35 925 VI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2022

AM BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN EN KONINKRIJKRELATIES

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 februari 2024

Op 31 mei 2022 vond het debat Staat van de Rechtstaat plaats in de Eerste Kamer der Staten-Generaal. Hier deed de Minister van Justitie en Veiligheid (JenV) een toezegging aan senator Nicolaϊ (PvdD) met betrekking tot de vraag of de Nederlandse regering bereid is om de aan oud-premier Hendrikus Colijn verleende Militaire Willems-orde (MWO) in te trekken.1 Deze ontving de heer Colijn voor zijn rol in het koloniale leger en het koloniale bestuur tussen 1894 en 1903.

Met deze brief deel ik met u, mede namens de Minister van Defensie, hierbij de schriftelijke afdoening van deze toezegging. In deze brief zet ik uiteen welke onderscheidingen de heer Colijn heeft ontvangen, de context waarin deze onderscheidingen zijn uitgereikt en het antwoord op de betreffende vraag over de uitgereikte onderscheiding(en).

Zoals bekend voerde Nederland een koloniaal bewind in Nederlands-Indië en had het ter plaatste een koloniaal leger. Dat leger heeft bestaan van 1814 tot 1950. Gedurende de 19de eeuw veroverde dit leger, in samenwerking met de Koninklijke Marine, steeds grotere delen van de Indonesische archipel en bracht deze gebieden onder Nederlands gezag. Het leger sloeg ook opstanden tegen dit gezag met geweld neer. Dit alles heeft vele militairen en een nog veel groter aantal inwoners van de Indonesische archipel, het leven gekost.

Over de periode van de dekolonisatie (1945–1950) hebben onderzoekers recent geconcludeerd dat Nederland structureel extreem geweld heeft toegepast. Het kabinet nam die harde en pijnlijke conclusie over en maakte daarbij ook duidelijk dat de hoofd- en eindverantwoordelijkheid bij de bestuurders lag: de politieke, militaire en justitiële autoriteiten van toen. Het is goed om te beseffen dat de inzet van de heer Colijn plaatsvond in een nog verder verleden. Een tijd die enerzijds buiten het kader van het onderzoek ligt maar anderzijds wel contextuele raakvlakken kent.

Naar ik heb begrepen, heeft senator Nicolai geciteerd uit een brief van Colijn zoals is opgenomen in een biografie. In de brief beschrijft Colijn hoe hij als militair op Lombok strijd moest leveren tegen een opstandige bevolking en daarbij «geen genade mocht geven» aan een groep vrouwen en kinderen en hen heeft laten doodschieten. Ik kan me nauwelijks een voorstelling maken van de omstandigheden van toen maar een tekst als dit laat uiteraard niemand koud. Daarbij begrijp ik dat dit vragen kan oproepen in relatie tot de verdiensten van Colijn als militair. Daarover het volgende:

1. Colijns rol in Nederlands-Indië en de daarvoor uitgereikte dapperheidsonderscheidingen

Tussen 1893 en 1909 diende de latere premier Hendrikus Colijn (1869–1944) in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (hierna: KNIL) in voormalig Nederlands-Indië. Als officier was hij in een leidinggevende positie betrokken bij verscheidende expedities en optredens van het KNIL op meerdere eilanden in de Indonesische archipel, terwijl hij daar als bestuurder een rol speelde bij de verdere vestiging van het Nederlandse gezag.

Zijn optreden werd toentertijd door zijn superieuren zeer gewaardeerd. Zo ontving Colijn bij koninklijk besluit van 9 april 1895 op 13 augustus 1895 de MWO 4e klasse vanwege zijn rol tijdens de inname van de vorstenstad Tjakra Negara.2

Vanwege meerdere aanvallen op Atjehse strijders, werd bij koninklijk besluit van 13 juli 1900 de eresabel met het opschrift: «Koningin Wilhelmina, voor betoonde dapperheid» aan Colijn toegekend.3 Bij koninklijk besluit 56 van 30 september 1903 werd Colijn in de rang van Kapitein benoemd tot ridder in de MWO derde klasse.4 Deze onderscheiding ontving hij na een maandenlange expeditie, waarover hij de leiding had.

2. Wetsartikelen ten aanzien van uitgereikte MWO

De MWO is de oudste en tevens hoogste onderscheiding van het Koninkrijk der Nederlanden en is bij wet ingesteld op 30 april 1815. De wet Herziening Wet instelling Militaire Willems-Orde uit 2010, heeft deze vervangen. In het eerste artikel van deze wet staat dat deze onderscheiding wordt uitgereikt aan militairen in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden die zich «in den strijd door het bedrijven van uitstekende daden van moed, beleid en trouw, hebben onderscheiden».

Deze wet kent ook gronden om de onderscheiding te doen vervallen, wat het verlies van het ordeteken en het recht op toelagen als gevolg heeft. Zo staat in artikel 12 lid 2 onder a dat een onderscheiding vervalt «indien degene aan wie de onderscheiding is verleend onherroepelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten minste een jaar». Ook oneervol ontslag uit enig openbaar ambt of beroep leidt tot vervallen van de onderscheiding, volgt uit artikel 12 lid 2 onder b5. Ook al moet ik constateren dat de zaken die worden beschreven in de biografie van Colijn mij diep raken, toch is geen van bovengenoemde gronden in het geval van de heer Colijn van toepassing. Bovendien is het voor betrokkene niet mogelijk om zich postuum te verdedigen. Om die reden zie ik geen wettelijke grond om de aan hem uitgereikte dapperheidsonderscheidingen in te nemen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, H.M. de Jonge

Naar boven