36 081 Regels over het voortduren van de werking van de artikelen 2c en 4 van de Wet verplaatsing bevolking en tot wijziging van die wet (Voortduringswet artikelen 2c en 4 Wvb)

C NADER VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIES VOOR JUSTITIE EN VEILIGHEID1 EN VOOR IMMIGRATIE & ASIEL / JBZ-RAAD2

Vastgesteld 20 december 2022

De memorie van antwoord3 heeft de commissies voor Justitie en Veiligheid en Immigratie & Asiel/JBZ-Raad aanleiding gegeven tot het stellen van de volgende vragen.

1. Inleiding

De leden van de fractie van de PVV hebben kennisgenomen van de antwoorden van de regering en hebben nog de volgende vervolgvragen.

2. Tijdelijke wet

De leden van de PVV-fractie geven aan dat de regering in de memorie van antwoord het volgende stelt: «Mijn departement bereidt daarom een voorstel voor een tijdelijke wet voor tot opvolging van de in werking gestelde noodwettelijke bepalingen, zo antwoord ik ook de leden van de PVV-fractie. De VNG en de veiligheidsregio’s zijn daarbij betrokken. Dit wetsvoorstel sluit aan bij de taak die gemeenten uit hoofde van de inwerkingstelling van de artikelen 2c en 4 van de Wvb hebben gekregen en wordt op korte termijn in consultatie gegeven.»4

De leden hebben daarbij de volgende vragen. Kan de regering aangeven wat de strekking van deze tijdelijke wet zal zijn? Kan de regering volstrekt uitsluiten dat de op dit moment niet-geactiveerde bepalingen uit de Wet verplaatsing bevolking (Wvb) in deze tijdelijke wet worden opgenomen of dat deze tijdelijke wet de mogelijkheid biedt om per algemene maatregel van bestuur (AMvB) in dergelijke bepalingen te kunnen voorzien? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke noodwettelijke bepalingen overweegt de regering eventueel wel op te nemen? Kan de regering bovendien aangeven hoe een dergelijke «tijdelijke wet» zich verhoudt tot het spoedeisende karakter van het staatsnoodrecht en wordt bij die tijdelijkheid ook een maximale termijn voorzien?

Kan de regering voorts aangeven wat de rol en betrokkenheid van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de veiligheidsregio’s zijn bij het totstandkomen van deze tijdelijke wet en op basis van welke formele taakopvatting en mandaat? Kan de regering daarbij aangeven hoe deze organisaties in die hoedanigheid controleerbaar zijn voor het parlement? In hoeverre leggen zij over deze betrokkenheid bij het wetgevingsproces verantwoording af aan de gemeenteraden? En hoe is de positie van de VNG als privaatrechtelijke organisatie, die hierdoor onder andere ook niet gebonden is aan de transparantieverplichtingen uit de Wet open overheid (Woo), te rijmen met deze rol?

Eveneens stelt de regering over de veiligheidsregio’s: «dat elke voorzitter na afloop van een crisis van meer dan plaatselijke betekenis schriftelijk verslag uitbrengt aan de raden van de getroffen gemeenten over het verloop van de gebeurtenissen en de besluiten die hij heeft genomen. De wijze waarop dat gebeurt is dwingend voorgeschreven in de Wet veiligheidsregio’s. Dat zal ook in het onderhavige geval gebeuren.»5

Kan de regering, gelet op het voor langere tijd voortduren van deze crisis, aangeven wat in dit kader kan worden gezien als «na afloop van een crisis»? Is er gelet op deze lange termijnen te voorzien in een eerder of tussentijds moment waarin gemeenteraden een schriftelijk verslag kunnen ontvangen, zodat zij hun controlerende taak op de veiligheidsregio’s kunnen uitoefenen? Zo nee, waarom niet?

3. Tijdelijke verblijfsvergunning

De leden van de PVV-fractie merken op dat de regering in de memorie van antwoord het volgende aangeeft: «voor derdelanders met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne is op 18 juli 2022 aangekondigd dat de tijdelijke bescherming in Nederland wordt beëindigd, mede gelet op het feit dat zij veelal veilig kunnen terugkeren naar het land van herkomst. Deze wijziging is inmiddels neergelegd in het Voorschrift Vreemdelingen. Daardoor komen vreemdelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne die op 19 juli 2022 nog niet waren ingeschreven in de Basisregistratie personen (hierna: de BRP) niet meer in aanmerking voor tijdelijke bescherming.»6

Kan de regering aangeven hoe groot deze groep is, in hoeverre deze groep na 19 juli 2022 nog gebruikt maakt van Nederlandse opvangvoorzieningen en in hoeverre deze groep derdelanders al is teruggekeerd naar het land van herkomst? In hoeverre wordt door de regering actief ingezet om deze groep derdelanders zo snel mogelijk te laten terugkeren naar het land van herkomst?

Voorts geeft de regering aan: «Voor vreemdelingen met een tijdelijke verblijfsvergunning die op 19 juli 2022 wél waren ingeschreven in de BRP geldt dat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2023 eindigt.»7

Kan de regering aangeven hoe groot deze groep is en of er na 4 maart 2023 ook daadwerkelijk geen opvangvoorzieningen meer door Nederland aan hen worden verstrekt? Gaat de regering deze groep derdelanders dan ook zo snel mogelijk laten terugkeren naar het land van herkomst?

4. Inzet opvangplaatsen en -locaties

De regering stelt in de memorie van antwoord: «Dat laat onverlet dat het mogelijk is dat zij opvangplaatsen die oorspronkelijk zijn vrijgemaakt voor de opvang van ontheemden, vrijwillig en op basis van bestuurlijke afspraken ter beschikking stellen aan het COA om reguliere asielzoekers op te vangen. Dit is echter geen juridische verplichting en staat ook los van de in werking gestelde bepalingen uit de Wvb.»8 De regering bevestigt hiermee dat opvangplaatsen die in het kader van de inzet van de Wvb zijn vrijgemaakt, worden ingezet voor reguliere opvang door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) en dat er daarmee sprake is van een overcapaciteit voor opvang van ontheemden uit Oekraïne, aldus de leden van de PVV-fractie.

Kan de regering gelet op die omstandigheid duiden hoe de voortdurende inzet van staatsnoodrecht voor het aanwijzen van opvangplaatsen en het voorbereiden van een tijdelijke wet dan nog gerechtvaardigd is? Kan de regering aangeven op welke «bestuurlijke afspraken» zij specifiek doelt?

De regering stelt verder dat de aan het COA beschikbaar gestelde opvangplaatsen los staan van de bepalingen uit de Wvb: zonder de inzet van de Wvb waren deze plaatsen echter niet als zodanig beschikbaar geweest. Kan de regering aangeven om hoeveel opvangplaatsen dit gaat en op welke specifieke locaties? Kan de regering uitsluiten dat via de verdere voortduring van de Wvb en de voorziene tijdelijke wet op soortgelijke wijze opvangplaatsen voor Oekraïense ontheemden uiteindelijk ook aan het COA voor reguliere opvang worden aangeboden? Zo nee, waarom niet?

Ook worden in dit kader gecombineerde huisvestingslocaties door gemeenten gecreëerd voor ontheemde Oekraïners én statushouders, zoals in een hotel in Waalwijk.9 Kan de regering aangeven in hoeverre het passend is binnen de kaders van de inzet van de Wvb om deze opvanglocaties ook te gebruiken voor huisvesting van statushouders?

5. Besteding rijksbijdrage voor opvang

De leden van de PVV-fractie lezen dat sommige gemeenten vele miljoenen overhouden van de rijksbijdrage voor de opvang van Oekraïners. In de gemeente Oss bedraagt dit bijvoorbeeld maar liefst 6 miljoen euro, die vervolgens besteed wordt aan de opvang van andere (toekomstige) groepen asielmigranten.10

Kan de regering aangeven of deze besteding passend is bij de aard van de compensatie aan gemeenten en wordt op deze manier niet via de regelingen vanuit de Wvb meebetaald aan reguliere asielopvang (al dan niet op de langere termijn)?

6. Behandeling wet Eerste Kamer

De leden van de PVV-fractie lezen dat de regering over de wijzigingen van de Wvb het volgende stelt: «De voorgestelde wijzigingen kunnen bovendien niet worden uitgesteld, omdat het ongewijzigd laten van deze bepalingen betekent dat zij moeten worden uitgevoerd terwijl evident is dat deze bepalingen niet uitvoerbaar zijn. Zo verplicht artikel 12 van de Wvb ertoe dat bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld op welke wijze gemeenten worden gecompenseerd in de door hen gemaakte kosten. Deze uit 1952 stammende bepaling heeft zowel nu als in de toekomst elke functie verloren, nu de Financiële-verhoudingswet en Algemene wet bestuursrecht inmiddels voorschrijven hoe deze compensatie moet worden vormgegeven. Het is daarom noodzakelijk dat deze bepalingen nu worden gewijzigd.»11 Gelet op het karakter van de voortduringswet moet het parlement in alle vrijheid de gelegenheid hebben om de voortduring van de Wvb-bepalingen te stoppen door de voortduringswet te verwerpen. Nu de regering deze wijzigingen noodzakelijk verklaart, legt dit een onnodige last op de behandeling en stemming van de voortduringswet Wvb in de Eerste Kamer.

Kan de regering op dit punt reflecteren? Kan de regering aangeven wat haar scenario’s zijn om alsnog deze volgens de regering noodzakelijke wijzigingen tot stand te kunnen brengen indien de Eerste Kamer besluit de voorliggende voortduringswet Wvb te verwerpen?

De leden van de vaste commissies voor Justitie en Veiligheid en Immigratie & Asiel/JBZ-Raad zien de nadere memorie van antwoord – bij voorkeur binnen vier weken – met belangstelling tegemoet.

De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, De Boer

De voorzitter van de vaste commissie voor Immigratie & Asiel/JBZ-Raad, Faber-Van de Klashorst

De griffier voor het verslag, Van Dooren


X Noot
1

Samenstelling:

Backer (D66), De Boer (GL) (voorzitter), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Rombouts (CDA), Baay-Timmerman (50PLUS), Van den Berg (VVD), arbouw (VVD), Bezaan (PVV), De Blécourt-Wouterse (VVD), Dittrich (D66), Doornhof (CDA), Janssen (SP), Karimi (GL), Meijer (VVD), Nicolaï (PvdD), Otten (Fractie-Otten) (ondervoorzitter), Recourt (PvdA), Rietkerk (CDA), Veldhoen (GL), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU), Hiddema (Fractie-Frentrop) en Krijnen (GL).

X Noot
2

Samenstelling:

Kox (SP), Koffeman (PvdD), Faber-Van de Klashorst (PVV) (voorzitter), De Boer (GL), Van Dijk (SGP), Van Hattem (PVV), Jorritsma-Lebbink (VVD), Oomen-Ruijten (CDA), Rombouts (CDA), Stienen (D66) (ondervoorzitter), Van Rooijen (50PLUS), Van den Berg (VVD), De Blécourt-Wouterse (VVD), Doornhof (CDA), Karimi (GL), Veldhoen (GL), Vos (PvdA), De Vries (Fractie-Otten), Keunen (VVD), Dittrich (D66), Van Wely (Fractie-Nanninga), Nanninga (Fractie-Nanninga), Raven (OSF), Karakus (PvdA), Talsma (CU) en Hiddema (Fractie-Frentrop).

X Noot
3

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B.

X Noot
4

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 2.

X Noot
5

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 8.

X Noot
6

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 3.

X Noot
7

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 3.

X Noot
8

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 4.

X Noot
11

Kamerstukken I 2022/23, 36 081, B, p. 9.

Naar boven