Kamerstuk
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36178 nr. C |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Dossier- en ondernummer |
|---|---|---|---|
| Eerste Kamer der Staten-Generaal | 2025-2026 | 36178 nr. C |
Ontvangen 14 januari 2026
Inleiding
De initiatiefnemers danken de leden van de fracties van BBB, de ChristenUnie, de SGP en D66 voor hun inbreng. Zij hebben de vragen geprobeerd zo goed mogelijk te beantwoorden. Omdat er op sommige onderwerpen door meerdere fracties vragen zijn gesteld kiezen zij ervoor om een aantal onderwerpen toe te lichten waarover soortgelijke vragen zijn gesteld. Daarna beantwoorden zij per fractie de vragen die zien op andere aspecten of waarover enkel door die fractie vragen over zijn gesteld.
Vragen over toegevoegde waarde van een aparte strafbaarstelling en het strafrecht als ultimum remedium
De leden van de fractie van BBB hebben gevraagd precies aan te geven waarom het geldende strafrecht volgens het niet volstaat. Ook de fracties van de ChristenUnie en de SGP hebben hier vragen over gesteld.
De kern van het antwoord op de vraag waarom het huidige strafrechtelijke kader niet volstaat, ligt in het volgende besloten. Een deel van de conversiehandelingen dat kan plaatsvinden valt onder de delictsomschrijvingen van bestaande strafbepalingen, zoals dwang, vrijheidsberoving en bedreiging. Maar dat geldt niet voor alle conversiehandelingen. Uit verhalen van slachtoffers en onderzoek blijkt dat conversietherapie vaak plaats vindt op een manier die op dit moment in beginsel niet strafbaar is. Zo kan het zijn dat er dus geen sprake is van dwang, fysieke mishandeling of vrijheidsberoving, maar wel van een serie van stelselmatige gesprekken, waarbij iemand op indringende wijze wordt geïndoctrineerd, met het oogmerk om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen. Of bijvoorbeeld indringende therapie-achtige gebedsgenezingssessies waarbij duivelsuitdrijvingen worden uitgevoerd. Dit zijn conversiehandelingen die tot doel hebben de seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderingen en die niet onder bestaande strafbaarstellingen vallen, terwijl veel slachtoffers wel met deze vormen te maken hebben gehad. Daarbij dient te worden opgemerkt dat voor de personen onder de achttien jaar een extra toegevoegde waarde bestaat in die zin dat daar geen sprake hoeft te zijn van dwang, die bijvoorbeeld kan bestaan in uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Bij volwassenen kan hierbij – al hoeft dat niet definitie zo te zijn – een overlap bestaan met «enige andere feitelijkheid» in de zin van artikel 284 Sr (dwang).
De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP stellen dat de inzet van het strafrecht geldt als een «ultimum remedium». Zij vragen hoe dit wetsvoorstel zich zo bezien verhoudt tot andere maatregelen die genomen kunnen worden om conversiehandelingen tegen te gaan. De initiatiefnemers benadrukken dat er eerder, andere pogingen zijn ondernomen om de praktijk van conversiehandelingen een halt toe te roepen. In eerste instantie is ingezet op zelfregulatie. Een poging om een gedragscode op te stellen is in 2021 gestrand vanwege een gebrek aan draagvlak vanuit de religieuze koepelorganisaties. Het CIO en het CMO hebben aangegeven dat zij niet mee willen werken aan de totstandkoming van een gedragscode. Vervolgens hebben de initiatiefnemers diverse alternatieven overwogen. In de eerste plaats een verbod op het aanbieden via de reclamecode. Ten eerste zien zij de Reclame Code niet als een geschikte oplossing omdat de Stichting Reclame Code een private stichting is. De initiatiefnemers kunnen er niet toe besluiten in te grijpen, omdat het om zelfregulering vanuit de sector gaat. Ten tweede is aanbieden breder dan enkel reclame en is, juist om dat het om zelfregulering gaat, de Nederlandse Reclame Code niet voor eenieder bindend. Om deze redenen is dit middel niet effectief.
In tweede instantie hebben de initiatiefnemers gekeken naar het bestuursrecht. Zij hebben zich daarbij laten informeren door de verkenning van juridische en beleidsmatige interventies ter voorkoming en bestrijding van «conversietherapie» van Regioplan en de VU, uitgevoerd in opdracht van de Tweede Kamer. De onderzoekers concluderen dat er bestuursrechtelijk op voorhand geen aanknopingspunt te vinden lijkt voor het bestrijden van conversiehandelingen. Dit omdat een verbod op conversiepraktijken geen aansluiting vindt bij de bestuursrechtelijke handhavingsomgeving, die voornamelijk ziet op de openbare rechtsorde. De initiatiefnemers sluiten niet uit dat een bestuursrechtelijke oplossing in andere landen effectief zou kunnen zijn, maar volgen hier het advies van de experts om in Nederland niet te kiezen voor die vorm.
De leden van de SGP-fractie vragen daarbij waarom de initiatiefnemers het passend vinden om het strafrecht, dat het laatste middel dient te zijn, als symboolwetgeving te gebruiken. De initiatiefnemers bestrijden de stelling dat het voorliggende voorstel enkel symboolwetgeving zou zijn. Het voorstel beoogt concrete handelingen die in de praktijk vinden te voorkomen, dat is een zeer praktische toepassing. Zij onderschrijven dat er normerende werking van de wet uit kan gaan, zoals ook door de Afdeling advisering van de Raad van State is benadrukt. Het gaat dus niet om symboolwetgeving. In deze zin sluit het wetsvoorstel ook aan bij het normerende karakter van bijvoorbeeld de Wet seksuele misdrijven. Ook bij de behandeling van dat wetsvoorstel is aan de orde geweest dat veranderde maatschappelijke normen aanleiding kan zijn om het Wetboek van Strafrecht daarop aan te passen; in dat geval om onder andere seksuele straatintimidatie zelfstandig strafbaar te stellen en bij onderhavig wetsvoorstel om strafwaardige conversiehandelingen tegen te gaan.
De leden van de SGP-fractie en de leden van de fractie van de ChristenUnie vragen ook naar de preventieve werking van het voorstel. De initiatiefnemers achten preventieve effecten aannemelijk, gelet op de aard van conversiehandelingen. Het gaat niet om impulsdelicten, maar om georganiseerde, structurele activiteiten (bijvoorbeeld in instellingen, organisaties of geestelijke gemeenschappen) die voorbereiding, planning en herhaling kennen.
Daarom verwachten de initiatiefnemers dat strafbaarstelling van het verrichten of aanbieden van conversiehandelingen een duidelijke normerende functie vervult en aanbieders ertoe brengt hun activiteiten te staken of niet langer openlijk aan te bieden. Deze normstelling is in hun ogen een essentieel onderdeel van de preventieve werking. Tegelijk wijzen zij erop dat het wetsvoorstel niet op zichzelf staat: effectieve preventie vergt ook flankerend beleid, waartoe de Tweede Kamer de regering eerder toe heeft opgeroepen. In dat licht vinden de initiatiefnemers het ook belangrijk dat de motie Mutluer wordt uitgevoerd.1
In deze motie wordt de regering verzocht om in overleg te treden met de bestaande meld- en steunpunten van slachtoffers van conversiehandelingen en met belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen, zodat optimaal kan worden gewaarborgd dat slachtoffers van conversiehandelingen terecht kunnen voor gespecialiseerde hulp.
Met flankerend beleid en het afgebakende wetsvoorstel menen de initiatiefnemers dat op evenwichtige wijze recht wordt gedaan aan zowel de mogelijkheden als de beperkingen van het strafrecht.
Vragen over de wetenschapstoets en de grondrechten
De leden van de fractie van BBB hebben verwezen naar het advies van de Raad van State en de wetenschapstoets. Zij hebben gevraagd naar wat er met de vraagpunten omtrent het doel, de reikwijdte, de effectiviteit en de onderbouwing is gedaan. Ook de leden van de SGP-fractie vragen om een reactie op de in de wetenschapstoets naar voren gebrachte punten.
De initiatiefnemers hebben kennisgenomen van de stukken waar deze leden naar verwijzen. Daarbij hebben zij in het proces ook inbreng en adviezen verwerkt van onder meer het Openbaar Ministerie, de Raad voor de Rechtspraak, de Nederlandse Vereniging voor de Rechtspraak en de politie.
De Afdeling Advisering van de Raad van State bracht in 2023 advies uit. De zwaartepunten in dat advies lagen op de meerwaarde van het wetsvoorstel, de grondrechtenafweging, het totaalverbod op het aanbieden en de handhaving. De initiatiefnemers merken in dit verband op dat de Afdeling niet heeft geoordeeld dat de aan haar voorgestelde strafbepaling, die nadien bij nota van wijziging nog op onderdelen nader is afgebakend, onvoldoende duidelijk was voor toepassing in de praktijk, zoals enkele fracties in de Tweede Kamer wel meenden te lezen.2
De Afdeling bracht wel naar voren dat de betekenis van het voorstel in verhouding tot andere strafbepalingen onvoldoende duidelijk was. Dat onderdeel van het advies ziet op de vraag of bestaande strafbepalingen al niet voldoende zijn om de praktijken waar de initiatiefnemers zich op richten te vervolgen. De Raad van State heeft verzocht daarop nader in te gaan, met voorbeelden, en als dat niet kan, het voorstel in te trekken. De initiatiefnemers hebben hierop de toelichting aangevuld. Daarbij is benadrukt dat de variant van conversiehandelingen die het meest voorkomend lijkt te zijn in de regel niet al strafbaar is. Het gaat dan om intensieve gesprekken met een structureel karakter die ook qua setting lijken op therapiegesprekken, maar waarin de deelnemer in feite wordt geïndoctrineerd en waarbij vaak technieken worden toegepast die ook bij legitieme behandelsessies worden toegepast. Ook kunnen stelselmatig begane duivelsuitdrijvingen hierbij worden genoemd. Verder is de grondrechtenafweging uitgebreid naar aanleiding van het advies en daarbij is ook het totaalverbod op het aanbieden van conversiehandelingen uit het wetsvoorstel gehaald. Ten aanzien van de handhaving hebben de initiatiefnemers eveneens de toelichting aangevuld. Daarbij erkennen zij echter wel dat handhaving, door de aard van conversiehandelingen, niet eenvoudig is.
De wetenschapstoets bevatte vijftien aanbevelingen. Op elk van deze aanbevelingen is gereageerd door de initiatiefnemers in de nota naar aanleiding van het verslag in de Tweede Kamer, voorafgaand aan de beantwoording van alle schriftelijke vragen die zijn gesteld in de Tweede Kamer. De initiatiefnemers verwijzen voor een uitgebreide reactie op alle aanbevelingen van de wetenschapstoets dan ook naar de eerste tien pagina’s van de nota naar aanleiding van het verslag.3
Aangezien de initiatiefnemers niet alleen willen volstaan willen met een verwijzing naar de reactie op alle aanbevelingen van de wetenschapstoets in de nota naar aanleiding van het verslag, hechten zij eraan ook het volgende op te merken. De initiatiefnemers waarderen de wetenschapstoets als instrument. De inhoud van de wetenschapstoets is een combinatie van beschikbare kennis en aandachtspunten bij het wetsvoorstel. De wetenschappers die de toets hebben gemaakt, maken uiteindelijk niet een eigen eindafweging bij het wetsvoorstel. Dat is ook logisch, want het eindoordeel over het wetsvoorstel is aan de leden van de Eerste Kamer. Het is mogelijk dat de wetenschappers in hun eigen eindafweging op sommige onderdelen tot een ander oordeel komen over het wetsvoorstel, omdat zij verschillende aspecten die in de wetenschapstoets aan de orde komen en waar zij gezamenlijk achter staan, toch anders wegen. Kort samengevat hebben de initiatiefnemers zorgvuldig gekeken waar aanbevelingen uit de wetenschapstoets konden worden overgenomen. Dat hebben de initiatiefnemers gedaan bij aanbeveling 3, 4 en 6 van de wetenschapstoets, onder andere door te verduidelijken, ook via de nota van wijziging, hoe strafbare conversiehandelingen nader kunnen worden afgebakend. Ook aanbeveling 7 van de wetenschapstoets is overgenomen via een nota van wijziging door het vereiste van oogmerk te verduidelijken.
De leden van de D66-fractie, de SGP-fractie en de ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen gesteld over de grondrechten en het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel. Zij vragen onder andere hoe de initiatiefnemers het wetsvoorstel hebben vormgegeven in relatie tot artikel 6 van de Grondwet en artikel 9 van het EVRM, en op welke wijze in de voorgestelde strafbepaling een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen strafbare conversiehandelingen enerzijds en religieuze of pastorale begeleiding die gericht is op levensbeschouwelijke reflectie anderzijds. In dit verband vragen de leden van de fractie van D66 bovendien hoe het wetsvoorstel zich verhoudt tot artikel 23 van de Grondwet, dat de vrijheid van richting en inrichting van het onderwijs beschermt, en hoe wordt gewaarborgd dat religieuze scholen in hun onderwijs over seksualiteit en genderidentiteit niet onbedoeld de leerlingen in een keurslijf dwingen en onder de reikwijdte van de strafbaarstelling vallen, terwijl leerlingen tegelijkertijd beschermd blijven tegen schadelijke beïnvloeding.
De initiatiefnemers danken de leden van de D66-fractie en de leden van de ChristenUnie fractie voor hun vragen over de verhouding van het wetsvoorstel tot de grondrechten, in het bijzonder de vrijheid van godsdienst en levensovertuiging en de vrijheid van onderwijs. In het bijzonder vragen de leden van de fractie van de ChristenUnie de initiatiefnemers concreet aan te geven op welke wijze wordt voorkomen dat bijvoorbeeld voorgangers en ambtsdragers binnen religieuze gemeenschappen beperkt worden in hun grondwettelijke en Europeesrechtelijke vrijheid van godsdienst en levensovertuiging doordat gesprekken, ontmoetingen en gebeden zouden kunnen worden beschouwd als vallend onder deze delictsomschrijving.
Het wetsvoorstel is vormgegeven in overeenstemming met artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM. Beide bepalingen staan beperkingen toe wanneer deze wettelijk zijn voorzien en noodzakelijk zijn ter bescherming van de gezondheid en de rechten van anderen. Het recht op godsdienstvrijheid en daarvan afgeleid het recht om een religieuze identiteit te beleven zijn niet absoluut, en net zoals het recht op godsdienstvrijheid geen vrijbrief is voor het plegen van mishandeling, is het ook geen vrijbrief om stelselmatig of anderszins indringende schadelijke conversiehandelingen uit te voeren die erop zijn gericht iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken.
De strafbaarstelling is beperkt tot het stelselmatig of anderszins op indringende wijze verrichten van handelingen met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken. Religieuze uitingen en pastorale begeleiding die gericht zijn op levensbeschouwelijke reflectie vallen daarmee buiten de reikwijdte. Dit wordt geëxpliciteerd in het tweede lid van artikel 285ba Sr, waarin tot uiting wordt gebracht dat handelingen die worden verricht met het oogmerk om op roepen tot terughoudendheid of reflectie rond sociale of medische transitie niet als conversiehandeling worden aangemerkt.
Ten aanzien van artikel 23 Grondwet benadrukken de initiatiefnemers dat scholen volledige vrijheid behouden om vanuit hun eigen richting onderwijs te geven. Het wetsvoorstel richt zich enkel op indringende of stelselmatige handelingen met het specifieke oogmerk van verandering of onderdrukking; regulier onderwijs waarin opvattingen over seksualiteit en identiteit aan de orde komen, valt hier niet onder. Daarmee worden zowel de onderwijsvrijheid als de bescherming van leerlingen gewaarborgd.
De leden van de SGP-fractie vragen tevens of een verbod niet al te zeer ingrijpt op het recht op zelfbeschikking van personen die wel in een religieuze context hulp zoeken, en verwijzen hierbij naar artikel 8 EVRM. De initiatiefnemers hebben in eerdere vragen hierover beantwoord dat meerderjarigen die actief op zoek willen gaan naar conversiehandelingen daartoe de mogelijkheid behouden. Zij zien in dit voorstel daarom geen onevenredige beperking van artikel 8 EVRM.
Vragen over de reikwijdte van het voorstel en definities van in de wet gebruikte begrippen
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de initiatiefnemers en de regering aankijken tegen de punten die zijn genoemd in de verworpen motie van de leden Diederik van Dijk en Bikker. De leden van de BBB-fractie hebben eveneens de vraag gesteld welke in de motie geuite zorgen kunnen worden weggenomen.
De initiatiefnemers hebben de zorgen geadresseerd in de tweede termijn bij de plenaire beantwoording. Voor een inhoudelijke beantwoording, zoals voornoemde leden wensen is het goed de letterlijke tekst van de motie te citeren:
«constaterende dat de Raad van State in zijn advisering met betrekking tot onderhavig wetsvoorstel (Wet strafbaarstelling conversiehandelingen) serieuze kritiek heeft geuit over onder meer de reikwijdte van het wetsvoorstel en de drempel voor strafbaarheid overwegende dat de initiatiefnemers middels een substantiële nota van wijziging (36 178, nr. 11) hebben getracht aan deze kritiek tegemoet te komen, maar de vraag rijst of dit afdoende en toereikend is;
verzoekt de initiatiefnemers om de betreffende nota van wijziging, alvorens te stemmen over het wetsvoorstel, voor te leggen aan de Raad van State met de vraag hierover te adviseren, met name ten aanzien van de reikwijdte van het wetsvoorstel en de noodzakelijke duidelijkheid over welk type handelingen onder het verbod vallen».
Zoals eerder in deze nota naar voren gebracht is de reikwijdte van het wetsvoorstel als zodanig geen onderwerp van kritiek geweest in het advies van de Afdeling.4 Zodoende is deze premisse waar de motie Van Dijk-Bikker op steunt niet juist.
In dat verband merken de initiatiefnemers ook op dat zij bij de behandeling in de Tweede Kamer hebben aangegeven dat er geen sprake is van een dusdanig ingrijpende nota van wijziging dat aanvullende voorlichting door de Afdeling aangewezen is. Ingevolge de aanwijzing voor de regelgeving5 wordt alleen bij een ingrijpende nota van wijziging de Raad van State opnieuw geconsulteerd.
In dat kader steunen zij ook de constatering van een van de indieners van de eerder genoemde motie die bij de plenaire behandeling van het wetsvoorstel naar voren is gebracht richting de woordvoerder van de fractie van het CDA, dat in de kern onderdelen van de memorie van toelichting in de wettekst zijn opgenomen en het daarom niet om een substantiële inhoudelijke bijstelling gaat. De initiatiefnemers hebben benadrukt dat de tweede nota van wijziging een precisering doorvoert, waarbij inderdaad is geput uit de memorie van toelichting, zodat de wettekst helderder en beter hanteerbaar is in de rechtspraktijk. Het is ongebruikelijk om na een wijziging van een aanhangig wetsvoorstel opnieuw de Raad van State om advies te vragen naar aanleiding van een wijziging. De aanwijzingen voor de regelgeving schrijven ook voor dat dit enkel gebeurt bij een ingrijpende wijziging (art. 7.15, tweede lid). Er is naar oordeel van de initiatiefnemers geen aanleiding om daarvan te spreken. De Minister heeft daartoe ook geen aanleiding gezien in zijn hoedanigheid als adviseur van de Kamer.
De leden van de fracties van de ChristenUnie, de BBB en de SGP vragen om een duidelijke juridische definitie van het begrip conversiehandelingen. De leden van de SGP-fractie vragen daarbij of de initiatiefnemers een lijst kunnen geven van alle handelingen die onder deze definitie vallen. Graag gaan zij in op deze vraag.
De initiatiefnemers merken allereerst op dat zij bewust hebben gekozen voor een algemene, maar duidelijk afgebakende formulering van het strafbaar gestelde gedrag. Conversiehandelingen kennen in de praktijk een grote variëteit aan verschijningsvormen. Het gaat om uiteenlopende gedragingen, van pseudo-therapeutische sessies en langdurige gesprekstrajecten tot gebedssessies of rituelen, die alle hetzelfde doel kunnen hebben: het door het uitoefenen van intensieve pressie veranderen of onderdrukken van iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Juist vanwege die diversiteit aan verschijningsvormen achten de initiatiefnemers het niet mogelijk en wenselijk om een limitatieve opsomming van specifieke handelingen in de wet op te nemen. Daarmee zouden immers praktijken die dezelfde strekking en impact hebben, maar niet exact in een wettelijke lijst voorkomen, buiten het bereik van de strafbaarstelling kunnen vallen.
Voorts vragen de leden of het mogelijk is om in de wettekst nauwkeuriger te bepalen welke gedragingen strafbaar zijn door een koppeling te leggen met (psychische of lichamelijke) schade. De initiatiefnemers nemen deze suggestie niet over. Handelingen die leiden tot lichamelijke of psychische schade kunnen veelal reeds vallen onder bestaande bepalingen inzake mishandeling. Daarnaast zou het vereisen van aantoonbare schade de bewijslast aanzienlijk verzwaren en maakt het niet mogelijk om in te grijpen vóórdat schade zich voordoet. Dit is onwenselijk gezien de kwetsbaarheid van de betrokken personen. Daarom is er bewust voor gekozen om het intreden van schade niet in de delictsomschrijving op te nemen.
De initiatiefnemers benadrukken dat de strafbaarstelling niet ziet op elke vorm van gesprek of begeleiding, maar uitsluitend op het stelselmatig of anderszins op indringende wijze verrichten van handelingen met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van iemand te veranderen of te onderdrukken. Daarmee is tot uitdrukking gebracht dat in de eerste plaats alleen vormen van indringende beïnvloeding onder de reikwijdte van de strafbaarstelling vallen en in de tweede plaats dat die indringende beïnvloeding steeds met het genoemde specifieke oogmerk moet plaatsvinden. Dat oogmerkbestanddeel zorgt ervoor dat neutrale of ondersteunende gesprekken, evenals pastorale begeleiding die niet is gericht op verandering of onderdrukking, buiten het bereik van artikel 285ba Sr vallen.
Verder is van belang dat de delictsomschrijving daarnaast andere inperkingen bevat. Zo moet het handelen in beroeps- of organisatieverband plaatsvinden, terwijl bij meerderjarigen aanvullend is vereist dat sprake is van misbruik van overwicht. Bovendien is – zo zij herhaald – in artikel 285ba, tweede lid, bepaald dat handelingen die worden verricht met het oogmerk om op te roepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie ten aanzien van sociale of medische transitie niet onder het bereik van de strafbepaling vallen. Op grond van het zevende lid geldt ook voor zorgverleners dat handelingen die plaatsvinden in overeenstemming met de geldende professionele standaard nimmer strafbaar zijn.
Tot slot merken de initiatiefnemers op dat het Openbaar Ministerie in de consultatie heeft aangegeven voldoende aanknopingspunten te zien voor handhaving en vervolging op basis van de voorgestelde delictsomschrijving. De initiatiefnemers achten de delictsomschrijving daarmee voldoende bepaald in de zin van het legaliteitsbeginsel, terwijl tegelijk de noodzakelijke ruimte bestaat om recht te doen aan de uiteenlopende vormen waarin conversiehandelingen zich in de praktijk kunnen voordoen.
De leden van de BBB-fractie vragen of onder conversiehandelingen ook pastorale, hulpverlenende en ouderlijke gesprekken over identiteit vallen en hoe vaak deze gesprekken plaats moeten vinden. Zij vragen daarbij ook in te gaan op «stelselmatig» en «op indringende wijze». Ook de leden van de SGP-fractie vragen deze begrippen nader te duiden.
Conversiehandelingen zijn fysieke dan wel psychische inwerkingen, al dan niet gesprekken, die erop gericht zijn om de seksuele gerichtheid van de deelnemer te veranderen of te onderdrukken. De intentie staat daarbij centraal. Daarbij moeten de handelingen van voldoende gewicht moeten zijn. In de wettekst is daarom al opgenomen dat de handelingen «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» plaatsvinden. Per casus gaat het om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen. Daar is bewust voor gekozen en hebben de initiatiefnemers naar aanleiding van eerdere vragen hierover in de Tweede Kamer nader ingevuld door de eerdergenoemde nota van wijziging, zodat duidelijk is dat de strafbaarstelling zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben.
Dat een gesprek pastoraal van aard is maakt niet uit voor de beoordeling van strafbaarheid. De initiatiefnemers benadrukken hierbij dat zij op dit moment niet bekend zijn met signalen van pastorale gesprekken waarbij overduidelijk sprake is van het willen veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Echter kan ook niet op voorhand worden gesteld dat alle pastorale gesprekken bij voorbaat nooit onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen. Beslissend is de vraag of is voldaan aan de bestanddelen van de delictsomschrijving. De initiatiefnemers maken van deze gelegenheid gebruik om nogmaals te onderstrepen dat gesprekken tussen ouders en kinderen geen onderwerp kunnen worden van een strafrechtelijk onderzoek. Voor strafbaarheid is immers vereist dat de handelingen worden uitgevoerd in uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie. De privésfeer valt zodoende in die zin buiten het wetsvoorstel.
Wat betreft het bestanddeel «stelselmatig» kan aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie omtrent belaging (art. 285b Sr). Bij «indringend» gaat het om het gewicht van de psychische inwerking en hoe invasief deze is. De initiatiefnemers hebben eerder in dit verband aansluiting gezocht bij «indoctrinatie», waarbij wordt aangetekend dat deze laatste term geen zelfstandig delictsbestanddeel is dat moet worden bewezen. Met «indoctrinatie» doelen de initiatiefnemers op inprenting van bepaalde opvattingen die niet bevraagd dienen te worden en zodoende dienen te worden aanvaard dan wel geïnternaliseerd. De vaststelling dat in een reeks van indringende gespreksessie sprake is van indoctrineren, kan bijvoorbeeld een rol spelen bij de beoordeling of de desbetreffende indringende psychische beïnvloeding is verricht met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van de geadresseerde persoon te veranderen of te onderdrukken.
Voorts vragen de leden van de BBB-fractie om een juridische definitie van «genderidentiteit». Ook de leden van de SGP-fractie hebben daar aan een aantal vragen over gesteld.
De initiatiefnemers sluiten aan bij hoe deze term wordt verstaan in het geldende recht. Verwezen wordt in dat verband naar artikel 1, tweede lid, van de Algemene wet gelijke behandeling. Daarbij valt «genderidentiteit» ook in het Wetboek van Strafrecht al onder de grond «geslacht», zoals ook is bevestigd bij de plenaire behandeling van het initiatiefvoorstel-Timmermans en Bikker (35 709) dat heeft geleid tot de Wet van 15 april 2025 waarmee het discriminatoir aspect als strafverzwaringsgrond is ingevoerd (Stb. 2025, 74).
De initiatiefnemers wijzen erop dat zowel uit het onderzoek van Bureau Beke en Ateno als uit internationale literatuur blijkt dat conversiehandelingen zich niet alleen richten op seksuele gerichtheid, maar in toenemende mate ook op genderidentiteit.
Daarnaast past het opnemen van genderidentiteit binnen de ontwikkeling van het Nederlandse en internationale recht. Genderidentiteit is reeds erkend als beschermde grond in onder meer de Algemene wet gelijke behandeling en wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschouwd als een van de meest intieme aspecten van het privéleven.
De initiatiefnemers achten het daarom noodzakelijk om ook handelingen die erop gericht zijn iemands genderidentiteit te onderdrukken of te veranderen expliciet te verbieden, zodat dezelfde bescherming wordt geboden aan trans- en genderdiverse personen als aan LHB-personen. Daarmee wordt voorkomen dat een belangrijk deel van de praktijk buiten de strafbaarstelling zou vallen.
Verder merken de initiatiefnemers op dat het wetsvoorstel geen normatieve of wetenschappelijke keuze maakt tussen de verschillende verklaringsmodellen voor het ontstaan van genderidentiteit. Een dergelijke keuze is bovendien niet noodzakelijk voor de reikwijdte of werking van de strafbaarstelling.
De leden van de fractie BBB hebben gevraagd waarom het begrip «schade» niet terugkomt in de strafbepaling. Tevens vragen zij naar de vaststelling daarvan en de gevolgen van de vaststelling. Ook de leden van de SGP-fractie hebben een aantal vragen gesteld over het begrip schade, of conversiehandelingen altijd leiden tot schade en of er ook positieve gevolgen aan conversiehandelingen verbonden kunnen zijn.
De initiatiefnemers hebben de wettekst geïnspireerd op het verbod zoals dat is geformuleerd in Duitsland. Daar staat bewust niet het gevolg centraal, maar de intentie van de handelingen die worden uitgevoerd. Het voordeel hiervan is dat schade niet hoeft te worden vastgesteld en ook het oorzakelijke verband tussen de schade en de handelingen niet hoeft te worden bewezen. Hiermee worden conversiepraktijken aan de voorkant verboden en wordt een duidelijke norm gesteld die aansluit bij huidige maatschappelijke opvattingen. Zou het intreden van schade in de delictsomschrijving worden opgenomen dan zou dat tot gevolg hebben dat conversiehandelingen op grond van zo’n strafbepaling alleen kunnen worden bestraft als in het concrete geval is bewezen dat als gevolg van die handelingen bij het slachtoffer heeft geleden. Dat legt een hogere bewijslast op dan nodig en wenselijk. De morele verwerpelijkheid van conversiehandelingen – en de aanleiding om deze onder het bereik van een specifieke strafbepaling te brengen – zit hem immers al in het stelselmatig of anderszins op indringende wijze handelingen verrichten met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken.
Het kan zo zijn dat er geen schade optreedt bij conversiehandelingen, ook wanneer de conversiehandelingen niet «effectief» zijn. De initiatiefnemers zijn niet bekend met voorbeelden waar conversiehandelingen een positief (bij)effect hebben gehad. Zij zien hier ook geen noodzaak toe in het kader van het voorliggende voorstel.
De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP stellen vragen over het bestandsdeel «uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht». Zij vragen om een hele concrete toelichting, bij voorkeur aan de hand van enkele voorbeelden.
Met het voorgestelde derde lid is inderdaad aangesloten bij het bestaande begrip «misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht», zoals onder meer voorkomt in artikel 273f Sr (mensenhandel). Daarmee wordt gebruikgemaakt van een al vertrouwd strafrechtelijk criterium.
Het begrip ziet op situaties waarin tussen de dader en het slachtoffer een machtsongelijkheid bestaat die ertoe leidt dat het slachtoffer feitelijk geen vrije keuze meer heeft, ook als er geen sprake is van dwang of bedreiging. De initiatiefnemers lichten dit graag toe aan de hand van concrete voorbeelden:
1. Een jongvolwassene in een gesloten religieuze gemeenschap, die afhankelijk is van de gemeenschap voor wonen, sociale contacten en bestaanszekerheid, wordt door een geestelijk leider herhaaldelijk onder druk gezet om indringende gesprekken of rituelen te ondergaan met het oog op het «wegwerken» van LHBTI+-gevoelens. De afhankelijkheidsrelatie maakt dat redelijkerwijs niet mag worden verwacht dat de jongvolwassene daartegen weerstand kan bieden, en daarmee sprake is van de hiervoor bedoelde beperking van keuzevrijheid.
2. Een meerderjarige student die binnen een internaat of leefgemeenschap afhankelijk is van een mentor voor toelating, aanbevelingen of voortgezet verblijf, wordt langdurig begeleid met het oogmerk diens seksuele gerichtheid te veranderen. De mentor heeft feitelijke zeggenschap en invloed over het dagelijks leven van de student.
3. Een volwassen cliënt in een zorginstelling die afhankelijk is van een begeleider voor dagelijkse ondersteuning, wordt stelselmatig op indringende wijze aangespoord om de genderidentiteit te veranderen tijdens gesprekken tussen de client en de begeleider.
In al deze situaties is sprake van feitelijk overwicht dat misbruikt wordt voor het beoogde veranderingsdoel. De initiatiefnemers achten de afbakening hiermee voldoende concreet.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen, met verwijzing naar het advies van de Raad van State, waar precies de scheidslijn ligt tussen «onderdrukking» en «afkeuring» en op welk moment handelingen die gericht zijn op hulp en steun overgaan in «gedragingen gericht op onderdrukking». Met «onderdrukken» wordt bedoeld het onderdrukken van de gevoelens die uit de seksuele gerichtheid of genderidentiteit voortkomen. Hieronder kan onder andere vallen het initiëren van pseudo-psychotherapeutische sessies die beogen die gevoelens te verminderen of het toedienen van libidoremmende medicatie. Het «veranderen of onderdrukken» genoemd in artikel 285ba eerste lid is dus verdergaand dan het enkel afkeuren van seksuele gerichtheid of genderidentiteit.
Na het amendement van Six Dijkstra is tevens in het tweede lid van artikel 285ba Sr opgenomen dat onder het oogmerk om seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken niet is begrepen het oogmerk om op te roepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie ten aanzien van een sociale of medische transitie in relatie tot de genderidentiteit van een persoon. Afkeuren valt nadrukkelijk niet onder de reikwijdte van deze strafbepaling, aangezien men iets kan afkeuren zonder dit ook te willen veranderen of onderdrukken.
Vragen over het pastorale gesprek
De leden van de BBB-fractie vragen of pastorale gesprekken ook onder de strafbaarstelling vallen. Ook de leden van de SGP-fractie vragen naar pastorale gesprekken en of er een risico bestaat dat het onderwerp van seksuele gerichtheid of genderidentiteit een taboe wordt in deze gesprekken.
Gesprekken over seksuele gerichtheid, ook als iemands seksuele identiteit daarin wordt afgekeurd, blijven mogelijk. Het pastorale gesprek zoals dat normaal gesproken plaatsvindt, valt niet onder de strafbaarstelling, ook niet als het over seksualiteit gaat. Het gaat pas om strafbare conversiehandelingen als er stelselmatig of anderszins op indringende wijze wordt geprobeerd om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang. De initiatiefnemers hebben ervoor gekozen naar aanleiding van vergelijkbare vragen hierover in de Tweede Kamer bij nota van wijziging dit onderdeel te verduidelijken.6
Ook gesprekken tussen ouder en kind vallen buiten de strafbaarstelling. Het uitvoeren van conversiehandelingen is alleen strafbaar als die handelingen worden verricht vanuit een ambt, bedrijf of beroep, dan wel vanuit een organisatie – zo staat ook omschreven in artikel 285ba. De achterliggende gedachte is dat de gezinssfeer, inclusief de opvoedingsrelatie tussen ouders en kind, in beginsel buiten het bereik kan strafbaarstelling behoort te vallen. Ouderlijke gesprekken over identiteit vallen daardoor ook niet onder het conversieverbod.
De leden van de SGP-fractie stellen ook nog de vraag waarom geen expliciete uitzondering voor pastorale zorg is opgenomen. Pastorale gesprekken vallen niet onder de strafbaarstelling, zolang zij niet stelselmatig of indringend zijn gericht op het veranderen of onderdrukken van de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van minderjarigen of kwetsbare volwassenen. Die zorg blijft uitdrukkelijk mogelijk. Echter, ook in een pastorale context kan niet op voorhand worden uitgesloten dat handelingen kunnen plaatsvinden die nooit onder de strafbaarstelling zouden kunnen vallen. Het is telkens wel vereist dat de handelingen stelselmatig of indringend zijn en gericht op het veranderen of onderdrukken van seksuele gerichtheid of genderidentiteit. Het zou juridisch onjuist zijn om dergelijke situaties bij voorbaat uit te sluiten. De reden dat er wél een medische exceptie bestaat (artikel 285ba, zevende lid), is dat BIG-geregistreerde zorgverleners handelen binnen een wettelijk verankerde professionele standaard.
Vragen over de medische exceptie en professionele hulpverlening
De leden van de D66-fractie hebben een aantal vragen gesteld over de consequenties van het niet naleven van deze wet door professionals, en voor hun aandacht voor het borgen dat reguliere psychologische begeleiding niet onder de strafbaarstelling valt. Ook de leden van de BBB-fractie hebben vragen gesteld over de beroepsvrijheid van psychologen en het risico op zelfcensuur. Graag gaan de initiatiefnemers hier nader op in.
Allereerst merken de initiatiefnemers op dat het wetsvoorstel alleen voorziet in strafbaarheid wanneer een arts of andere zorgverlener handelingen zou verrichten die onder de delictsomschrijving vallen (eerste en derde lid) en diegene daarnaast – kort gezegd – de voor hem of haar geldende professionele zorgvuldigheidseisen schendt (zevende lid). Daarnaast kan, indien het strafbare feit in de uitoefening van het beroep is gepleegd, de rechter op grond van het zesde lid van artikel 285ba Sr een beroepsverbod opleggen. Dit is een zwaarwegende sanctie die in het wetboek is opgenomen om misbruik binnen professionele verhoudingen te voorkomen.
De initiatiefnemers wijzen erop dat ook los van deze strafrechtelijke bepalingen professionals onderworpen blijven aan de reguliere tuchtrechtelijke kaders. Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag is toegelicht, vallen zorgverleners die onder de Wet BIG opereren onder de zorgplicht van artikel 7:453 BW, die vereist dat zij handelen conform de professionele standaard. Wanneer een zorgverlener hier vanaf wijkt door handelingen te verrichten die gericht zijn op het veranderen of onderdrukken van iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit, kan dit niet alleen strafrechtelijke consequenties hebben, maar kan dit eveneens leiden tot tuchtrechtelijke maatregelen. De initiatiefnemers achten het toepasselijke tuchtrecht dan ook een passende en aanvullende route naast de strafrechtelijke handhaving.
De leden van de D66-fractie vragen voorts hoe wordt gewaarborgd dat reguliere psychologische begeleiding niet onder de strafbaarstelling valt. De initiatiefnemers benadrukken dat dit expliciet is geborgd in zowel de wettekst als de toelichting. In aanvulling op het voorgaande wordt opgemerkt dat artikel 285ba, tweede lid, bepaalt dat het oogmerk om op te roepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie ten aanzien van sociale of medische transitie niet wordt beschouwd als een conversiehandeling. Hiermee wordt ondubbelzinnig vastgelegd dat professionele begeleiding die gericht is op zelfacceptatie, het verkennen van gevoelens of het onderzoeken van genderidentiteit, niet strafbaar is.
Daarnaast volgt uit de medische exceptie – zoals hiervoor aangegeven – dat artsen en andere zorgverleners die handelen in overeenstemming met de geldende professionele standaard, nimmer strafbaar zijn op grond van dit artikel. In de memorie en de nota is dit uitgebreid toegelicht, waarbij wordt benadrukt dat de generieke zorgplicht van artikel 7:453 BW richtinggevend is voor de vraag of het handelen van een hulpverlener professioneel verantwoord is.
De initiatiefnemers onderstrepen dat het wetsvoorstel uitsluitend ziet op handelingen met het specifieke oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een persoon te veranderen of te onderdrukken. Reguliere psychologische begeleiding, die juist beoogt ruimte te bieden voor zelfacceptatie, exploratie en welbevinden, deelt dat oogmerk niet en valt daarom niet binnen de reikwijdte van de strafbaarstelling. De initiatiefnemers achten de wettelijke afbakening hiermee voldoende duidelijk en vertrouwen erop dat zowel professionals als handhavers op basis hiervan het onderscheid goed kunnen maken.
De leden van de SGP-fractie stellen tot slot een aantal vragen over de relatie van het voorliggende voorstel tot de psychologische of medische zorg voor genderdysforie en de medische exceptie. Deze leden stellen ook een aantal vragen over het transgenderprotocol de effecten van affirmerende fysiologische behandelingen. Aangezien dit wetsvoorstel niet ziet op dergelijke behandelingen zijn de initiatiefnemers terughoudend met het beantwoorden van gedetailleerde vragen over dit onderwerp.
De initiatiefnemers benadrukken dat het wetsvoorstel geen enkele beperking oplegt aan reguliere psychologische of medische zorg voor genderdysforie. Het verbod richt zich uitsluitend op handelingen die het oogmerk hebben om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Psychologische begeleiding die onderzoekt of genderdysforie aanwezig is, hoe deze wordt ervaren, en welke behandelstappen passend zijn, valt daar niet onder.
Het amendement Six-Dijkstra verduidelijkt dit verder door expliciet vast te leggen dat het oproepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie rond sociale of medische transitie níet als conversiehandeling wordt aangemerkt. Daarmee blijft het volledig toegestaan dat hulpverleners – bijvoorbeeld omdat zij vermoeden dat gevoelens van genderdysforie van voorbijgaande aard zijn – adviseren om geen transitiestappen te zetten of eerst psychologische ondersteuning te bieden.
De termen «pseudo», «psychotherapie» en «pseudo-psychotherapie» worden niet juridisch gedefinieerd, omdat zij geen rol spelen in de delictsomschrijving. Wat strafbaar is, is niet een bepaalde vorm van therapie, maar uitsluitend het op voor het slachtoffer indringende wijze nastreven van een specifiek veranderings- of onderdrukkingsdoel. Reguliere psychotherapie vervalt alleen in verboden pseudo-psychotherapie wanneer deze dat oogmerk krijgt.
Psychologische behandelingen voor genderdysforie blijven volledig mogelijk. Ook wetenschappelijke discussie, professionele twijfel of kritiek op medische protocollen vallen onder de vrijheid van meningsuiting en de wetenschappelijke vrijheid en worden door het wetsvoorstel niet beperkt. Het verbod ziet op gedragingen, niet op ideeën, opvattingen of onderzoek.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de BBB
De leden van de fractie van de BBB vragen, onder verwijzing naar de considerans, of de initiatiefnemers «openlijk» en «openbaar» aanbieden strafbaar wensen te stellen. De initiatiefnemers complimenteren de leden van de fractie van BBB voor deze scherpe vraag. De initiatiefnemers beogen het «openlijk» aanbieden van conversiehandelingen strafbaar te stellen. De wettekst is daarbij leidend, omdat de considerans bij aanname van het wetsvoorstel geen onderdeel zal worden van het Wetboek van Strafrecht. De initiatiefnemers hebben niet bewust gekozen voor een andere invulling toen zij de considerans van het wetsvoorstel opstelden zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Raad van State.
De leden van de BBB-fractie menen dat het voorstel veel open normen bevat en daarom leidt tot rechtsonzekerheid. Zij vragen daarom waarom de initiatiefnemers en de regering menen dat zij met dit wetsvoorstel voldoen aan de rechtsstatelijke beginselen van rechtszekerheid en legaliteit, zoals beschreven in artikel 1 Sr en artikel 7 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De initiatiefnemers menen met de regering, het Openbaar Ministerie, de Rechtspraak en diverse beroepsorganisaties dat voorzienbaar is welke gedragingen onder het bereik van de strafbepaling vallen en daarmee in de praktijk niet zal leiden tot rechtsonzekerheid. In het licht van een aantal kritische vragen die zijn gesteld hierover tijdens de eerste termijn van de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer hebben de initiatiefnemers een nota van wijziging ingediend en zijn ook diverse amendementen aangenomen die eraan bijdragen dat het wetsvoorstel nog nader is afgebakend.
De leden van de BBB-fractie vragen de initiatiefnemers en de regering waar de grens tussen «conversiehandelingen» en besnijdenis, genitale verminking en het wegnemen van enkele lichaamsdelen ligt. De initiatiefnemers stellen voorop dat er in deze vraag een aantal zaken door elkaar lijken te lopen. Genitale verminking is in Nederland al strafbaar als een vorm van mishandeling. Dat heeft geen raakvlakken met het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel ziet ook niet op fysieke geslachtsverandering of transgenderzorg. Samenvattend zijn conversiehandelingen indringende fysieke of psychische inwerkingen, al dan niet gesprekken, die erop gericht zijn om de seksuele gerichtheid van de deelnemer te veranderen of te onderdrukken. De intentie staat daarbij centraal, niet of is bewezen dat die handelingen (psychische) schade hebben veroorzaakt. Daarbij moeten de handelingen dus van voldoende gewicht moeten zijn. In de wettekst is daarom al opgenomen dat de handelingen «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» plaatsvinden. Per casus gaat het om de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen.
De leden van de BBB-fractie vragen in hoeverre dit voorstel de vrijheid van meningsuiting beperkt. Het zou volgens hen kunnen leiden tot «chilling effects» op ouders, hulpverleners en betrokkenen bij maatschappelijke organisaties. Zullen zij hun opvattingen nog volledig kunnen en/of mogen uiten als de wet de intentie tot beïnvloeding criminaliseert, vragen zij tevens.
Het wetsvoorstel is gericht op het tegengaan van conversiehandelingen. Dit zijn handelingen of therapieën die erop gericht zijn iemands seksuele geaardheid of genderidentiteit onder dwang, verandering of suppressie te laten ondergaan. Gesprekken over seksuele gerichtheid, ook als iemands seksuele identiteit daarin wordt afgekeurd, blijven mogelijk. Zoals verder uitgewerkt vallen gedragingen in de privésfeer ook buiten het bereik van de strafbepaling. Bijvoorbeeld indringende, op conversie gerichte gesprekken tussen ouders en kinderen kunnen op grond van de beoogde strafbepaling dus niet tot vervolging van de ouders leiden.
In de strafbepaling is opgenomen dat het moet gaan om beroepsmatig handelen of handelen in organisatieverband. Daarnaast gaat het pas om strafbare conversiehandelingen als er stelselmatig of anderszins op indringende wijze wordt geprobeerd om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang. Dit staat ook in de memorie van toelichting en in de nota van wijziging zo beschreven. Gesprekken zijn minder indringend dan bijvoorbeeld shocktherapie of gebedsgenezing. De praktijk laat zien dat de meest voorkomende vorm bestaat uit stelselmatige en zeer indringende gesprekken die tot doel hebben iemands gerichtheid te veranderen of te onderdrukken. Enkel het geven van advies of het laten blijken van afkeuring is niet voldoende voor strafbaarheid. Voor strafbaarheid moet je denken aan indoctrinatie, zoals de Raad voor de rechtspraak het noemde in zijn consultatiereactie. Daarbij wordt er druk uitgeoefend op de gesprekspartner om gedragsnormen in te prenten. Dit gebeurt over een lange tijd en stelselmatig of op indringende wijze. Door in toe te voegen aan de wettekst dat de handelingen stelselmatig of anderszins op een indringende wijze worden verricht, willen we aan de voorkant meer duidelijkheid bieden over wat er wel of niet onder de strafbaarstelling valt. Ook het Openbaar Ministerie heeft gezegd dat de bepaling concreet genoeg is geformuleerd om in de praktijk te kunnen handhaven, opsporen en vervolgen.
De leden van de BBB-fractie vragen in hoeverre het wetsvoorstel de godsdienstvrijheid beperkt. Het lijkt erop dat religieuze begeleiding, gebed of pastorale gesprekken onder de strafbepaling kunnen vallen, stellen zij. Welke waarborgen beidt het wetsvoorstel dat legitieme religieuze uitingen buiten het bereik van het strafrecht blijven, vragen deze leden.
De initiatiefnemers danken de leden van de fractie van BBB voor deze vraag, die de kans biedt om te verduidelijken dat het wetsvoorstel niet tot doel heeft de geloofsvrijheid van mensen in te perken. Religieuze gesprekken, gebed en begeleiding kunnen voor velen een waardevolle wijze zijn van hun geloofsbeleving en het wetsvoorstel beoogt op generlei wijze hieraan afbreuk te doen. Wel merken de initiatiefnemers op dat grondrechten zoals het recht op geloofs- en godsdienstvrijheid geen vrijbrief mag zijn om anderen te mishandelen of emotionele of psychische of fysieke schade toe te brengen. Daarbij komt dat voor zover het wetsvoorstel invloed heeft op (religieuze) gesloten gemeenschappen, in het kader van het EVRM toelaatbaar worden geacht wanneer de inbreuk bij wet is voorzien en noodzakelijk in het belang gerechtvaardigd doel. In concrete gevallen zal de rechter telkens beoordelen of een veroordeling en bestraffing verenigbaar is met het grondwettelijke kader dat geldt waarbinnen het strafrechtelijk optreden zal moeten worden gerechtvaardigd. Die belangenafweging – dus de afweging of de beperking van de vrijheid van godsdienst proportioneel is – zal deels dus ook in de praktijk moeten plaatsvinden.
De leden van de BBB-fractie vragen of de initiatiefnemers en de regering voorbeelden kunnen noemen van betrokkenen die niet vallen onder de artsen en andere hulpverleners die in de voorgestelde artikelen 285ab, lid 7 en 297b, lid 7 buiten strafbaarheidstelling blijven, zolang zij handelen «in overeenstemming met de voor diegene geldende zorgvuldigheidseisen» en hoe deze eisen worden geformuleerd.
De initiatiefnemers benadrukken dat artikel 285ba, zevende lid, evenals artikel 297b, zevende lid, niet alleen artsen vrijwaart van strafbaarheid, maar zich ook uitstrekt tot andere personen die in de gezondheidszorg werkzaam zijn, zoals psychologen, psychotherapeuten, verpleegkundigen, orthopedagogen-generalist en andere professionals voor wie professionele kwaliteitsstandaarden gelden.
Artikel 7:453 BW is hier richtinggevend. Deze bepaling schrijft voor dat een hulpverlener moet handelen als een «redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot», overeenkomstig de geldende professionele standaard. Onder deze standaard vallen richtlijnen, protocollen en gedragsregels die binnen het betreffende beroep worden erkend.
Handelingen die buiten deze professionele standaard vallen, bijvoorbeeld interventies die gericht zijn op het veranderen of onderdrukken van iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit en waarvoor geen enkele professionele basis bestaat, vallen wél onder de strafbaarstelling. Dat betreft met name pseudo-therapeutische praktijken.
Kortom: professionals die conform hun beroepsnormen ondersteunen bij zelfacceptatie, exploratie of zorgverlening vallen altijd buiten het bereik van de strafbaarstelling.
De leden van de BBB-fractie stellen dat in andere landen, zoals Duitsland en het Verenigd Koninkrijk, conversiewetten beperkt zijn tot minderjarigen en expliciete dwang. Het Nederlandse voorstel gaat verder en brengt het risico van over-criminalisering met zich mee. Zij vragen waarom is gekozen voor een bredere criminalisering dan in genoemde landen en of er daarmee geen sprake van over-criminalisering is.
De initiatiefnemers herkennen zich niet in dit beeld. In Duitsland ziet de wet primair op minderjarigen. Ofschoon door de Minister werd erkend dat jongvolwassenen van achttien tot en met 26 jaar ook grote druk van buitenaf kunnen ervaren, is gekozen voor deze leeftijdsgrens omdat men een «robuuste» wet wilde die in rechtbanken (waaronder het Bundesverfassungsgericht) overeind zou blijven. Het verbod geldt ook ten aanzien van gevallen waarin de toestemming van een meerderjarige berust een «willensmangel». De laatste term kan vergeleken worden met het Nederlandse – privaatrechtelijke – begrip wilsgebrek, maar heeft niet precies dezelfde betekenis. Het verbod ten aanzien van het aanbieden van en bemiddelen in de diensten kent dergelijke begrenzing niet en geldt onverkort, zonder leeftijdsgrens. Het voorstel zoals dat nu voorligt strekt in die zin niet verder dat de wet zoals die in Duitsland van kracht is.
In het Verenigd Koninkrijk is geen verbod op conversiehandelingen van kracht, maar ligt er wel een concept-voorstel voor ter behandeling. Dat voorstel ziet op een verbod op het uitvoeren van conversiehandelingen bij minderjarigen en meerderjarigen die daar geen toestemming voor hebben gegeven. Mocht de wet in deze vorm worden aangenomen dat is die qua reikwijdte vergelijkbaar maar de voorliggende wet in Nederland.
Uit onderzoek naar conversiehandelingen, zoals het onderzoek van Beke en Ateno, blijkt dat het meerendeel van de slachtoffers meerderjarig is wanneer zij deze handelingen ondergaan. In die zin zou men eerder kunnen spreken van ondercriminalisering dat over-criminalisering.
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot nog naar de handhaafbaarheid met het oog op het verzamelen van de bewijslast. Alhoewel deze vraag deels gesteld is aan de regering, merken de initiatiefnemers op dat het vaststellen van schade complex is om de schade vast te stellen die is voortgekomen uit conversiehandelingen – al helemaal de psychische schade. Immers moet niet alleen vastgesteld worden dat er schade is, maar er moet ook nog een causaal verband worden vastgesteld. De bewijsmoeilijkheden die dit zou meebrengen, is voor de initiatiefnemers mede rede geweest om voor strafbaarstelling niet te vereisten dat de conversiehandelingen tot psychische dan wel fysieke schade hebben geleid. Juist om deze bewijsproblematiek te ondervangen, hebben de initiatiefnemers ervoor gekozen dat het verrichten van conversiehandelingen op zichzelf strafwaardig is, ongeacht of aantoonbare schade kan worden vastgesteld. Daarnaast benadrukken de initiatiefnemers dat het Openbaar Ministerie ten aanzien hiervan opmerkt op dat de voorgestelde strafbepaling voldoende concreet is geformuleerd om de praktijk handvatten te bieden voor de handhaving en de opsporing en vervolging.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van D66
De leden van de D66-fractie merken op dat tijdens de behandeling in de Tweede Kamer door meerdere partijen is aangegeven dat het wetsvoorstel onvoldoende duidelijk zou zijn voor de rechtspraktijk. Bij bestudering van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State lezen deze leden die conclusie echter niet terug. Het advies geeft de initiatiefnemers wel de opdracht om beter te onderbouwen wat de betekenis van de strafbaarstelling is ten opzichte van reeds bestaande strafbaarstellingen, een aanbeveling die de initiatiefnemers – onder meer met voorbeelden – hebben opgevolgd. De leden vragen de regering daarom te bevestigen dat het advies van de Afdeling inderdaad niet kan worden gelezen als een aanwijzing dat de strafbaarstelling juridisch onvoldoende is afgebakend voor toepassing in de rechtspraktijk, en verzoeken hierbij de consultatiereactie van het Openbaar Ministerie te betrekken. Bovendien zijn deze leden benieuwd welke specifieke aanpassingen de initiatiefnemers naar aanleiding van de ontvangen adviezen, waaronder dat van de Raad van State, hebben doorgevoerd. Zij vragen de initiatiefnemers gemotiveerd aangeven waarom zij deze aanpassingen toereikend achten om tegemoet te komen aan de gemaakte opmerkingen.
De initiatiefnemers danken de leden van de D66-fractie voor hun vraag. Zij bevestigen graag dat het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State niet zo kan worden gelezen dat de strafbaarstelling juridisch onvoldoende zou zijn afgebakend. De Afdeling heeft geen opmerkingen gemaakt over de duidelijkheid of toepasbaarheid van de delictsomschrijving, maar wel gevraagd om nadere onderbouwing van de verhouding tot bestaande strafbaarstellingen, zoals mishandeling en dwang. Deze aanbeveling is door de initiatiefnemers uitgebreid opgevolgd in zowel de memorie van toelichting als de nota naar aanleiding van het verslag, onder meer door het geven van concrete voorbeelden.
Ook het Openbaar Ministerie heeft in de consultatie aangegeven «voldoende handvatten» te zien voor handhaving en vervolging, waarmee wordt bevestigd dat de rechtspraktijk het wetsvoorstel uitvoerbaar acht.
Naar aanleiding van de adviezen en de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zijn de wettekst en de toelichting op meerdere punten aangescherpt:
− explicitering in de wettekst dat alleen handelingen die een stelselmatig of anderszins indringend karakter hebben onder de reikwijdte van de strafbepaling vallen;
− verduidelijking in de wettekst van het oogmerkbestanddeel;
− explicitering in de wettekst van de medische exceptie;
− explicitering in de wettekst dat – kort gezegd – reflectieve gesprekken niet strafbaar zijn;
− nadere motivering in de toelichting van de keuze voor leeftijdsgrenzen en misbruik van overwicht.
De initiatiefnemers achten deze aanpassingen toereikend, omdat zij de reikwijdte van de strafbaarstelling verduidelijken zonder de bescherming van kwetsbare personen te verzwakken. Zij vertrouwen erop hiermee de vragen van de leden te hebben beantwoord.
De leden van de fractie van D66 merken verder op dat in de memorie van toelichting bewust is gekozen voor de term «conversiehandelingen» in plaats van «conversietherapie», omdat de laatste term de suggestie wekt van professionele hulpverlening. Zij vragen hoe de initiatiefnemers hebben gezorgd dat deze definitie voldoende helder en juridisch afgebakend is, zodat zij praktisch toepasbaar is in het strafrecht en geen ruimte laat voor misverstanden.
Bovendien merken deze leden op dat het begrip «handelingen» in het spraakgebruik verder lijkt te reiken dan «gesprekken voeren». Deze leden houden de initiatiefnemers en de regering voor dat ook herhaalde of stelselmatige gesprekken «op indringende wijze» gevoerd kunnen worden. Zij vragen of kan worden verduidelijkt dat onder omstandigheden ook het voeren van dit soort gesprekken onder de reikwijdte van de strafbepaling valt. In het verlengde hiervan vragen de leden hoe de initiatiefnemers en de regering de handhaafbaarheid van het wetsvoorstel in de praktijk beoordelen, gelet op de opmerkingen dat de strafbaarstelling moeilijk te handhaven zou zijn. Tevens vragen de leden van de D66-fractie of de initiatiefnemers van mening zijn dat het voorstel, in de huidige aangepaste vorm, nog steeds voldoende bescherming biedt aan de mensen voor wie het bedoeld is, in het bijzonder jongeren en volwassenen in kwetsbare of religieuze omgevingen.
De initiatiefnemers kunnen bevestigen dat handelingen meer omvat dan enkel gesprekken. Het kan ook gaan om bijvoorbeeld pseudo therapeutische sessies, duivelsuitdrijving, gebedssessies of het toedienen van elektroshocks. Daarom hebben zij gekozen voor de term «handelingen». Ten aanzien van de handhaafbaarheid merken de initiatiefnemers op dat het Openbaar Ministerie in de consultatie heeft aangegeven voldoende handvatten te zien voor toepassing in de praktijk. Bovendien wordt door de gekozen afbakening voorkomen dat normale pastorale of ondersteunende gesprekken strafbaar zijn. Zij onderkennen dat handhaving ingewikkeld kan zijn wanneer deze praktijken zich achter gesloten deuren afspelen. Dat ligt echter niet aan de delictsomschrijving of afbakening. De initiatiefnemers zijn van oordeel dat het wetsvoorstel, ook na de aangebrachte verduidelijkingen, voldoende bescherming biedt aan minderjarigen en kwetsbare meerderjarigen.
De leden van de fractie van D66 stelden tot slot nog een enkele vraag over de bewoordingen in artikel 297b. Het artikel ziet op de uitoefening van een ambt, beroep, bedrijf of organisatie. Betekent dit dat bijvoorbeeld een vader of moeder die stelselmatig en op indringende wijze met zijn of haar kind gesprekken voert over de seksuele gerichtheid of genderidentiteit met de bedoeling om die te veranderen of te onderdrukken, niet onder de delictsomschrijving valt, zo vragen zij. Ervan uitgaande dat de delictsomschrijving niet ziet op de ouder-kindrelatie, hoe beoordelen de initiatiefnemers en de regering de situatie waarin een ouder bij een organisatie te rade gaat en door die organisatie met informatie wordt gevoed en/of geïnstrueerd om het kind op indringende wijze onder druk te zetten teneinde de seksuele gerichtheid te veranderen of te onderdrukken en valt de organisatie dan wel onder de delictsomschrijving, vragen zij tevens.
De initiatiefnemers verduidelijken dat artikel 48 Sr over medeplichtigheid ook van toepassing is op het verrichten van conversiehandelingen. Van medeplichtigheid kan bijvoorbeeld sprake zijn als iemand via een doorverwijzing opzettelijk bevordert dat jegens de persoon die is doorverwezen conversiehandelingen worden verricht. Maar dan moet het misdrijf wel eerst zijn gepleegd, want anders kan er ook geen sprake zijn van medeplichtigheid.
In reactie op deze vragen van de leden van de fractie van D66 antwoorden de initiatiefnemers voorts dat zij niet op voorhand kunnen uitsluiten dat ouders ooit door het OM medeplichtig worden geacht als zij hun kind naar conversietherapie sturen. Wel hebben zij tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer verduidelijkt dat zij dit scenario niet heel waarschijnlijk achten. Het OM moet namelijk dan bewijzen dat ouders met opzet ervoor hebben gezorgd dat hun kind door hen is doorverwezen naar een bewezenverklaarde stelselmatige en indringende conversiehandeling met het oogmerk, de seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. En dat moet dan ook nog gebeuren in de uitoefening van een beroep of bedrijf, dan wel in het verband van een organisatie. Met andere woorden: er moet twee keer sprake zijn van opzet bij ook nog eens bewezenverklaarde handelingen. Dat is dan niet heel waarschijnlijk. Wij achten het veel waarschijnlijker dat het OM zich zal richten op uitvoerders en aanbieders. Maar gelet op de onafhankelijke positie van het OM kunnen de initiatiefnemers dit niet uitsluiten.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de ChristenUnie
De leden van de ChristenUnie-fractie stellen een aantal vragen over de begrippen stelselmatig of anders op indringende wijze in relatie tot de tweede nota van wijziging. De initiatiefnemers lichten dit graag nader toe.
De initiatiefnemers hebben geconstateerd dat bij een aantal fracties in de Tweede Kamer zorgen leefden over de exacte reikwijdte van de strafbaarstelling. Er werd bijvoorbeeld gevreesd dat een enkel gesprek, tussen een zorgverlener en een jongere waarin de seksuele gerichtheid van een jongere wordt afgekeurd, onder de reikwijdte van het wetsvoorstel zou worden gebracht.
Om tegemoet te komen aan deze zorgen hebben de initiatiefnemers bij nota van wijziging het wetsvoorstel aangepast. Met de nota van wijziging is verduidelijkt dat het wetsvoorstel zich alleen uitstrekt tot fysieke en psychische inwerkingen die stelselmatig worden verricht of een anderszins indringend karakter hebben. Dit betekent dat onder het bereik van die strafbaarstelling kan vallen het stelselmatig psychische druk uitoefenen op een persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken dan wel het eenmalig toedienen van elektroshocks. Laatstgenoemde fysieke inwerkingen hebben een indringend karakter vanwege de inbreuk op de lichamelijke integriteit de persoon die deze elektroshocks krijgt toegediend. Daarentegen valt een incidenteel pastoraal of psychotherapeutisch getint gesprek door bijvoorbeeld een jeugdwerker over seksuele gerichtheid of genderidentiteit buiten de reikwijdte van de beoogde strafbaarstelling, ook als in zo’n gesprek (zijdelings) enige psychische druk op die persoon wordt uitgeoefend. Bij pastorale of psychotherapeutische gesprekken zal over het algemeen pas aan het bestanddeel «stelselmatig of anderszins op indringende wijze» zijn voldaan als over een zekere periode en met een hoge mate van intensiteit druk wordt uitgeoefend op de betreffende persoon om diens seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Er is bij de totstandkoming van de nota van wijziging dus niet zozeer aansluiting gezocht bij jurisprudentie over het begrip «stelselmatig» zoals dat nu bestaat in artikel 285b Sr, maar bij het adresseren van bovengenoemde zorgen over de reikwijdte en inkadering van de strafbaarstelling. Datzelfde geldt voor het begrip «indringend» zoals dat ook is opgenomen in artikel 429ter Sr. Voor dat artikel geldt overigens wel dat dit artikel mede tot stand is gekomen naar aanleiding van veranderde maatschappelijke opvattingen. Vóór inwerkingtreding van artikel 429ter Sr was seksuele intimidatie niet als zodanig apart strafbaar gesteld. Met de Wet seksuele misdrijven werd het door wetgever noodzakelijk geacht om in het Wetboek van Strafrecht de norm vast te leggen dat seksuele straatintimidatie strafwaardig is. De initiatiefnemers willen conversiehandelingen tegengaan en achten het mede om die reden noodzakelijk om deze norm te stellen in het Wetboek van Strafrecht. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang.
De leden van de fractie van de Christen Unie wijzen erop dat tijdens de behandeling in de Tweede Kamer de verdedigers twee situaties hebben beschreven die hen aanleiding gaven tot het indienen van het voorliggende wetsvoorstel. Het lijkt in beide voorbeelden niet te zijn gegaan om fysieke handelingen, maar om gebeden om genezing en om verbale uitingen. Zouden deze door de verdedigers genoemde voorbeelden hebben kunnen leiden tot een succesvolle vervolging op grond van het voorliggende wetsvoorstel, zo vragen zij. Zo ja, graag een toelichting per element van de delictsomschrijving.
De initiatiefnemers zijn van mening dat de gegeven voorbeelden in beginsel lijken te vallen onder de delictsomschrijving. Of het zal leiden tot vervolging is aan het OM en of die vervolging succesvol kan zijn is op voorhand niet te zeggen. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang.
De leden van de fractie van de Christen Unie wijzen erop dat bij amendement een nieuw tweede lid toegevoegd is aan de voorgestelde strafbepalingen. Hoe reflecteren de initiatiefnemers op deze toevoeging, vragen zij. Wat betekent dit amendement voor het «oproepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie» ten aanzien van andere aspecten van de «seksuele gerichtheid of genderidentiteit», vragen zij tevens.
Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer hebben de initiatiefnemers aangegeven dat dergelijke oproepen tot terughoudendheid, voorzichtigheid of reflectie niet onder de reikwijdte van de strafbaarstelling worden gebracht. Dit is nader gecodificeerd via het amendement van Six Dijkstra, waarbij lid 2 toegevoegd aan artikel 285ba Sr.
Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de SGP
De leden van de SGP-fractie hebben een aantal vragen gesteld over het onderzoek van Bureau Beke & Ateno en de representativiteit hiervan voor de Nederlandse context. Zo vragen zij onder andere op welke wijze de initiatiefnemers beargumenteren dat het genoemde onderzoek representatief is voor alle (religieus) homoseksuelen in Nederland.
De initiatiefnemers willen benadrukken dat zij nergens hebben aangedragen dat de onderzoeken die zij hebben gebruikt voor het wetsvoorstel representatief is voor alle homoseksuelen in Nederland. Veelvuldig onderzoek geeft echter aan dat er wel degelijk een correlatie is tussen SOGIECE en depressie, zelfmoordpogingen, mentale schade en sociaaleconomische schade.7 Een meer uitgebreidere behandeling van deze onderzoeken is terug te vinden in paragraaf 2 van de memorie van toelichting. Daarmee menen de initiatiefnemers niet te stellen dat álle homoseksuelen dezelfde ervaringen hebben met conversiehandelingen. In dit licht vinden de initiatiefnemers het ook belangrijk om nogmaals te benadrukken dat voor meerderjarigen de strafbaarstelling van conversiehandelingen alleen geldt als er sprake is van misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Vrijwillige conversiehandelingen bij meerderjarigen zijn nog steeds mogelijk.
Voor het wetsvoorstel hebben de initiatiefnemers kennisgenomen van meerdere onderzoeken. Deze onderzoeken en aanhangige bevindingen zijn ook terug te vinden in paragraaf 2 van de memorie van toelichting. Over het specifieke onderzoek waar de SGP in deze vraag naar refereert hebben de initiatiefnemers duidelijk in de memorie van toelichting opgenomen dat er vanwege de opzet van het onderzoek een bias in de respons kan zijn, en dat er daardoor op basis van dit onderzoek geen heldere kwantitatieve uitspraak gedaan kan worden over de precieze omvang van conversiehandelingen. In de memorie van toelichting is echter ook duidelijk aangegeven dat dit onderzoek wél inzicht geeft in de verschillende verschijningsvormen, de aanbieders, de kenmerken van de hulpvragers en hun motivaties. Daarvoor is dit specifieke onderzoek dan ook gebruikt in de memorie van toelichting. Zij herkennen dan ook niet de stellingname van de leden van de SGP-fractie dat in het rapport van Bureau Beke & Ateno niet concreet wordt ingegaan op de vraag in hoeverre SOGIECE-praktijken in Nederland aan de orde zijn. Uit dit onderzoek blijkt dat er minstens ongeveer 15 aanbieders actief zijn in Nederland, die op meer of minder georganiseerde wijze conversiehandelingen aanbieden.
Dit is echter niet het enige onderzoek dat gebruikt is voor dit wetsvoorstel. Zoals aangegeven door de initiatiefnemers is er steeds meer wetenschappelijk onderzoek beschikbaar waaruit de schadelijkheid van conversiehandelingen is aangetoond. Gelet op de ingrijpende werking van conversiehandelingen achten de initiatiefnemers het gerechtvaardigd om voor minderjarigen en meerderjarigen in een kwetsbare positie de strafwaardigheid van conversiehandelingen in het Wetboek van Strafrecht te verankeren.
Naast wetenschappelijk onderzoek zijn er ook andere bronnen die ons wijzen op de prevalentie van conversiehandelingen in Nederland. Zo zijn er bij het initiatief Wijdekerk vele meldingen binnengekomen van mensen die aangeven te maken hebben gehad met conversiehandelingen. Ook in de media zijn er in de afgelopen jaren veel personen die kenbaar hebben gemaakt slachtoffer te zijn geweest van conversiehandelingen. De initiatiefnemers zijn van mening dat er dus geen gerede twijfel bestaat over de aanwezigheid van conversiehandelingen in Nederland. Verder onderzoek naar de prevalentie moedigen zij aan, maar zien ze niet als noodzakelijke voorwaarde voor het invoeren van het voorliggende voorstel.
De leden van de fractie van de SGP hebben tevens vragen gesteld bij de proportionaliteit van deze wet gezien de wetenschappelijke onderbouwing. Zo vragen zij waarom de initiatiefnemers een verbod voorstellen op conversietherapie terwijl professionals hier juist terughoudend mee zijn en aangeven dat het zelfs schadelijk kan zijn voor mensen voor wie hun religieuze identiteit prioriteit heeft boven hun seksuele gerichtheid.
Het huidige wetsvoorstel bevat geen verbod voor meerderjarigen om gebruik te maken van conversietherapie in geval zij daar vrijwillig voor kiezen. Het wetsvoorstel stelt wel personen die stelselmatig of anderszins op indringende wijze handelingen verrichten met het oogmerk om de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van een minderjarige strafbaar, mits deze handelingen worden uitgeoefend vanuit een ambt, beroep of bedrijf dan wel in het verband van een organisatie. Deze strafbaarstelling is ook van toepassing op personen die deze handelingen verrichten bij meerderjarigen, maar alleen als er sprake is van misbruik door een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Gezien de negatieve gevolgen die conversietherapie teweeg kan brengen (zie hiervoor ook paragraaf 2 van de memorie van toelichting), is gekozen om twee kwetsbare groepen, namelijk minderjarigen en meerderjarigen waarbij sprake is van misbruik door een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht. Het staat meerderjarigen dus nog steeds vrij om hun religieuze identiteit prioriteit te geven boven hun seksuele gerichtheid en zelf vrijwillig op zoek te gaan naar aanbieders van conversiehandelingen en deze ook te ondergaan.
De leden van de SGP-fractie vragen ook hoe de initiatiefnemers het risico wegen dat hulpverleners niet snel meer bereid zullen zijn om hulp te bieden. Immers kan de hulpvrager die zich vrijwillig meldt voor SOGIECE naderhand aangeven dat hij of zij slachtoffer is geworden, aldus de leden van de SGP-fractie.
De initiatiefnemers achten dit risico in de praktijk verwaarloosbaar. De initiatiefnemers stellen dat er geen beroepsverenigingen zijn geweest die op enig moment dit risico hebben gesignaleerd. Wel zijn er diverse steunbetuigingen geweest voor het wetsvoorstel, waaronder de steunbetuiging van de Nederlandse beroepsvereniging voor psychiaters. De initiatiefnemers benadrukken dat door het eerdergenoemde amendement Six Dijkstra is gecodificeerd dat dergelijke oproepen niet onder de reikwijdte van het wetsvoorstel vallen.
De leden van de SGP-fractie stellen tevens dat een verbod averechts zou kunnen werken en dan het een taboe legt op het bespreken van seksuele identiteit en genderidentiteit. Dit herkennen de initiatiefnemers niet. Ook in andere landen waar een verbod op conversiehandelingen al is ingesteld, is hier geen sprake van. De initiatiefnemers hebben wel geconstateerd dat de grootste aanbieder van conversiehandelingen in Canada, Exodus Global Alliance, uit Canada is vertrokken nadat het verbod daar is ingesteld. Ook in andere landen zoals Duitsland, Spanje en Frankrijk zien de initiatiefnemers een afname van organisaties die conversiehandelingen aanbieden, door de norm te stellen dat deze praktijk strafbaar wordt. De initiatiefnemers betwisten niet dat sommige organisaties mogelijk ondergronds door blijven gaan. Dit wetsvoorstel zal dan niet alles oplossen, maar het totaal aantal keren dat conversiehandelingen wordt uitgevoerd, lijkt wel af te nemen in landen waar hier ervaring mee is.
De leden van de SGP-fractie vragen tevens of de initiatiefnemers beweren de initiatiefnemers dat de aanbieder van SOGIECE instructies geeft aan bijvoorbeeld familieleden van de betreffende persoon om hem of haar af te wijzen en of deze ervaringen juist de reden zijn dan men zich tot SOGIECE begeeft. In reactie op deze vragen stellen de initiatiefnemers vast dat elk slachtoffer van conversiehandelingen uniek is en dat in zijn algemeenheid niet kan worden gesteld dat het afwijzen van familie of het verlies van persoonlijk geloof als onderdeel kan worden gezien van conversiehandelingen, noch dat deze omstandigheden aanleiding geven voor personen om zich te wenden tot aanbieders van conversiehandelingen. Wat wel een rode draad is in de verhalen en meldingen van slachtoffers van conversiehandelingen is dat zij psychische en emotionele schade ondervinden als gevolg van de conversiehandelingen, in veel gevallen ook nog jaren nadat de conversiehandelingen werden uitgevoerd.
De leden van de SGP-fractie vragen of de initiatiefnemers begrijpen dat deze wet kan worden ervaren als vergaande en ongewenste overheidsdwang. De initiatiefnemers begrijpen niet zozeer dat het wetsvoorstel als zodanig kan worden gezien als vergaande en ongewenste overheidsdwang of dat het wetsvoorstel het recht op godsdienstvrijheid miskent. Het draagvlak voor godsdienstvrijheid – ook bij slachtoffers en toekomstige slachtoffers van conversiehandelingen – kan juist worden versterkt wanneer de overheid duidelijke grenzen aangeeft en een norm stelt ter bescherming van minderjarigen en kwetsbare personen. De initiatiefnemers benadrukken dat het wetsvoorstel op geen enkele wijze een godsdienstige of levensovertuiging strafbaar stelt.
De leden van de SGP-fractie vragen welk toetsingskader de initiatiefnemers voorstellen voor het spanningsveld tussen afkeuring en onderdrukking. Het toetsingskader is vastgelegd in het wetsvoorstel en is naar aanleiding van het advies van de Raad van State en de behandeling in de Tweede Kamer op diverse momenten verder verduidelijkt. Het enkele afkeuren van een levensovertuiging in een gesprek is geen handeling die erop is gericht de seksuele gerichtheid of genderidentiteit van iemand stelselmatig of anderszins indringend te veranderen of te onderdrukken.
De leden van de SGP-fractie vragen in hoeverre religieuze gemeenschappen nog vrij blijven in hun verwachting dat aanhangers van de godsdienst zich conformeren aan de religieuze normen, zo vragen de leden van de SGP-fractie.
De initiatiefnemers verduidelijken dat aanhangers van religieuze gemeenschappen zich net als alle andere mensen die zich in Nederland bevinden binnen de grenzen van de wet zich vrij kunnen voelen om zich te conformeren aan religieuze normen. Daarin brengt het wetsvoorstel geen verandering. Zij stellen vast dat zij geen inzage hebben in het verwachtingspatroon van religieuze gemeenschappen, noch daar enige invloed op proberen uit te oefenen.
De leden van de SGP fractie vragen of zij het goed begrijpen dat het wetsvoorstel verbiedt om homoseksualiteit in een religieuze context zonde te noemen, ook niet bij het onderwijzen in de geloofsstellingen, omdat dit impliceert dat men zich moet conformeren aan de religieuze norm.
De initiatiefnemers hebben in de nota naar aanleiding van het verslag en tijdens de behandeling in de Tweede Kamer aangegeven dat het niet verboden is om homoseksualiteit een zonde te noemen. Het wetsvoorstel verbiedt niet het afkeuren van seksuele gerichtheid.
De leden van de SGP-fractie stellen dat het een algemeen uitgangspunt is dat de overheid zich niet bemoeit met interne, godsdienstige aangelegenheden. De overheid heeft de verantwoordelijkheid om zaken circa sacra te regelen, maar de overheid heeft geen bevoegdheid om zaken in sacra te regelen. Het initiatiefwetsvoorstel staat op gespannen voet met dit uitgangspunt, omdat het beoogt het discours in de religieuze context te reguleren, aldus de leden van de SGP-fractie. Deze leden vragen de initiatiefnemers hoe zij die spanning wegen met betrekking tot dit initiatiefwetsvoorstel. Ook vragen zij op basis waarvan de initiatiefnemers zich het recht voorbehouden zich te mengen in religieuze zaken.
De initiatiefnemers merken wederom dat het recht op geloofs- en godsdienstvrijheid een belangrijk grondrecht is, maar niet onbegrensd is. Daarbij zijn inbreuken op de vrijheid van religie toelaatbaar wanneer de inbreuk bij wet is voorzien in noodzakelijk in het belang gerechtvaardigd doel. Conversiehandelingen kunnen dus ook niet beschouwd worden als sec een religieuze zaak.
De leden van de SGP-fractie wijzen op de wettekst, met name het voorgestelde artikel 285ba, wordt steeds genoemd de persoon die de leeftijd van achttien jaren niet heeft bereikt. In lid 3 sub a van dat artikel gaat het echter om «een persoon», zonder kwalificatie van leeftijd. Het verbod strekt dan ook tot het verbieden van het aanbieden van handelingen aan een meerderjarig persoon, zo merken de leden van de SGP-fractie op. Wat is de ratio voor de invoeging van genoemd sublid, vragen deze leden. Hoe wegen zij de kritische noot uit de wetenschapstoets die dit duidt als «paternalistische wetgeving», vragen zij tevens.
De initiatiefnemers verduidelijken dat aanvankelijk een totaalverbod op het aanbieden van conversiehandelingen was opgenomen in het wetsvoorstel. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State hebben de initiatiefnemers dit aangepast. Voor wat betreft de vragen over de wetenschapstoets, verwijzen de initiatiefnemers naar de eerste pagina van deze Memorie van Antwoord.
In het voorgestelde artikel 285ba wordt het woord «stelselmatig» als kwalificatie toegevoegd aan de verboden handeling. In de jurisprudentie is «stelselmatigheid» een brede toets die ziet op de individuele omstandigheden van het geval. Advocaat-Generaal Hofstee omschrijft die toets als «sterk casuïstisch van aard en in zijn algemeenheid lastig te beantwoorden».[27] Dit raakt de uitvoerbaarheid van de wet, zo stellen de leden van de SGP-fractie. Deze leden vragen wat de toegevoegde waarde is van deze kwalificatie. Wat beogen de initiatiefnemers met deze kwalificatie te regelen, vragen zij.
De initiatiefnemers stellen dat deze toevoeging tegemoet komt aan kritiek op het wetsvoorstel dat de wettekst niet duidelijk genoeg was. Met deze kwalificatie is verduidelijkt dat het pas om strafbare conversiehandelingen gaat als er stelselmatig of anderszins op indringende wijze wordt geprobeerd om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang.
De leden van de SGP-fractie merken op dat in de praktijk al sprake is van stelselmatigheid bij meerdere contactmomenten met een pastoraal werker. Zij vragen of in een dergelijk geval geldt dat de pastoraal werker strafbaar is op grond van het voorgestelde artikel 285ba Sr.
Het gaat pas om strafbare conversiehandelingen als er stelselmatig of anderszins op indringende wijze wordt geprobeerd om iemands seksuele gerichtheid of genderidentiteit te veranderen of te onderdrukken. Voor het beoordelen van de strafbaarheid zijn de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de handelingen van belang. Dit staat ook in de memorie van toelichting en in de nota van wijziging zo beschreven. Gesprekken zijn minder indringend dan bijvoorbeeld shocktherapie of gebedsgenezing. De praktijk laat zien dat de meest voorkomende vorm bestaat uit stelselmatige en zeer indringende gesprekken die tot doel hebben iemands gerichtheid te veranderen of te onderdrukken.
Zie ook de samenvatting op de website van de Raad van State: Samenvatting advies initiatiefwetsvoorstel strafbaarstelling conversiehandelingen – Raad van State, en in het advies zelf de vierde alinea.
link naar het document: https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20240701/nota_naar_aanleiding_van_het_3/document3/f=/vmelo8fjqjzx.pdf
Kanttekening hierbij is dat dit ziet op de kernbepaling. De Raad van State vond het totaalverbod op aanbieden te ver gaan. De initiatiefnemers hebben dat onderdeel van het wetsvoorstel daarom aangepast.
9 Green, A. E., Price-Feeney, M., Dorison, S. H., & Pick, C. J. (2020). Self-reported conversion efforts and suicidality among US LGBTQ youths and young adults, 2018. American journal of public health, 110(8), 1221–1227. Caitlin Ryan, Russell B. Toomey, Rafael M. Diaz & Stephen T. Russell (2018): Parent-Initiated Sexual Orientation Change Efforts With LGBT Adolescents: Implications for Young Adult Mental Health and Adjustment, Journal of Homosexuality, DOI: 10.1080/ 00918369.2018.1538407; Trevor Goodyear, David J. Kinitz, Elisabeth Dromer, Dionne Gesink, Olivier Ferlatte, Rod Knight & Travis Salway (2021): «They Want You to Kill Your Inner Queer but Somehow Leave the Human Alive»: Delineating the Impacts of Sexual Orientation and Gender Identity and Expression Change Efforts, The Journal of Sex Research, DOI: 10.1080/ 00224499.2021.1910616; Salway, T., Ferlatte, O., Gesink, D., & Lachowsky, N. J. (2020). Prevalence of exposure to sexual orientation change efforts and associated sociodemographic characteristics and psychosocial health outcomes among Canadian sexual minority men. The Canadian Journal of Psychiatry, 65(7), 502–509.
Zie ook de samenvatting op de website van de Raad van State: Samenvatting advies initiatiefwetsvoorstel strafbaarstelling conversiehandelingen – Raad van State, en in het advies zelf de vierde alinea.
link naar het document: https://www.eerstekamer.nl/behandeling/20240701/nota_naar_aanleiding_van_het_3/document3/f=/vmelo8fjqjzx.pdf
Kanttekening hierbij is dat dit ziet op de kernbepaling. De Raad van State vond het totaalverbod op aanbieden te ver gaan. De initiatiefnemers hebben dat onderdeel van het wetsvoorstel daarom aangepast.
9 Green, A. E., Price-Feeney, M., Dorison, S. H., & Pick, C. J. (2020). Self-reported conversion efforts and suicidality among US LGBTQ youths and young adults, 2018. American journal of public health, 110(8), 1221–1227. Caitlin Ryan, Russell B. Toomey, Rafael M. Diaz & Stephen T. Russell (2018): Parent-Initiated Sexual Orientation Change Efforts With LGBT Adolescents: Implications for Young Adult Mental Health and Adjustment, Journal of Homosexuality, DOI: 10.1080/ 00918369.2018.1538407; Trevor Goodyear, David J. Kinitz, Elisabeth Dromer, Dionne Gesink, Olivier Ferlatte, Rod Knight & Travis Salway (2021): «They Want You to Kill Your Inner Queer but Somehow Leave the Human Alive»: Delineating the Impacts of Sexual Orientation and Gender Identity and Expression Change Efforts, The Journal of Sex Research, DOI: 10.1080/ 00224499.2021.1910616; Salway, T., Ferlatte, O., Gesink, D., & Lachowsky, N. J. (2020). Prevalence of exposure to sexual orientation change efforts and associated sociodemographic characteristics and psychosocial health outcomes among Canadian sexual minority men. The Canadian Journal of Psychiatry, 65(7), 502–509.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-36178-C.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.