36 176 Wijziging van de Mediawet 2008 in verband met het invoeren van een investeringsverplichting ten behoeve van Nederlands cultureel audiovisueel product

B VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP1

Vastgesteld 19 juli 2023

Het wetsvoorstel heeft de commissie aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben naar aanleiding daarvan enkele vragen.

De fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD hebben met teleurstelling kennisgenomen van het gewijzigde wetsvoorstel. Deze leden hebben gezamenlijk enkele vragen aan de regering. Zij zien uit naar de beantwoording.

2. De investeringsverplichting

De BBB-fractieleden vragen of de regering op de hoogte is van het Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (hierna: Handvest). Is de regering bereid de rapportage van de expertcommissie voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa (hierna: expertcommissie) op te volgen, die stelt – in uitleg van dit Handvest – dat het Limburgs meer bescherming en promotie verdient (onderdeel 7.1.g)2? Daarbij verwijzen voornoemde fractieleden ook concreet naar een van de verdere aanbevelingen genoemd in deze rapportage: «Versterken van het gebruik van het Limburgs (...) in de media.»3

Is de regering voorts bereid de rapportage van de expertcommissie op te volgen, die stelt – in uitleg van het Handvest – dat het Nedersaksisch bescherming verdient, zoals concreet ook is aangegeven in de verdere aanbevelingen genoemd in deze rapportage: «Versterken van het gebruik van het Nedersaksisch (...) in de media»4?

Is de regering bereid, gelet op het vorenstaande, toe te zeggen dat zij een wetsvoorstel in zal dienen om naast Nederlands en Fries in artikel 3.29f, leden a tot en met c, van het wetsvoorstel ook Nedersaksisch en Limburgs op te nemen? Zo nee, waarom niet? Hoe gaat de regering dan deze streektalen beschermen en promoten, waar zij verdragstechnisch toe gehouden is?

De fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD zijn benieuwd naar het oordeel van de regering over het voorliggende wetsvoorstel na amendering door de Tweede Kamer. Kan zij duiden hoe zij de kwaliteit van het huidige wetsvoorstel beoordeelt en kan zij in het bijzonder een oordeel geven over de effectiviteit van dit voorstel? Kan zij daarbij tevens gemotiveerd uiteenzetten of, en – zo ja – in hoeverre, dit voorstel (nog) in lijn is met het advies5 van de Raad voor Cultuur dat mede aanleiding is geweest tot het onderhavige wetsvoorstel?

De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap meldde tijdens het plenaire debat in de Tweede Kamer dat het amendement-Werner6, dat regelt dat alle producties (met uitzondering van sport) als Nederlands cultureel audiovisueel product kunnen kwalificeren, het wetsvoorstel ondermijnt.7 Kan de regering in een appreciatie uiteenzetten waarom dit aangenomen amendement ondermijnend is in het licht van de effectiviteit en proportionaliteit van het wetsvoorstel?

Kan de regering voorts uiteenzetten of, en – zo ja – op welke wijze, het wetsvoorstel de positie van Nederlandse makers versterkt? Kan zij met cijfers onderbouwen op welke wijze dit voorstel aan hen ten goede zal komen?

Is het geamendeerde wetsvoorstel gelet op de huidige stand van zaken geen dode letter, nu de investeringsverplichting op grond van dit voorstel op rond de 40 miljoen euro per jaar uitkomt, terwijl op dit moment reeds ruim het dubbele van dat bedrag door streamingsdiensten wordt geïnvesteerd? Is hiermee nog sprake van effectieve wetgeving?

De fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD hebben voorts begrepen dat diverse streamingsdiensten, zoals Videoland, Viaplay en mogelijk ook Netflix en Amazon Prime, thans producties hebben stopgezet dan wel voornemens zijn deze stop te zetten. De vraag van voornoemde leden is of dat mogelijk een causaal verband heeft met de amendering van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer. Kan het zijn dat producties die met het oog op de oorspronkelijke investeringsverplichting zijn opgestart, nu worden geannuleerd? Hebben deze geluiden ook de regering bereikt? En kan zij reflecteren op de vraag of daar al dan niet een causaal verband bestaat? Is de regering bereid hierover in overleg te treden met de diensten en kan zij toezeggen deze cijfers en informatie mee te nemen in de monitoring dan wel evaluatie?

De evaluatie van het wetsvoorstel is aangescherpt naar aanleiding van een amendement van het lid-Westerveld8. Mede gelet op de wijze van totstandkoming van dit voorstel, achten de fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD het van belang dat een vinger aan de pols wordt gehouden. Kan de regering toezeggen dat zij ervoor zorg zal dragen dat de afgesproken jaarlijkse monitoring daadwerkelijk heldere beleidsinformatie zal opleveren over:

  • a. de titels waarin wordt geïnvesteerd,

  • b. het type audiovisuele producties waarin wordt geïnvesteerd, gerubriceerd naar film, documentaire, serie of overig media-aanbod,

  • c. de omvang van de investering, en

  • d. de wijze waarop is geïnvesteerd (productie, coproductie, aankoop vooraf of aankoop achteraf)?

De fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD verzoeken bij de evaluatie ook in het bijzonder aandacht te hebben voor de vraag welke gevolgen het wetsvoorstel heeft voor het type producties waarvoor dit voorstel in het leven is geroepen, te weten series, documentaires en speelfilms. Acht de regering de aangescherpte evaluatie zoals deze nu is vormgegeven, afdoende of ziet zij nog andersoortige meetinstrumenten om te kunnen beoordelen in hoeverre het uiteindelijke wetsvoorstel effectief, doelmatig en proportioneel is? En wat is de regering voornemens te doen indien uit de evaluatie blijkt dat de wet niet voldoende doelmatig is, in het bijzonder voor dat type producties waar het van aanvang af om te doen was (series, documentaires en speelfilms)?

Filmmakers (scenarioschrijvers/regisseurs) zijn in het kader van subsidiëring door het Filmfonds op dit moment – voor het maken van een film – afhankelijk van producenten. In feite bepalen de producenten of het tot een verfilming van een scenario kan komen en daarmee bepalen ze in wezen (samen met veelal commerciële investeerders) het aanbod in de bioscoop en bij de commerciële mediadiensten. Als filmmakers een fonds zouden oprichten dat erin voorziet de scenarioschrijvers en regisseurs een kans te geven om een scenario en een filmplan te ontwikkelen om vervolgens – al dan niet met een investering door een distributeur – een producent erbij te betrekken, zou dan een investering in zo’n fonds vallen onder de reikwijdte van artikel 3.29e, eerste lid, in samenhang met artikel 3.29f van het wetsvoorstel? Deelt de regering het oordeel van de fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD dat de investeringen in zo’n filmmakersfonds zullen kunnen bijdragen aan een interessanter aanbod met meer artistieke kwaliteit en een grotere zichtbaarheid van Nederlandse films?

In de Verenigde Staten staken schrijvers van audiovisuele producties reeds geruime tijd, mede vanwege het feit dat zij van oordeel zijn dat de vergoeding voor het hergebruik van hun werk door grote streamingsdiensten onvoldoende is. Hebben de fractieleden van GroenLinks-PvdA en de PvdD het goed begrepen dat Nederlandse schrijvers voor het gebruik van hun werk door streamingsdiensten zoals Netflix en HBO (onder meer), geen vergoeding van de Stichting Literaire Rechten Auteurs (hierna: Lira) ontvangen? Of met andere woorden, is het juist dat deze diensten geen vergoeding aan (onder meer) Lira afdragen, zoals publieke omroepen dat wel doen? Indien dat het geval is, is dat onderscheid rechtvaardig? En, zo ja, op grond waarvan? En wat is de regering voornemens op dit vlak al dan niet te ondernemen teneinde een billijke vergoeding voor deze groep makers te bewerkstelligen, ook van deze streamingsdiensten?

De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet met belangstelling uit naar de nota naar aanleiding van het verslag en ontvangt deze graag uiterlijk aan het einde van het zomerreces van de Kamer.

De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk

De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dragstra


X Noot
1

Samenstelling:

Lagas (BBB), Walenkamp (BBB), Van Knapen (BBB), Roovers (GroenLinks-PvdA), Veldhoen (GroenLinks-PvdA) (ondervoorzitter), Fiers (GroenLinks-PvdA), Ramsodit (GroenLinks-PvdA), Rosenmöller (GroenLinks-PvdA), Van den Berg (VVD), Van de Sanden (VVD), Rietkerk (CDA) (voorzitter), Doornhof (CDA), Van Meenen (D66), Belhirch (D66), Van Strien (PVV), Nicolaï (PvdD), Van Bijsterveld (Ja21), Van Apeldoorn (SP), Talsma (CU), Van den Oetelaar (FVD), Schalk (SGP), Perin-Gopie (Volt), Van Rooijen (50PLUS), Van der Goot (OPNL).

X Noot
2

Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Rapportage door de expertcommissie voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa in overeenstemming met artikel 16 van het Handvest. Zesde rapportage. Nederland), Straatsburg: november 2019, p. 24.

X Noot
3

Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Rapportage door de expertcommissie voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa in overeenstemming met artikel 16 van het Handvest. Zesde rapportage. Nederland), Straatsburg: november 2019, p. 25.

X Noot
4

Europees Handvest voor regionale talen of talen van minderheden (Rapportage door de expertcommissie voorgelegd aan het Comité van Ministers van de Raad van Europa in overeenstemming met artikel 16 van het Handvest. Zesde rapportage. Nederland), Straatsburg: november 2019, p. 28.

X Noot
5

Zicht op zo veel meer (Sectoradvies Audiovisueel van de Raad voor Cultuur), Den Haag: februari 2018.

X Noot
6

Kamerstukken II 2022/23, 36 176, nr. 29.

X Noot
7

Handelingen II 2022/23, nr. 86, item 30, p. 1.

X Noot
8

Kamerstukken II 2022/23, 36 176, nr. 35.

Naar boven