36 169 Wijziging van de Klimaatwet (implementatie Europese klimaatwet)

B VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT / LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT1

Vastgesteld 28 maart 2023

Het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel geeft de commissie aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen en het stellen van de volgende vragen.

Inleiding

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben gezamenlijk een aantal vragen. Deze leden hechten aan een effectieve bestrijding van de klimaatcrisis, omdat dit een existentiële bedreiging is voor ons bestaan. Zij benadrukken hierbij dat een gebrekkige aanpak van de klimaatcrisis kan leiden tot schendingen van mensenrechtenverdragen waar Nederland zich aan gecommitteerd heeft.

De leden van de Fractie-Nanninga hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel en hebben daarover een enkele vraag.

De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het voornemen van de regering tot implementatie van de Europese Klimaatwet en hebben daarover een aantal vragen. De leden van de CDA-fractie sluiten zich graag aan bij de vragen van de SGP-fractie.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA

De leden van de fracties van GroenLinks en de PvdA vragen de regering een overzicht te geven van de bepalingen uit de Verordening (EU) 2021/1119 (de Europese klimaatwet) en hierbij te verduidelijken in hoeverre deze bepalingen implementatie behoeven door Nederland en op welke manier?

Wat is de reden dat de internetconsultatie voor het onderhavige wetsvoorstel slechts tien dagen heeft open gestaan? Deze leden menen dat hierdoor minder mensen zich hebben kunnen uitspreken over dit belangrijke onderwerp.

Naast internationale verplichtingen inzake reductiedoelen, heeft Nederland zich ook gebonden aan internationale verdragen inzake mensenrechten, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), het Internationaal Verdrag inzake Economische Sociale en Culturele Rechten (IVESCR) en het Kinderrechtenverdrag. Hoe verhouden de voorgestelde aanscherpingen van de Nederlandse reductiedoelen zich tot de verplichtingen van Nederland om geen mensenrechten te schenden? Is de regering ervan overtuigd dat met de huidige doelstellingen mensenrechtenschendingen worden voorkomen, en zo ja, op welke wetenschappelijke onderbouwing baseert de regering die overtuiging? Deze leden vragen hoe de regering de risico’s inschat dat, ondanks de doelstellingen en inspanningen van Nederland en de Europese Unie, de klimaatcrisis alsnog kan leiden tot mensenrechtenschendingen in Nederland? Of dat door onvoldoende handelen in Nederland, we verantwoordelijk worden voor mensenrechtenschendingen in andere continenten als gevolg daarvan?

Meer specifiek vragen deze leden hoe wordt voorkomen dat de klimaatcrisis zorgt voor schendingen van het recht op leven (artikel 2 EVRM) en het recht op een behoorlijke levensstandaard (artikel 11 IVESCR)? Hoe ziet de regering concreet haar rol in relatie tot de klimaatcrisis en de positieve verplichtingen die volgens vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) voortvloeien uit het in het EVRM gewaarborgde recht op leven? Op welke manier is de regering, al dan niet in samenwerking met andere landen, van plan om op zeer lange termijn het recht op voedsel, water en gezondheid voor de ingezetenen van Nederland te blijven waarborgen, ook als het ondanks de doelstellingen en inspanningen van Nederland niet lukt om de opwarming van de aarde beneden de 1,5 graad Celsius te houden?

Vragen en opmerkingen van de leden van de Fractie-Nanninga

De leden van de Fractie-Nanninga lezen dat in dit wetsvoorstel het reductiepercentage wordt gesteld op 55 procent voor 2030. De Minister voor Klimaat en Energie heeft in zijn beantwoording van vragen uit de Tweede Kamer aangegeven dat de «reductiedoelen uit de Europese klimaatwet gelden voor de Unie als geheel, en daarmee niet één op één kan worden overgenomen als reductienorm voor Nederland».2 Toch kiest de regering voor 55 procent. Deze leden vragen waarom de ophoging van het percentage wordt gezien als prioriteit, nu volgens hen blijkt dat het eerder vastgestelde percentage (49 procent) niet eens gehaald wordt. Wat verwacht de regering concreet te bereiken met het ophogen van het reductiepercentage naar een nog hoger en minder haalbaar niveau?

De leden van de Fractie-Nanninga ontvangen graag een overzicht waarin uiteen wordt gezet wat deze verhoging van het reductiepercentage betekent voor de totale kosten van het klimaatbeleid. Zij verzoeken de regering om hierbij te verduidelijken met hoeveel miljarden de klimaatkosten stijgen. Voorts zien zij graag toegelicht waaraan deze extra miljarden specifiek worden besteed en hoeveel miljard er exact nodig is per procent reductie?

Tot slot vragen deze leden hoeveel graden minder opwarming het aangescherpte doel van 55 procent exact gaat bewerkstelligen op zowel Europees als nationaal niveau?

Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie

Een van de primaire argumenten van de regering is dat de bepalingen in de Nederlandse Klimaatwet niet mogen verschillen met de Europese klimaatwetgeving. Tegelijk geeft de regering aan dat de Europese Klimaatverordening een directe werking heeft.3 De leden van de SGP-fractie vragen de regering toe te lichten welke juridische meerwaarde voorliggend wetsvoorstel heeft? Aangezien Verordening (EU) 2021/1119 rechtstreekse werking heeft, vragen zij waarom de regering het nodig acht om deze aanscherping (nu) op te nemen in nationale wetgeving?

Kan de regering uitgebreider ingaan op de, door haar gevoelde, noodzaak om de doelstellingen uit de Europese klimaatwet één-op-één over te nemen in nationale wetgeving als op dit moment nog onduidelijk is welke concrete reductiedoelstellingen voor individuele lidstaten zullen volgen uit de nadere onderhandelingen binnen de Europese Unie?

De leden van de SGP-fractie vragen of het voor de regering een overweging is geweest om te wachten totdat duidelijkheid is over de precieze reductiedoelstellingen voor Nederland, alvorens de Nederlandse Klimaatwet te wijzigen?

De regering geeft in de memorie van toelichting aan dat het voorliggend wetsvoorstel vooral technisch van aard is.4 Deze leden menen dat een aanscherping van de klimaatdoelstellen wel concrete economische gevolgen heeft. Heeft de regering deze in kaart gebracht en meegenomen in haar overweging om tot dit wetsvoorstel te komen? Kan de regering dit toelichten? Kan de regering voorts reflecteren op de eventuele gevolgen voor het huidige klimaatbeleid en de (on)mogelijkheden van het behalen hiervan?

Kan de regering toelichten hoe zij om denkt te gaan met een eventuele lagere of hogere reductiedoelstelling voor Nederland dan de beoogde 55 procent in 2030? Deze leden vragen welke maatregelen de regering neemt om niet overvallen te worden door een afwijkende doelstelling?

Volgens deze leden blijkt uit het wetsvoorstel dat de regering geen overwegingen geeft ten aanzien van de haalbaarheid van deze aanscherping. Op allerlei wijze wordt volgens deze leden duidelijk dat het behalen van de eerder vastgestelde doelen al een vrijwel onmogelijke opgave zal worden. Zo loopt de noodzakelijke verzwaring van het energienet vertraging op door gebrek aan kundige vakmensen, zorgt toenemende materiaalkosten voor een vertraging in de verduurzaming van (particuliere) woningen en bedrijven en lijkt de nieuwe standaard van hybride warmtepompen vanaf 2026 onhaalbaar, vanwege een gebrek aan installateurs. Kan de regering motiveren waarom zij, in het licht dat de huidige doelen al nauwelijks haalbaar lijken, het wenselijk acht om deze doelen verder aan te scherpen? Welke concrete stappen neemt zij om de haalbaarheid van dit wetsvoorstel te vergroten?

De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat de stikstofcrisis duidelijk heeft gemaakt dat het wettelijk vastleggen van bepaalde waarden verregaande juridische gevolgen kan hebben. Zij vragen de regering in dat licht te reflecteren of het verstandig is om alvast een streefdoel van 55 procent voor 2030 wettelijk vast te leggen als de precieze reductiedoelstelling voor Nederland nog niet duidelijk is en de huidige doelstelling van 49 procent nog maar nauwelijks binnen bereik is?

Het valt de leden van de SGP-fractie op dat er intussen meerdere reductiedoelen naast elkaar geformuleerd worden. In het Beleidsprogramma Klimaat wordt ingezet op een reductiedoel van 60 procent in 2030. Daarnaast wil voorliggend wetsvoorstel de EU-brede doelstelling van 55 procent in 2030 vastleggen. Echter, in het coalitieakkoord is weer vastgelegd dat het streefdoel 60 procent in 2030 is. Een soortgelijke situatie doet zich voor rondom het stikstofbeleid. Voor 2030 en 2035 zijn er bepaalde doelen vastgelegd, die in het coalitieakkoord zijn aangescherpt. Hoewel het beleid koerst op het aangescherpte doel, is dit nog niet concreet in wetgeving vastgelegd. Wel zijn er volgens deze leden ijkmomenten afgesproken om te bepalen in welke mate het doel nog haalbaar is. Deze leden constateren dat op deze wijze de status van de diverse doelen nogal diffuus wordt. Kan de regering reflecteren op bovenstaande en uitwerken hoe de diverse doelen zich tot elkaar verhouden? Kan de regering toelichten waarom zij het wenselijk acht diverse doelen naast elkaar te hanteren? Betekent dit ook dat er beleid is dat gericht is op 55 procent reductie en beleid dat gericht is op 60 procent reductie? Laat dit niet zien, zo vragen de leden van de SGP-fractie, dat het onverstandig is om harde beleidsdoelen in wetgeving op te nemen?

De leden van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit zien de antwoorden van de regering met belangstelling tegemoet en ontvangen deze graag uiterlijk 28 april 2023.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, L.P. van der Linden

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat / Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, De Boer


X Noot
1

Samenstelling:

Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV), Van Strien (PVV), Gerkens (SP), Atsma (CDA) (ondervoorzitter), Pijlman (D66), Schalk (SGP), Klip-Martin (VVD), Van Rooijen (50PLUS), Van Ballekom (VVD), Vos (VVD), Crone (PvdA), Dessing (FVD), Van Gurp (GL), Huizinga-Heringa (CU), Kluit (GL), Van der Linden (Fractie-Nanninga) (voorzitter), Meijer (VVD), Otten (Fractie-Otten), Prins (CDA), vacant (GL), Van der Voort (D66), Berkhout (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA) en N.J.J. van Kesteren (CDA).

X Noot
2

Kamerstukken II 2022/23, 36 169, nr. 6.

X Noot
3

Idem.

X Noot
4

Kamerstukken II 2022/23, 36 169, nr. 3.

Naar boven