35 925 V Vaststelling van de begrotingsstaat van het Ministerie van Buitenlandse Zaken (V) voor het jaar 2022

H VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 30 juni 2022

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking1 hebben met kennisgenomen van de brief2 van 8 april 2022, in reactie op het halfjaarlijks rappel toezeggingen dat op 21 februari 2022 is gestuurd.

Naar aanleiding hiervan is op 22 april 2022 een brief gestuurd aan de Minister van Buitenlandse Zaken inzake toezegging T02124.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking heeft op 30 juni 2022 gereageerd.

De commissie brengt bijgaand verslag uit van het gevoerde schriftelijk overleg.

De griffier van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, Van Luijk

BRIEF VAN DE VOORZITTER VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE ZAKEN, DEFENSIE EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Minister van Buitenlandse Zaken

Den Haag, 22 april 2022

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) hebben met belangstelling kennisgenomen van uw brief3 van 8 april 2022, in reactie op het halfjaarlijks rappel toezeggingen dat op 21 februari 2022 is gestuurd.

In uw reactie op Toezegging Rechtsbescherming als basisvoorwaarde voor het al dan niet instemmen met TTIP (T02124)4 geeft u aan dat de toezegging zou kunnen worden afgevoerd aangezien de onderhandelingen over TTIP de facto beëindigd zijn. De leden van de commissie zouden naar aanleiding hiervan u willen verzoeken om aan te geven hoe de regering om zal gaan met rechtsbescherming als basisvoorwaarde voor het al dan niet instemmen met toekomstige handelsverdragen.

De leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking (BDO) zien met belangstelling uit naar uw reactie en ontvangen deze graag binnen vier weken na dagtekening van deze brief.

Voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking, E.B. van Apeldoorn

BRIEF VAN DE MINISTER VOOR BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 30 juni 2022

Met verwijzing naar het verzoek van de leden van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking d.d. 22 april 2022 hoe de regering om zal gaan met rechtsbescherming als basisvoorwaarde voor het al dan niet instemmen met toekomstige handelsverdragen (Kenmerk 170694.19U), gaat uw Kamer hierbij de beantwoording toe van de zijde van het kabinet. Omdat de oorspronkelijke toezegging over rechtsbescherming en TTIP (kenmerk T02124), gedaan tijdens de Algemene Europese Beschouwingen op 19 mei 2015, ook betrekking had op een discussie over handelsakkoorden en het EU-beschermingsniveau op verschillende beleidsterreinen, ga ik in mijn beantwoording hier ook kort op in.

Adequate rechtsbescherming is cruciaal voor het goed functioneren van een rechtsstaat. Zowel in Nederland als op EU-niveau bestaat een goed ontwikkeld stelsel van rechtsbescherming. Rechtsbescherming omvat de mogelijkheden die bestaan in een samenleving om (achteraf) op te komen tegen besluiten en handelingen van overheidsorganen, bijvoorbeeld door bezwaar te maken tegen een besluit of tegen een besluit op te komen bij de rechter. Bestaande EU-handelsakkoorden doen niets af aan deze vormen van rechtsbescherming in de EU en haar lidstaten omdat ze geen afspraken bevatten die hier aan raken. Dat geldt net zozeer voor rechtsbescherming in bredere zin. De EU zou ook geen afspraken overeenkomen in handelsakkoorden die afbreuk doen aan de rechtsbescherming in de EU en haar lidstaten, noch zou het kabinet bereid zijn in te stemmen met een dergelijk akkoord.

Investeringsbepalingen in investeringsakkoorden bieden in sommige gevallen aanvullende rechtsbescherming. Ze bieden individuele investeerders bescherming tegen onrechtmatig overheidshandelen, zoals dat ook bestaat onder het Nederlands recht. Het gaat bijvoorbeeld om vermeende onredelijke of onbillijke of discriminatoire behandeling door een overheidsorgaan, of een vermeende schending van de voorwaarden waaronder onteigend mag worden. Deze bescherming tornt niet aan de bestaande rechtsbescherming onder het Nederlands of EU recht. Net als in de akkoorden waarover onderhandelingen reeds zijn afgerond, geldt ook voor toekomstige akkoorden dat rechtsbescherming gewaarborgd zal zijn.

Daarnaast komt in de maatschappelijke discussie rond handelsakkoorden vaak de vraag op of deze akkoorden tornen aan de standaarden die in de EU gelden voor de bescherming van mens, dier en milieu. De EU zet in onderhandelingen over handelsakkoorden standaard in op bepalingen die het recht van overheden om nieuwe wet- en regelgeving aan te nemen in het publiek belang (het right to regulate) expliciteren en herbevestigen. Dit recht wordt bijvoorbeeld herbevestigd in het hoofdstuk over handel en duurzame ontwikkeling in het EU-Japan handelsakkoord en in het onderhandelaarsakkoord tussen de EU en Mexico.5 6 In de onderhandelingen met Nieuw-Zeeland heeft de Commissie deze bepalingen ook voorgesteld.7 Ook in hoofdstukken over handel in diensten en investeringen worden bepalingen opgenomen die inhouden dat verdragspartijen het recht hebben om maatregelen te nemen ter verwezenlijking van legitieme beleidsdoelstellingen, zoals in het EU-Japan handelsakkoord.8 Het kabinet zal erop blijven toezien dat deze afspraken waar nodig ook worden opgenomen in toekomstige EU-handelsakkoorden.

De EU kan haar hoge beschermingsniveau dus blijven handhaven en, indien nodig, verhogen. Zo behoudt de EU beleidsruimte om in de toekomst de beschermingsniveaus voor mens, dier en milieu op een adequate wijze te borgen en te verbeteren. Comités onder handelsakkoorden die toezien op de uitvoering van afspraken kunnen ook geen besluiten nemen die leiden tot een aanpassing van Europese regelgeving. Wel bieden handelsakkoorden een platform om in gesprek te gaan met handelspartners over standaarden en regelgeving met het doel om samenwerking te vergemakkelijken en te bevorderen.

De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, E.N.A.J. Schreinemacher


X Noot
1

Samenstelling:

Faber-Van de Klashorst (PVV), Ganzevoort (GL), Van Apeldoorn (SP) (voorzitter), Van Dijk (SGP),

Jorritsma-Lebbink (VVD), Atsma (CDA), Oomen-Ruijten (CDA), Koole (PvdA), Prast (PvdD), Van Rooijen (50PLUS), arbouw (VVD), Van Ballekom (VVD) (1e ondervoorzitter), Beukering (Fractie-Nanninga), Bezaan (PVV), Dittrich (D66), Huizinga-Heringa (CU) (2e ondervoorzitter), Dessing (FVD), Karimi (GL), Kluit (GL), Moonen (D66), Otten (Fractie-Otten), Vos (PvdA), Van Wely (Fractie-Nanninga) en Raven (OSF).

X Noot
2

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2021–2022, 35 925 V, G.

X Noot
3

Zie verslag schriftelijk overleg: Kamerstukken I, 2021–2022, 35 925 V, G.

X Noot
4

Idem, blz. 4.

Naar boven