Inleiding
De fractieleden van de VVD hebben met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag.2 Dit heeft deze fractieleden aanleiding gegeven tot het maken van de volgende opmerkingen
en het stellen van de volgende vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
In de nota naar aanleiding van het verslag staat beschreven dat op dit moment zo’n
50.000 studenten aan een deeltijds of duale opleiding gebaseerd op eenheden van leeruitkomsten
deelnemen.3 De fractieleden van de VVD vragen de regering wat het slagingspercentage van de studenten is die behoren tot
deze groep. Wijken deze slagingspercentages af van de slagingspercentages van studenten
die het reguliere traject volgen?
De fractieleden van de VVD vragen verder hoeveel studenten volgens de regering naar
verwachting zullen kiezen voor het flexibele onderwijsprogramma mocht deze wet worden
aangenomen, met andere woorden: hoe groot is in potentie de doelgroep studenten die
aan een opleiding gebaseerd op leeruitkomsten kunnen deelnemen?
Ook vragen de fractieleden van de VVD aan welke instapeisen een student dient te voldoen,
mocht de student geïnteresseerd zijn in het volgen van het onderwijsprogramma op basis
van leeruitkomsten in het hoger onderwijs. Is er een minimale norm?
De fractieleden van de VVD vragen daarnaast aan welke eisen een onderwijsinstelling
dient te voldoen, mochten studenten geïnteresseerd zijn in het volgen van het flexibele
onderwijsprogramma. Kunnen private onderwijsinstellingen ook flexibele onderwijsprogramma’s
aanbieden?
De fractieleden van de VVD vragen voorts welke verschillen de regering voorziet tussen
onderwijsinstellingen bij de uitvoering van deze wet. En welke handvatten acht de
regering nodig om de onderwijsinstellingen mee te voorzien?
Is de regering het vervolgens met de fractieleden van de VVD eens dat een «toolkit
valideren bewijsmateriaal» (vergelijkbaar met het MBO) voor de implementatie van deze
wet bijdraagt aan de stabiliteit en het houvast voor hoger onderwijsinstellingen en
studenten?
Daaropvolgend stellen de fractieleden van de VVD dat voor de student aan het begin
van het traject het eindniveau vaststaat. De fractieleden van de VVD vragen in hoeverre
daarvan kan worden afgeweken.
Is de regering het verder met de fractieleden van de VVD eens dat een deel van de
studenten behoefte heeft aan structuur, waar het onderwijsprogramma op basis van leeruitkomsten
mogelijk niet de structuur biedt die nodig is, met mogelijk uitval of studievertraging
tot gevolg? In hoeverre kan het onderwijsprogramma op basis van leeruitkomsten volgens
de regering (voldoende) structuur bieden aan de student?
De fractieleden van de VVD vragen bovendien hoe docenten worden opgeleid om hun rol
goed uit te oefenen. Wat betekent dit voor de werkdruk (andere rol en meer individuele
begeleiding) van de docent? Hoe wordt eventuele grotere werkdruk opgevangen: zonder
dat de kans op uitval groter wordt; zonder dat de kans op uitstroom groter wordt;
en zonder dat de kwaliteit van hun werk (ook ten behoeve van studenten die een regulier
programma volgen) vermindert.
In de beantwoording van de schriftelijke vragen in het verslag schrijft de regering
dat eenheden van leeruitkomsten voor zij-instromers geschikter zijn dan voor een initiële
student.4 De fractieleden van de VVD vragen ten slotte hoe de regering ervoor zorgt dat juist
de student die hiervoor geschikt is de mogelijkheden kent om een opleiding te kiezen
waar gewerkt wordt met eenheden van leeruitkomsten.
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ziet de nota naar aanleiding
van het tweede verslag – bij voorkeur voor het einde van het zomerreces van de Kamer
– met belangstelling tegemoet.
De voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Rietkerk
De griffier van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dragstra