36 125 Voorstel van wet van het lid Sneller tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister met betrekking tot de uitoefening van de taken en bevoegdheden van het openbaar ministerie en enkele daarmee verband houdende wijzigingen (Wet verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid openbaar ministerie)

G NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET TWEEDE VERSLAG

Ontvangen 23 juni 2026

Inleiding

De initiatiefnemer dankt de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid voor het tweede verslag dat zij heeft uitgebracht bij het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie in verband met het laten vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. Met veel belangstelling heeft de initiatiefnemer kennisgenomen van de opmerkingen en vragen van de leden van de fracties van de PVV, BBB en Fractie-Beukering. De oorspronkelijke tekst van het verslag, met uitzondering van de vragen die enkel zijn gesteld aan de regering, is opgenomen in deze nota en is cursief weergegeven. Na de passages met vragen en opmerkingen uit het verslag volgt telkens de reactie van de initiatiefnemer.

De commissie voor Justitie en Veiligheid heeft met belangstelling kennisgenomen van de nota naar aanleiding van het verslag1 over het initiatiefvoorstel strekkende tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie (hierna: Wet RO) waardoor de bevoegdheden die de Minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de Minister) heeft om zich te mengen in individuele strafzaken van het openbaar ministerie (hierna: OM) worden aangepast.

De leden van de fractie van de PVV wensen naar aanleiding daarvan enkele nadere opmerkingen te maken en vragen voor te leggen aan de initiatiefnemer en/of de regering. De fractieleden van de BBB en Fractie-Beukering sluiten zich aan bij de gestelde vragen.

Vragen en opmerkingen van de leden van de fractie van de PVV

Ambtelijke voorbereiding en escalatielijnen

De fractieleden van de PVV vragen de regering welk concreet escalatiepad openstaat voor de Minister wanneer hij signalen ontvangt dat het OM in een gevoelige zaak onrechtmatig of politiek riskant handelt, maar een individuele zaak nog niet onherroepelijk is afgedaan.

Is de initiatiefnemer bereid alsnog nader onderzoek te laten verrichten naar de interne procedures, gezien het erkende gebrek aan volledig zicht hierop?

De initiatiefnemer dankt de leden van de PVV-fractie voor hun vragen. De initiatiefnemer ziet geen aanleiding binnen de reikwijdte van dit wetsvoorstel voor een nader onderzoek naar de interne procedures. Het wetsvoorstel beoogt niet de interne werkwijze van het OM integraal te herzien, maar uitsluitend de verhouding tussen de Minister en het OM in individuele strafzaken aan te passen. De initiatiefnemer onderkent dat niet alle informele contacten en interne afwegingen volledig reconstrueerbaar zijn. Juist dat gegeven ondersteunt volgens hem de noodzaak om de formele bijzondere aanwijzingsbevoegdheid te laten vervallen en de inlichtingenplicht ten aanzien van concrete zaken te beperken.

Voor zover de Kamer of de regering aanleiding ziet om de interne kwaliteitsborging of escalatielijnen binnen het OM nader te onderzoeken, staat dat los van de beoordeling van dit initiatiefwetsvoorstel.

Aanpassingen in werkafspraken en communicatiestructuren

Is onderzocht in hoeverre de dreiging van een formele aanwijzing invloed heeft gehad op de informele gespreksstructuren tussen het ministerie en het OM, en hoe die structuren veranderen nu die stok achter de deur wegvalt, zo vragen de leden van de PVV aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Initiatiefnemer onderschrijft de waarneming dat het bestaan van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid invloed kan hebben op de verhouding tussen de Minister het OM in informele gespreksstructuren, ook wanneer van die bevoegdheid geen gebruik wordt gemaakt. De bijzondere aanwijzingsbevoegdheid hangt immers als «zwaard van Damocles» boven het hoofd van het OM tijdens deze gesprekken. Wanneer sprake is van een verschil van inzicht tussen het OM en de Minister, kan het OM zich immers in een vroeg stadium geneigd voelen te schikken naar de wens van de Minister, omdat anders een formele aanwijzing kan volgen. Gezien het informele en persoonlijke karakter van deze gesprekken is niet vast te stellen hoe vaak een dergelijke «dreiging» heeft plaatsgevonden, omdat hierover geen objectieve gegevens beschikbaar zijn. De initiatiefnemer acht het echter aannemelijk dat met het vervallen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid ook een meer gelijkwaardige verhouding tussen het OM en de Minister wordt bewerkstelligd. Daarmee wordt de onafhankelijke positie van het OM versterkt en neemt het risico af dat in informele gesprekken druk wordt uitgeoefend met de bijzondere aanwijzing als stok achter de deur. Initiatiefnemer acht dit een positieve ontwikkeling die de onafhankelijkheid van het OM bestendigt.

Toezicht op het OM in individuele zaken

De fractieleden van de PVV constateren dat geen van de genoemde toezichtsmechanismen een proactief corrigerend karakter heeft jegens lopende individuele strafzaken. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer dit democratisch-constitutionele tekort?

Het doel van het onderhavige initiatiefwetsvoorstel ziet op het vergroten van de onafhankelijkheid van het OM in individuele strafzaken en het beperken van het risico op politieke bemoeienis vanuit de Minister. Tegen deze achtergrond is initiatiefnemer van oordeel dat een proactieve corrigerende rol van de Minister ten aanzien van lopende individuele strafzaken niet verenigbaar is met de doelstelling van dit wetsvoorstel en daarom onwenselijk moet worden geacht. Binnen het OM bestaan reeds voldoende checks and balances en toezichtmechanisme om de werkwijze van het OM te controleren. Initiatiefnemer is van mening dat hierin geen rol is weggelegd voor de Minister zodat politieke inmenging kan worden voorkomen. De voorliggende wetswijziging versterkt dan ook de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van het OM om onze democratische rechtsstaat te versterken.

Hoe verhoudt de combinatie van deze mechanismen zich tot situaties waar het maatschappelijk belang van een strafzaak zodanig groot is dat het parlement toch ministerieel ingrijpen zou verlangen, zo vragen de leden van de PVV aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Initiatiefnemer ziet tot op heden geen maatschappelijk belang dat zal rechtvaardigen dat een Minister ingrijpt in een individuele strafzaak en het OM een opdracht geeft tot vervolging- of niet vervolging. Dit wordt bestendigd door de huidige praktijk waarin de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid niet door Ministers wordt ingezet en Ministers geen uitspraken door over lopende strafzaken. Daar tegenover staat echter het maatschappelijk belang en de toenemende noodzaak van een onafhankelijk OM in onze democratische rechtsstaat en het versterken van constitutionele waarborgen. Initiatiefnemer is van mening dat de rechtsstaat geen rustig bezit is, maar voortdurend om bescherming en onderhoud vraagt. Ook in Nederland is een trend te ontdekken waarbij de scheiding der machten onder druk is komen te staan. Initiatiefnemer wijst in dit verband onder meer op de verschuivende politieke, maatschappelijke en constitutionele normen, waarbij de maatschappelijke en politieke druk op strafzaken is toegenomen. Initiatiefnemer acht het, gezien deze ontwikkelingen, van groot maatschappelijk belang om de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister te herzien om onze democratische rechtsstaat te versterken.

Uitvoeringskosten

Over uitvoeringskosten stellen de leden van de PVV-fractie de volgende vragen aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Is een formele uitvoeringstoets of bedrijfseffectentoets uitgevoerd? Zo nee, waarom niet, gezien de vereisten van artikel 3.1 sub c van de Comptabiliteitswet?

Het onderhavige wetsvoorstel wijzigt de staatsrechtelijke verhouding tussen de Minister en het OM in individuele lopende zaken. De kern daarvan is dat de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid vervalt, dat het OM onafhankelijker van de politiek kan functioneren. Het schrappen van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid brengt minimale financiële gevolgen met zich mee. Als gevolg van het onderhavige wetsvoorstel dient het Reglement van Orde van het College van procureurs-generaal te worden aangepast. Via een wetsvoorstel kunnen regelingen die door een ander orgaan dan de wetgever moeten worden aangepast niet worden gewijzigd. Ook moeten beleidsregels die eisen dat voornemens tot vervolging worden voorgelegd aan de Minister, voor zover zij geen uitwerking zijn van een wettelijk voorschrift, worden aangepast. De financiële gevolgen van het voorstel zijn zeer beperkt zodat door de initiatiefnemer geen aanleiding is gezien voor het uitvoeren van een afzonderlijke uitvoeringstoets of bedrijfseffectentoets. Uit de consultatie van het OM, Nederlandse Orde van Advocaten en de Wetenschappelijke Commissie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak zijn dan ook geen bijkomende financiële gevolgen van het onderhavige voorstel van wet naar voren gekomen.

Heeft het OM expliciet bevestigd dat geen bijscholing, procedurele aanpassingen of aanpassingen van ICT-systemen nodig zijn na inwerkingtreding?

Het OM is geconsulteerd over het onderhavige wetsvoorstel en heeft daarbij de gevolgen voor de organisatie kenbaar kunnen maken. Daarbij is niet naar voren gekomen dat er bijscholing, procedure aanpassingen of aanpassingen van ICT-systemen nodig zijn na inwerkingtreding naar aanleiding van het schrappen de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid met het onderhavige wetsvoorstel. Dat sluit aan bij de reeds bestaande praktijk waarbij de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid niet wordt ingezet. Initiatiefnemer heeft dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat er kosten voor bijscholing, procedurele aanpassingen of aanpassingen van ICT-systemen moeten worden gemaakt.

Rechtsbescherming bij onzorgvuldig OM-optreden

Op welke wijze kan een burger of bedrijf, dat meent slachtoffer te zijn van een ongegronde of disproportionele vervolging, sneller een correctie afdwingen dan via de huidige reactieve wegen,2 zo vragen de leden van de PVV-fractie aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Het onderhavige wetsvoorstel introduceert geen nieuwe procedures voor burgers of bedrijven om de tegen hen ingestelde vervolging te laten toetsen op gegrondheid of proportionaliteit. Het voorstel ziet op de staatsrechtelijke verhouding tussen de Minister en het OM in individuele strafzaken. De bestaande rechtsmiddelen en rechterlijke toetsingsmogelijkheden blijven onverkort van kracht. Met het wetsvoorstel tracht de initiatiefnemer juist te voorkomen dat een ongegronde of disproportionele vervolging kan worden ingegeven of beïnvloed door de Minister. Indien een burger of bedrijf meent dat sprake is van een ongegronde of disproportionele vervolging, behoort de beoordeling daarvan plaats te vinden binnen de strafrechtelijke procedure en door de onafhankelijke rechter, aan de hand van juridische criteria en de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarnaast bestaan ook andere waarborgen, zoals de interne hiërarchie binnen het OM, de toezichtsfunctie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad en, voor zover het gaat om behoorlijkheidsklachten over het optreden van het OM, de mogelijkheid om zich tot de Nationale ombudsman te wenden. Deze waarborgen bieden rechtsstatelijke controle zonder dat een politiek ambtsdrager kan ingrijpen in een individuele strafzaak.

Heeft de initiatiefnemer overwogen aanvullende rechtsbeschermingsmaatregelen voor te stellen, parallel aan dit wetsvoorstel?

De initiatiefnemer erkent het belang van effectieve rechtsbescherming voor burgers en ondernemingen die strafrechtelijk worden vervolgd. Ook is hij zich bewust van de discussie die hierover in uw Kamer speelt. Tegelijkertijd is initiatiefnemer van oordeel dat het Nederlandse rechtssysteem reeds voorziet in diverse waarborgen die bijdragen aan een zorgvuldige toetsing van het optreden van het OM. Naast de mogelijkheid van een artikel 12-procedure bij een beslissing tot niet-vervolging, beschikt de rechter over voldoende mogelijkheid om de rechtmatigheid, proportionaliteit en zorgvuldigheid van het optreden van het OM te beoordelen. Daarnaast wijst de initiatiefnemer op de bijzondere toezichtsfunctie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Deze heeft op grond van artikel 122 Wet RO een toezichthoudende taak ten aanzien van het openbaar ministerie, voor zover dat nodig is voor een goede taakuitoefening door het OM. Deze toezichtstaak vormt een aanvullende, onafhankelijke waarborg binnen het stelsel. Ook kan een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman over de wijze waarop het openbaar ministerie zich jegens een burger of bedrijf heeft gedragen. De ombudsman kan beoordelen of het OM behoorlijk heeft gehandeld en daarover een oordeel geven of aanbevelingen doen. De initiatiefnemer benadrukt daarbij dat het OM ook intern een stelsel van checks and balances kent. Tegen deze achtergrond heeft de initiatiefnemer niet overwogen om in het kader van dit wetsvoorstel aanvullende maatregelen voor te stellen. De reikwijdte van het voorliggende wetsvoorstel beperkt zich immers tot het schrappen de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de Minister om zodanig de onafhankelijkheid van het OM te versterken. Initiatiefnemer is van oordeel dat niet door het vervallen daarvan de noodzaak van compenserende maatregelen ontstaat.

Juridische lacunes in andere wetgeving

Is door de initiatiefnemer een systematische inventarisatie uitgevoerd van alle wet- en regelgeving die expliciet of impliciet verwijst naar de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid of de gezagsrelatie tussen de Minister en het OM, en zo nee, waarom niet?

Door de initiatiefnemer is een inventarisatie uitgevoerd van de wet- en regelgeving die samenhangt met de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid. In verscheidene wettelijke bepalingen wordt een grondslag gecreëerd voor informatie-uitwisseling of betrokkenheid van de Minister in concrete zaken. De initiatiefnemer heeft daarvan een niet-limitatieve opsomming gegeven. Ter illustratie wijst de initiatiefnemer naar artikel 9, tweede lid, Uitleveringswet en artikel 9, derde lid, Overleveringswet. In die bepalingen wordt aan de Minister een specifieke bevoegdheid gegeven om de vervolging te staken om zo de mogelijkheden te vergroten om tot uitlevering of overlevering over te gaan. Het gaat hier zodoende niet om een toepassing van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid uit artikel 127 Wet RO, maar om eigenstandige bevoegdheden in de Uitleveringswet en de Overleveringswet. Die bevoegdheden blijven bestaan. Daarom is in artikel 129 Wet RO ook voorzien in de clausulering dat inlichtingen over een concreet geval nog steeds kunnen worden verstrekt voor zover dit uit enig wettelijk voorschrift voortvloeit.

Kan de initiatiefnemer aangeven in hoeverre de Wet RO na dit voorstel nog intern consistent is, met name wat betreft de artikelen 127 en 128 die de gezagsstructuur beschrijven?

Initiatiefnemer is van oordeel dat het wetsvoorstel geen afbreuk doet aan de interne consistentie van de Wet RO. Integendeel, het voorstel brengt de wetgeving juist beter in overeenstemming met de reeds bestendigde praktijk, waarbij Ministers hebben aangegeven geen gebruik te willen maken van de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid in individuele strafzaken. Daarbij behoudt de Minister de bevoegdheid tot het geven van een algemene aanwijzing aan het OM zoals opgenomen in artikel 127 Wet RO. De Minister blijft daarmee stelselverantwoordelijk voor het handelen van het OM. Het onderhavige wetsvoorstel doet daar niet aan af en brengt de wettekst in lijn met de gezagsrelatie tussen de Minister het OM in de praktijk.

Overkoepelende verdiepingsvraag

Tot slot stellen de leden van de PVV-fractie nog enkele overkoepelende vragen aan zowel de regering als de initiatiefnemer.

Wie is de eindverantwoordelijke instantie wanneer het OM aantoonbaar faalt in een individuele zaak met grote publieke impact, maar geen van de bestaande mechanismen snel genoeg of met voldoende gezag kan ingrijpen? Hoe is dit democratisch verankerd zonder de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid?

De initiatiefnemer acht het van belang hier onderscheid te maken tussen verantwoordelijkheid voor een individuele strafzaak en verantwoordelijkheid voor het stelsel waarbinnen het OM opereert. Voor het handelen in een individuele strafzaak ligt de verantwoordelijkheid primair bij het OM zelf, binnen de interne hiërarchie van het OM en onder leiding van het College van procureurs-generaal. Wanneer een zaak aan de rechter wordt voorgelegd, is het vervolgens aan de onafhankelijke rechter om het optreden van het OM te toetsen. Die rechter kan beoordelen of het OM binnen de grenzen van de wet en de beginselen van een behoorlijke procesorde is gebleven.

Daarnaast wijst de initiatiefnemer op de bijzondere toezichtsfunctie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Deze heeft op grond van artikel 122 Wet RO een toezichthoudende taak ten aanzien van het openbaar ministerie, voor zover dat nodig is voor een goede taakuitoefening door het OM. Deze toezichtstaak vormt een aanvullende, onafhankelijke waarborg binnen het stelsel. Zij is echter niet bedoeld als politiek sturingsinstrument in lopende individuele strafzaken, maar als rechtsstatelijk toezicht op het functioneren van het OM. Ook kan in voorkomende gevallen een klacht worden ingediend bij de Nationale ombudsman over de wijze waarop het openbaar ministerie zich jegens een burger of bedrijf heeft gedragen. De ombudsman kan beoordelen of het OM behoorlijk heeft gehandeld en daarover een oordeel geven of aanbevelingen doen. Ook die route is echter geen vervanging van rechterlijke toetsing in de strafzaak zelf en is niet bedoeld om een lopende vervolgingsbeslissing politiek of bestuurlijk te corrigeren. De Minister is en blijft verantwoordelijk voor het functioneren van het OM als organisatie en voor het algemene opsporings- en vervolgingsbeleid. Die verantwoordelijkheid is democratisch verankerd doordat de Minister daarop door het parlement kan worden aangesproken. De Minister behoudt bovendien de bevoegdheid om algemene aanwijzingen te geven, te sturen op de financiering van het OM en wet- en regelgeving vast te stellen (soms) tezamen met de Staten-Generaal waarmee de kaders voor het OM worden bepaald. Wat met dit wetsvoorstel juist wordt uitgesloten, is dat de Minister als politiek ambtsdrager de eindverantwoordelijkheid draagt voor de uitkomst of procesvoering in één lopende individuele strafzaak. De initiatiefnemer acht dat geen gebrek in de democratische verankering, maar een noodzakelijke begrenzing daarvan. In een weerbare democratische rechtsstaat behoort naar zijn oordeel politieke verantwoordelijkheid niet zo ver te reiken dat zij kan omslaan in politieke zeggenschap over de vervolging van individuele burgers of bedrijven.


X Noot
1

Kamerstukken I 2025/26, 36 125, D.

X Noot
2

Artikel 12 Wetboek van Strafvordering.

Naar boven