Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 januari 2024
Op 10 oktober 2023 heeft de Eerste Kamer in eerste lezing het grondwetswijzigingsvoorstel
aangenomen van de leden Marijnissen en Temmink inzake het correctief referendum.2 Tijdens het voorafgaande debat in de Kamer op 3 oktober zegde ik naar aanleiding
van vragen van het lid Dittrich toe extra informatie aan te leveren over de verhouding
tussen bindende referenda op decentraal niveau en de verdelingssystematiek van de
Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen. Met deze brief doe
ik mijn toezegging gestand (T03759).
Mocht het initiatiefwetsvoorstel-Dijk3 inzake het correctief referendum (hierna: het grondwetsvoorstel) in tweede lezing
worden aangenomen en bekrachtigd, dan wordt in de Grondwet een nieuw artikel 128a
opgenomen. Dit artikel regelt dat bij provinciale onderscheidenlijk gemeentelijke
verordening kan worden bepaald dat besluiten van provinciale staten of de gemeenteraad
aan een beslissend referendum worden onderworpen. Het artikel is limitatief in de
zin dat alleen besluiten van provinciale staten of de gemeenteraad referendabel zijn
en dus niet, bijvoorbeeld, besluiten van het college van burgemeester en wethouders.
In een specifieke provincie of een specifieke gemeente kan ook alleen een besluit
van de eigen provinciale staten of gemeenteraad aan een referendum worden onderworpen.
Op basis van artikel 3, tweede lid, van de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen
maakt de Minister van Justitie en Veiligheid eens in de twee jaren voor 1 februari
van het kalenderjaar de verdeling bekend over alle provincies van het benodigd aantal
opvangplaatsen. Ook maakt de Minister van Justitie en Veiligheid dan een indicatieve
verdeling bekend per gemeente. Op basis van deze indicatieve verdeling, zal het overleg
tussen gemeenten aan de provinciale regietafels worden gevoerd om te komen tot een
werkbare verdeling van opvangplaatsen in de provincie (artikel 4, eerste lid, van
het wetsvoorstel). Na afloop van de overlegfase neemt de Minister van Justitie en
Veiligheid op basis van artikel 5, eerste lid, van het wetsvoorstel een daadwerkelijk
verdeelbesluit met betrekking tot het aantal verplicht beschikbaar te stellen opvangplaatsen
per gemeente. Op grond van dit besluit krijgt het college van burgemeester en wethouders
van een aangewezen gemeente op basis van artikel 6 van het wetsvoorstel de taak om
in de gemeente binnen de termijn van twee jaar opvangvoorzieningen mogelijk te maken
voor asielzoekers conform het verdeelbesluit. De raad heeft op grond van artikel 7
van de wet de verplichting om hiertoe zo nodig het bestemmingsplan of de beheersverordening
aan te passen als dit noodzakelijk is voor het voldoen aan deze wettelijke taak.
Er is in het kader van het bepalen van het aantal in te richten opvangvoorzieningen
in de Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen geen sprake van
een besluit van provinciale staten of gemeenteraad dat eventueel referendabel zou
zijn op grond van het grondwetsvoorstel. Strikt genomen zou een aanpassing van het
bestemmingsplan of de beheersverordening dat wel kunnen zijn. Echter, indien hierdoor
de taakstelling niet wordt behaald, zal sprake zijn van taakverwaarlozing waarop het
interbestuurlijk toezicht van toepassing is. Het bindend referendum op provinciaal
of gemeentelijk niveau doorkruist immers niet de verplichtingen die volgen uit het
door de wetgever opgelegde medebewind. Het is binnen de systematiek van de Wet gemeentelijke
taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen de Minister van Justitie en Veiligheid
die bepaalde bevoegdheden krijgt. Daarnaast krijgt het college van burgemeester en
wethouders van een aangewezen gemeente een taak in medebewind opgelegd voor een bepaald
aantal plaatsen. De raad heeft, gegeven dat bepaalde aantal, een taak daarvoor zo
nodig besluiten te nemen. Maar die besluiten zien niet op de vraag of, en zo ja, hoeveel
opvangvoorzieningen de gemeente wenst te leveren. Op het uitoefenen van deze taak
is het interbestuurlijk toezicht van toepassing. Mocht het grondwetsvoorstel in tweede
lezing worden aangenomen en bekrachtigd, dan zal er geen bindend gemeentelijk of provinciaal
referendum gehouden kunnen worden over de verdeling van opvangplaatsen voor asielzoekers.
De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
H.M. de Jonge