.

In de aangehaalde brief is in reactie op de door deze leden gememoreerde vraag aangegeven dat voor strafbaarheid ter zake van het verrichten van conversiehandelingen (voorgesteld artikel 285ba, eerste en derde lid, Sr) is vereist dat die handelingen (i) zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, (ii) een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en (iii) zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van – kort gezegd – een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Dit betekent dat fysieke inwerkingen die een indringend karakter hebben onder het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen. Ter verduidelijking wordt in de richting van deze leden opgemerkt dat een dergelijke fysieke inwerking ook kan bestaan uit een besnijdenis, genitale verminking of het wegnemen van lichaamsdelen. Per geval zal moeten worden beoordeeld of aan alle delictsvereisten is voldaan, waaronder het onder (iii) genoemde oogmerkvereiste. In de eerdere brief is al aangegeven dat het mogelijk is dat een gedraging in een concreet geval zowel onder de voorgestelde strafbaarstelling als onder een of meer andere strafbaarstellingen valt. Ter concretisering hiervan wordt opgemerkt dat bijvoorbeeld genitale verminking of het wegnemen van een lichaamsdeel – indien aan alle toepasselijke delictsvereisten is voldaan – ook een vorm van (zware) mishandeling kunnen opleveren (vgl. de artikelen 300 tot en met 303 Sr). In algemene zin geldt dat er enige overlap kan zijn tussen delicten. Dat neemt niet weg dat ieder delict zijn eigen reikwijdte en plaats heeft binnen het strafrecht. De officier van justitie kan afhankelijk van de omstandigheden van het geval kiezen voor welk delict of welke delicten hij vervolging instelt. De wettelijke samenloopregeling, die is neergelegd in Titel VI van Boek 1 van het Wetboek van Strafrecht, voorziet voor gevallen waarin meerdere delicten ten laste worden gelegd in voorschriften om te komen tot een passende bestraffing.

In de brief van 26 januari 2026 is aangegeven dat per geval zal moeten worden beoordeeld of het toedienen van medicatie een stelselmatig of anderszins indringend karakter heeft, zoals de delictsomschrijving vereist. Met het oog daarop vragen de leden van de BBB-fractie welke in dit verband bekende en vaker gebruikte medicijnen het kabinet als legaal dan wel als strafbaar beschouwt. Tevens vragen zij welke medische handelingen (en/of gebruikte medische instrumenten) het kabinet als disproportioneel en daardoor strafbaar wil aanmerken.

In de reactie op de vorige vraag van de aan het woord zijnde leden is nader toegelicht dat voor strafbaarheid wegens het verrichten van conversiehandelingen is vereist dat is voldaan aan alle delictsvereisten. Dat betekent dat niet in algemene zin kan worden aangegeven welke medicijnen al dan niet onder het bereik van deze strafbaarstelling kunnen vallen. Beslissend is immers of het toedienen van medicatie i) is verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, (ii) een stelselmatig of anderszins indringend karakter heeft en (iii) is verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van – kort gezegd – een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Dit brengt mee dat de voorgestelde strafbaarstelling zich ook kan uitstrekken tot het frequent toedienen van (op zichzelf beschouwd legale) (homeopathische) middelen met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken, zoals blijkt uit de memorie van toelichting.5 Per geval zal moeten worden beoordeeld of alle voorwaarden voor strafbaarheid zijn vervuld. Het voorgaande geldt evenzeer voor (andere) medische handelingen, waarbij het voorgestelde artikel 285ba, zevende lid, Sr waarborgt dat niet strafbaar is de arts of andere zorgverlener die in de uitoefening van zijn beroep handelt in overeenstemming met de voor diegene geldende zorgvuldigheidseisen.

Tegen de achtergrond van de beantwoording van de vragen 15 en 16 in de meermalen genoemde brief van 26 januari 2026, willen de leden van de BBB-fractie met het oog op de reikwijdte van de medische exceptie weten welke specifieke «artsen of andere zorgverleners» niet «in overeenstemming met de voor hen geldende zorgvuldigheidseisen» conversiehandelingen kunnen verrichten. Deze leden vragen of enkele voorbeelden kunnen worden gegeven. Ook verzoeken zij of het kabinet wil aangeven – in aanvulling op de beantwoording van vraag 19 in de brief van 26 januari 2026 – of zij voornemens is het bestuursrechtelijk toezicht uit te breiden of te voorzien in voorlichting.

In de kwaliteitsstandaard transgenderzorg somatisch en de kwaliteitsstandaard transgenderzorg psychisch worden zorgverleners genoemd van wie het gebruikelijk is dat zij betrokken zijn bij een behandeling. De kwaliteitsstandaarden voor transgenderzorg in Nederland (zowel somatisch als psychisch) zijn richtlijnen en als zodanig onderdeel van de professionele standaard als bedoeld in de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg. Deze zien op een breed scala aan zorgverleners die samenwerken in een multidisciplinair team. De zorg wordt voornamelijk geleverd door zogenoemde kernzorgverleners die werken binnen de genderzorg waaronder klinisch psychologen, gezondheidszorgpsychologen, psychiaters, endocrinologen, chirurgen, verpleegkundig specialisten, maar ook door eerstelijns- en ondersteunende zorgverleners zoals huisartsen, GGD-artsen, genderteams en of samenwerkingsverbanden en ggz-instellingen. De kwaliteitsstandaarden zijn erop gericht dat zorgverleners samenwerken om de kwaliteit van de zorg te waarborgen. Daarnaast besteden de kwaliteitsstandaarden aandacht aan een respectvolle en menselijke behandeling6. De kwaliteitsstandaarden zijn tot stand gekomen met inbreng van ervaringsdeskundigen en belangenorganisaties op het gebied van transgender en genderdiverse personen.

De zogeheten medische exceptie die in het voorgestelde artikel 285ba, zevende lid, Sr is vastgelegd, geldt in beginsel voor alle artsen en andere zorgverleners die in de uitoefening van hun beroep handelen volgens de geldende zorgvuldigheidseisen. Gelet echter op het werkgebied zal deze exceptie met name van belang zijn voor de bovengenoemde beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg. Het is dus niet mogelijk aan te geven voor welke beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg deze uitzonderingen niet van toepassing zijn, behalve voor degenen die zich niet houden aan de geldende zorgvuldigheidseisen.

De professionele standaard wordt ingevuld door het veld en de betrokken zorgverleners zijn daarmee dan ook bekend. In aanvullende, specifiek op dit initiatiefvoorstel gerichte voorlichting of het uitbreiden van bestuursrechtelijk toezicht is niet voorzien.

Daarnaast vragen deze leden of het kabinet bekend is met één of meer evaluaties van soortgelijke conversiewetten in andere landen.

Het kabinet is niet bekend met enige evaluatie van soortgelijke wetgeving. Daarbij wordt opgemerkt dat die wetgeving in ons omringende landen relatief kortgeleden is ingevoerd. Zo kent Duitsland sinds 2020 een specifiek verbod op conversiehandelingen en Frankrijk sinds 2022.

Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in de eerdere brief is opgenomen dat gesprekken tussen ouders en kind in de privésfeer buiten de reikwijdte van de beoogde strafbepaling vallen. Zij willen weten hoe ver deze privésfeer reikt en vragen of die privésfeer zich bijvoorbeeld ook uitstrekt tot broers en zussen, aangetrouwde familieleden en huisvrienden.

Ter verheldering wordt in reactie op deze vraag vooropgesteld dat de beoordeling van de strafbaarheid niet afhankelijk is van de precieze afbakening van de privésfeer. Uitsluitend op basis van de wettelijke delictsomschrijving moet worden bepaald of sprake is van strafbaarheid wegens het verrichten van conversiehandelingen (voorgesteld artikel 285ba, eerste en derde lid, Sr). Die delictsomschrijving strekt zich alleen uit tot handelingen die zijn verricht «in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie». Tegen de achtergrond van dat delictsvereiste is in de aangehaalde brief aangegeven – in lijn met wat de initiatiefnemers hierover naar voren hebben gebracht – dat gesprekken tussen ouders en kind in de privésfeer buiten de reikwijdte van de beoogde strafbepaling vallen. Dergelijke gesprekken vinden immers niet plaats «in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie». Het voorgaande betekent dat gesprekken met andere familieleden of huisvrienden alleen onder het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen in de bijzondere situatie dat de gespreksvoering plaatsheeft in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

De leden van de PVV-fractie vragen hoe in de praktijk wordt vastgesteld dat een hulpverlener onder «de uitzondering voor professionele zorgverlening» valt.

Op basis van het voorgestelde artikel 285ba, zevende lid, Sr is de door deze leden bedoelde medische exceptie van toepassing op een arts of een andere zorgverlener die zijn beroep uitoefent en daarbij handelt in overeenstemming met de voor de betrokken arts of andere zorgverlener geldende zorgvuldigheidseisen. Dat betekent dat het moet gaan om een arts of een andere zorgverlener die beroepsmatig handelt en diegene zich houdt aan de geldende zorgvuldigheidseisen, die onder andere zijn opgenomen in richtlijnen als onderdeel van de professionele standaard of als kwaliteitsstandaard bij opname in het Register voor kwaliteitsstandaarden van het Zorginstituut. Dit is hiervoor nader toegelicht in antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de BBB-fractie, waarnaar deze leden kortheidshalve worden verwezen.

Daarnaast willen deze leden graag vernemen hoe wordt omgegaan met begeleiding door personen die niet onder een wettelijk gereguleerd zorgregister vallen, zoals coaches, counselors of religieuze begeleiders.

Normaal gesproken zal de begeleiding door coaches, counselors en religieuze begeleiders niet vallen onder de reikwijdte van de beoogde strafbepaling. Dat is alleen anders in de bijzondere situatie dat die personen handelingen hebben verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, die handelingen een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en deze zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gericht of genderidentiteit van een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. In dat geval zijn die handelingen strafbaar en kunnen de genoemde personen zich niet beroepen op de medische exceptie die is vastgelegd in het voorgestelde artikel 285ba, zevende lid, Sr.

Verder vragen de leden van de PVV-fractie of een uitvoerbaarheidstoets door de politie en het OM heeft plaatsgevonden en, zo ja, wat de belangrijkste bevindingen waren.

Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan de politie en het OM. Langs die weg zijn beide organisaties in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over de uitvoerings- en financiële consequenties van het wetsvoorstel, alsook de handhaafbaarheid van de beoogde strafbepaling. Naar aanleiding hiervan heeft de politie aangegeven vanuit de politiepraktijk geen aanleiding te zien tot het maken van opmerkingen. In zijn consultatieadvies heeft het OM het wetsvoorstel expliciet belicht vanuit het oogpunt van handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Daarbij heeft het OM aangegeven niet te verwachten dat dit wetsvoorstel leidt tot een groot aantal aangiftes, mede omdat het verbod een praktijk betreft die tamelijk beperkt is in omvang, alsmede dat de voorgestelde strafbepaling voldoende concreet is geformuleerd om de praktijk adequate handvatten te bieden voor de opsporing en vervolging. Hieraan ontleent het kabinet het vertrouwen dat deze strafbepaling daadwerkelijk kan worden toegepast.

De aan het woord zijnde leden willen ook weten of wordt voorzien in specifieke richtlijnen of handhavingskaders voor de politie en het OM, teneinde uiteenlopende interpretaties van deze strafbepaling in de praktijk te voorkomen.

Als gevolg van de eerder in deze brief genoemde nota van wijziging is de wettelijke delictsomschrijving aangescherpt, terwijl de parlementaire stukken beoordelingsfactoren en voorbeelden bevatten. Daarom worden, ook gelet op de inhoud van het hierboven genoemde consultatieadvies van het OM, in de praktijk geen problemen verwacht ten aanzien van de interpretatie van de beoogde strafbepaling. Op grond van artikel 130, zesde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie is het aan het College van Procureurs-Generaal om te bepalen voor welke strafbare feiten een strafvorderingsrichtlijn wordt vastgesteld.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP

De fractieleden van de SGP ontvangen graag een heldere analyse met betrekking tot de vraag of met het gewijzigd voorstel voldoende duidelijk is: a) welke handelingen vallen onder de strafbaarstelling van conversiehandelingen, vooral gerelateerd aan de ingrijpende wijziging van het wetsvoorstel door de hierboven genoemde nota van wijziging; b) wat de gevolgen zijn voor de uitvoeringspraktijk; c) wat de consequenties zijn voor de handhavingspraktijk; en d) wat de betekenis hiervan is voor de rechtszekerheid voor betrokkenen.

Het voorliggende initiatiefvoorstel introduceert een specifieke strafbaarstelling van het verrichten van conversiehandelingen ten aanzien van minderjarigen (voorgesteld artikel 285ba, eerste lid, Sr) of kwetsbare meerderjarigen (derde lid). Voor strafbaarheid is steeds vereist dat die handelingen (i) zijn verricht in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie, (ii) een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben en (iii) zijn verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van – kort gezegd – een minderjarige of kwetsbare meerderjarige te veranderen of te onderdrukken. Het kabinet is van oordeel dat met de voorliggende wettelijke delictsomschrijving voldoende duidelijk is welke handelingen de beoogde strafbaarstelling omvat, zodat voor betrokkenen – zoals burgers, zorgverleners en justitiële autoriteiten – voorzienbaar is welke gedragingen strafbaar zijn. Dit wordt hierna toegelicht.

Zoals hiervoor in reactie op vragen van de leden van de BBB-fractie al is uiteengezet, zijn bij nota van wijziging twee begrenzingen die al in de memorie van toelichting waren opgenomen in de wet vastgelegd waardoor het wetsvoorstel nog helderder weergeeft waar het om gaat, zonder dat de voorgestelde strafbaarstelling inhoudelijk is gewijzigd. Naar het oordeel van het kabinet is dan ook geen sprake van een ingrijpende wijziging van een wetsvoorstel. Door het toegevoegde bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» komt duidelijk in de wettelijke delictsomschrijving tot uitdrukking dat het delict zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben. Met het oog op de beoordeling of hiervan in een concreet geval sprake is, bevatten de parlementaire stukken, waaronder de toelichting op de tweede nota van wijziging, beoordelingsfactoren en voorbeelden. Relevante factoren zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, alsook de omstandigheden waaronder deze gedragingen hebben plaatsgevonden. Als voorbeelden van situaties die onder het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen worden genoemd het stelselmatig psychische druk uitoefenen op een persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken dan wel het eenmalig toedienen van elektroshocks. Laatstgenoemde fysieke inwerkingen hebben een indringend karakter vanwege de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de persoon die deze elektroshocks krijgt toegediend. Daarentegen valt een incidenteel pastoraal of psychotherapeutisch getint gesprek door bijvoorbeeld een jeugdwerker over seksuele gerichtheid of genderidentiteit buiten de reikwijdte van de beoogde strafbaarstelling, ook als in zo’n gesprek (zijdelings) enige psychische druk op die persoon wordt uitgeoefend. Bij pastorale of psychotherapeutische gesprekken zal pas aan het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» zijn voldaan als over een zekere periode en met een hoge mate van intensiteit druk wordt uitgeoefend op de betreffende persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. De formulering «met het oogmerk om» vervangt het aanvankelijk opgenomen bestanddeel «die ertoe strekken». Zo komt duidelijk in de voorgestelde wettelijke delictsomschrijving tot uitdrukking dat voor strafbaarheid steeds is vereist dat de dader het specifieke oogmerk moet hebben om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken.

Naar het oordeel van het kabinet is het voorgestelde strafrechtelijk verbod op het verrichten van conversiehandelingen hiermee helder afgebakend. Uit de wettekst blijkt duidelijk op welke gevallen de strafbaarstelling zich richt en er worden toereikende aanknopingspunten geboden om niet-laakbare gedragingen daarbuiten te houden. Op basis daarvan zal per geval moeten worden beoordeeld of sprake is van strafbaarheid. Met het oog op de rechtszekerheid is ook van betekenis dat – als gevolg van het aangenomen amendement van het lid Wijen-Nass7 – het voorgestelde zevende lid van de strafbepaling expliciet bevestigt dat artsen en andere zorgverleners, zonder voor strafrechtelijke vervolging te hoeven vrezen, de ruimte behouden om volgens de professionele standaarden van hun beroepsgroep zorg te verlenen. Voor de handhaafbaarheid is van belang dat het OM in zijn advies heeft aangegeven dat de strafbepaling voldoende handvatten biedt voor handhaving en vervolging. De gevolgen voor de uitvoerings- en handhavingspraktijk zijn hiervoor nader toegelicht in antwoord op een soortgelijke vraag van de leden van de PVV-fractie, waarnaar deze leden kortheidshalve worden verwezen.

Tot slot vragen de leden van de fractie van de SGP hoe de begrippen «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» zich verhouden tot de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en of het EHRM in de afgelopen jaren arresten heeft gewezen die voor de geciteerde begrippen relevant kunnen zijn.

Deze leden wijzen op het vereiste dat de handelingen die zijn verricht – met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken – een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben gehad. De begrippen «stelselmatig» en «indringend» komen al in het Wetboek van Strafrecht voor, als delictsbestanddeel van belaging (artikel 285b, eerste lid, Sr) onderscheidenlijk als bestanddeel van verschillende seksuele delicten (artikelen 251, eerste lid, onderdeel a, en 429ter Sr). Voor zover het kabinet bekend, is tot op heden nimmer een zaak over conversiehandelingen voorgelegd aan het EHRM. Wel heeft de Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa dit jaar een resolutie over een verbod op conversiehandelingen aangenomen, waarop hiervoor in deze brief – naar aanleiding van een vraag van de leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en D66 daarover – is ingegaan. Voor zover de leden van de fractie van de SGP informeren naar de verhouding van de beoogde strafbepaling tot het legaliteitsbeginsel wordt opgemerkt dat de toevoeging van het delictsbestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» van betekenis is in het licht van het bepaaldheidsgebod, dat onderdeel is van het in artikel 7 van het EVRM erkende legaliteitsbeginsel, op grond waarvan is vereist dat een strafbepaling voldoende nauwkeurig is omschreven. Dit is nader toegelicht in de brief van 26 januari 2026, in reactie op een daarop toegespitste vraag van de leden van de BBB-fractie.8 Kortheidshalve worden de aan het woord zijnde leden daarnaar verwezen.

De Minister van Justitie en Veiligheid, D.M. van Weel

De Staatssecretaris van Onderwijs en Emancipatie, J.Z.C.M. Tielen


X Noot
1

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, Resolution 2643 (2026), «For a ban on conversion practices», aangenomen op 29 januari 2026.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 11.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, D, p. 3–4, 6 en 8–9.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld de onderzoeksrapporten van Bureau Beke en Ateno, Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland (2020), p. 74–75 en Regioplan, Verkenning van juridische en beleidsmatige interventies ter voorkoming en bestrijding van «conversietherapie» (2022), p. 14.

X Noot
5

Kamerstukken II 2021/22, 36 178, nr. 3, p. 28. Zo ook de nota naar aanleiding van het verslag: Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 13.

X Noot
6

Vanuit respect en het gevoel van veiligheid voor de transgender persoon is het essentieel dat de zorgverlener gendersensitief is, dat wil zeggen dat deze een respectvolle woordkeus heeft, de transgender persoon op de gewenste manier aanspreekt en de individuele zorgvraag ziet en respecteert.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, D, p. 6.


X Noot
1

Parlementaire Assemblee van de Raad van Europa, Resolution 2643 (2026), «For a ban on conversion practices», aangenomen op 29 januari 2026.

X Noot
2

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 11.

X Noot
3

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, D, p. 3–4, 6 en 8–9.

X Noot
4

Zie bijvoorbeeld de onderzoeksrapporten van Bureau Beke en Ateno, Voor de verandering. Een exploratief onderzoek naar pogingen tot het veranderen van seksuele gerichtheid en genderidentiteit in Nederland (2020), p. 74–75 en Regioplan, Verkenning van juridische en beleidsmatige interventies ter voorkoming en bestrijding van «conversietherapie» (2022), p. 14.

X Noot
5

Kamerstukken II 2021/22, 36 178, nr. 3, p. 28. Zo ook de nota naar aanleiding van het verslag: Kamerstukken II 2023/24, 36 178, nr. 10, p. 13.

X Noot
6

Vanuit respect en het gevoel van veiligheid voor de transgender persoon is het essentieel dat de zorgverlener gendersensitief is, dat wil zeggen dat deze een respectvolle woordkeus heeft, de transgender persoon op de gewenste manier aanspreekt en de individuele zorgvraag ziet en respecteert.

X Noot
7

Kamerstukken II 2024/25, 36 178, nr. 14.

X Noot
8

Kamerstukken I 2025/26, 36 178, D, p. 6.

Naar boven