Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juni 2022
Op 23 mei 2022 heeft de Koning het wetsvoorstel tijdelijke onderwijsvoorzieningen
bij massale toestroom van ontheemden bij de Tweede Kamer ingediend. Dat wetsvoorstel
heeft als voornaamste doelstelling het (recht op) onderwijs van leerplichtige Oekraïense
kinderen juridisch te borgen. Daartoe maakt het wetsvoorstel het mogelijk om als onderdeel
van bestaande scholen tijdelijke onderwijsvoorzieningen in te richten waarbinnen een
afwijkend onderwijskundig regime kan gelden. Voor de regering heeft dit wetsvoorstel
de grootst mogelijke prioriteit. Gisteren heeft de Vaste commissie voor onderwijs
van de Tweede Kamer het verslag vastgesteld en vandaag zal de regering middels de
nota naar aanleiding van het verslag op dit verslag reageren.
Indien de Tweede Kamer besluit het wetsvoorstel op enig moment in de nabije toekomst
aan te nemen en aan uw Kamer te zenden, verzoek ik u om het wetsvoorstel zo spoedig
mogelijk te behandelen. Eerder deed ik dit verzoek ook aan de voorzitter van de Tweede
Kamer. Daarbij hoop ik zeer dat u bereid bent in uw planning rekening te houden met
een volledige behandeling van het wetsvoorstel voor de start van het zomerreces. De
spoedeisendheid van dit wetsvoorstel vloeit voort uit het grote belang dat het onderwijs
inneemt in de levens van ontheemde Oekraïense kinderen en de op de wetgever rustende
verplichting om de kwaliteit van dit onderwijs op eenduidige wijze te borgen.
Sinds het begin van het conflict in Oekraïne worden scholen geconfronteerd met een
grote instroom van Oekraïense leerlingen. Als gevolg van die instroom zijn door heel
het land initiatieven ontwikkeld om ieder kind een onderwijsplek te kunnen (blijven)
bieden. Het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel geeft scholen de ruimte om
daarbij van de geldende onderwijswet- en regelgeving af te wijken. Gelijktijdig uniformeert
het wetsvoorstel het juridisch kader waarbinnen het onderwijs aan ontheemde kinderen
vorm moet krijgen. Op deze wijze wordt aan zowel scholen als leerlingen de rechtszekerheid
geboden die zo wezenlijk is in het garanderen van de toegankelijkheid van het onderwijs,
terwijl ook aan scholen ruimte wordt gelaten om op de lokale omstandigheden toegesneden
maatwerkoplossingen te bieden, zonder daarbij de vereiste kwaliteit van het onderwijs
uit het oog te verliezen. Om al deze doelstellingen te kunnen realiseren is het noodzakelijk
dat het wetsvoorstel voor de start van het nieuwe schooljaar op 1 augustus in werking
kan treden.
In aanvulling op het voorgaande hecht ik eraan op te merken dat in het wetsvoorstel
zoals dat aan de Raad van State is voorgelegd ook een interventiebevoegdheid richting
gemeenten was opgenomen. De regering ziet het als haar primaire verantwoordelijkheid
om te verzekeren dat onder alle omstandigheden, voor alle leerlingen, ook voor hen
die hun tijdelijke toevlucht tot Nederland zoeken, een onderwijsplaats beschikbaar
is. Daartoe heeft de regering onderzocht of het behulpzaam kon zijn om als ultimum remedium een interventiebevoegdheid in het wetsvoorstel op te nemen, waarmee zo nodig aan
gemeenten de opdracht kon worden gegeven het aantal onderwijsplaatsen uit te breiden.
Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State is dit onderdeel uit het
wetsvoorstel gehaald en regelt het wetsvoorstel dat bij de Tweede Kamer is ingediend
alleen de voor al het onderwijs aan Oekraïense kinderen onontbeerlijke juridische
grondslag. De regering achtte deze wijziging in het wetsvoorstel mogelijk omdat gemeenten
en schoolbesturen nog altijd in staat zijn, soms met uiterste inspanningen, voor een
ieder een onderwijsplek te organiseren. Ook zijn zij nog steeds bereid die uiterste
inspanning te leveren. De grote snelheid en creativiteit waarmee dit gebeurt zijn
indrukwekkend. Het is evenwel van belang dat die inspanningen ook in de komende maanden
geleverd blijven worden. Dit wetsvoorstel beoogt daarvoor de juridische ondersteuning
te bieden.
De Minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs, A.D. Wiersma